ECLI:NL:RBNNE:2026:2526

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
LEE 24/4523
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WbizArt. 120 GrondwetArt. 11 Wet algemene bepalingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanslag BIZ-bijdrage na staking onderneming in 2024

Eiseres was eigenaar van een eenmanszaak gevestigd op een adres binnen de bedrijveninvesteringszone (BIZ) in Lemmer en heeft haar onderneming op 30 juni 2024 gestaakt. De heffingsambtenaar legde haar een volledige BIZ-bijdrage voor het jaar 2024 op, gebaseerd op de situatie per 1 januari 2024.

Eiseres betoogde dat zij niet de volledige bijdrage hoefde te betalen omdat zij slechts een deel van het jaar gebruik heeft gemaakt van het pand. De heffingsambtenaar verwees naar de Verordening en de Wet op de bedrijveninvesteringszone (Wbiz), die bepalen dat de BIZ-bijdrage een tijdstipbelasting is, waarbij alleen de situatie op 1 januari relevant is.

De rechtbank bevestigde dat de Verordening geen mogelijkheid biedt tot vermindering of ontheffing van de bijdrage op basis van feiten na de peildatum. Ook al voelt dit voor eiseres wellicht onredelijk, de rechtbank kan hier geen afwijking van maken omdat de wetgever dit zo heeft bepaald. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag bleef in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiseres de volledige BIZ-bijdrage over 2024 moet betalen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4523

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

de heffingsambtenaar van de gemeente De Fryske Marren, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 15 november 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft van eiseres voor het belastingjaar 2024 een BIZ-bijdrage van € 247 ter zake van de onroerende zaak aan [adres] .
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft namens de heffingsambtenaar deelgenomen [naam] . Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.

Feiten

2.
2.1.
Eiseres was eigenaresse van de eenmanszaak [eiseres] . [eiseres] was op
1 januari 2024 gevestigd op het adres [adres] . Dit adres valt in de bedrijveninvesteringszone van het kernwinkelgebied in Lemmer. [eiseres] is op 30 juni 2024 gesloten en heeft haar activiteiten gestaakt.
2.2.
De BIZ-bijdrage wordt geheven op grond van de Verordening op de heffing en de invordering bedrijveninvesteringszone kernwinkelgebied Lemmer (de Verordening).

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de aanslag BIZ-bijdrage terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres is opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de aanslag BIZ-bijdrage 2024 terecht en tot het juiste bedrag aan eiseres opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft.
5. Eiseres vindt het onterecht dat de volledige BIZ-bijdrage van haar is geheven . [eiseres] is namelijk per 30 juni 2024 is gestopt en gesloten en daarom heeft zij niet of nauwelijks van de BIZ kunnen profiteren.
6. De heffingsambtenaar is van mening dat de aanslag BIZ-bijdrage terecht is opgelegd en dat er geen ruimte is tot vermindering dan wel ontheffing. De heffingsambtenaar heeft er daarbij op gewezen dat de aanslag BIZ-bijdrage is opgelegd op grond van de Verordening. De bepalingen uit deze Verordening bieden geen ruimte tot een ontheffing dan wel vermindering van de aanslag op basis van feiten die na de peildatum (1 januari) van het heffingsjaar zijn voltrokken. In de Verordening is de belastingplicht terug te voeren op degene die aan het begin van het heffingsjaar gebruiker is van een belastingobject. Uit deze bepaling, in relatie tot de overige artikelen, kan de conclusie worden getrokken dat, in tegenstelling tot het verzoek van belanghebbende, de Verordening geen ruimte biedt tot een herziening dan wel vermindering van de aanslag op basis van feiten die na de peildatum 1 januari van het heffingsjaar zijn voltrokken.
7. De rechtbank heeft allereerst geconstateerd dat de Verordening geldend is vanaf 19 maart 2024. Die datum is gelegen na de peildatum van 1 januari. De heffingsambtenaar heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat de Verordening pas op 19 maart 2024 is gepubliceerd, maar dat dit in zijn optiek geen gevolgen heeft voor de aanslag. De rechtbank is dat op zichzelf met de heffingsambtenaar eens, maar heeft daarin wel aanleiding gezien om ambtshalve te oordelen of de heffing wel redelijkerwijs voorzienbaar was voor eiseres. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, omdat de Verordening op 6 november 2023 is vastgesteld [1] en de Verordening voortvloeit uit de Uitvoeringsovereenkomst BIZ Kernwinkelgebied Lemmer van 30 november 2023 dat gesloten is tussen (het college van) gemeente De Fryske Marren en BIZ Vereniging WIH Lemmer [2] .
8. De rechtbank overweegt verder dat uit de Wet op de bedrijveninvesteringszone (Wbiz) volgt dat de gemeenteraad onder de naam BIZ-bijdrage een belasting kan heffen van onder meer gebruikers. [3] Met gebruiker wordt bedoeld degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die is gelegen in de bedrijveninvesteringszone gebruikt op grond van eigendom, bezit of beperkt recht. [4]
9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op 1 januari 2024 de gebruiker was van het pand als bedoeld in de Wbiz en de Verordening. Daarnaast is ook niet in geschil dat het pand in de bedrijveninvesteringszone ligt als bepaald in de Verordening. Eiseres was daarom op 1 januari 2024 belastingplichtig voor de BIZ-bijdrage.
10. De rechtbank overweegt verder dat uit de Wbiz volgt dat de BIZ -bijdrage een zogenoemde tijdstipbelasting is. Om te bepalen wie over een bepaald belastingjaar de BIZ -bijdrage moet betalen, wordt alleen gekeken naar de situatie op 1 januari van het betreffende belastingjaar. Voor de Wbiz en de Verordening is alleen dit tijdstip relevant. De belastingplicht blijft daarna voor het hele jaar gelden. Hierbij maakt het niet uit of een gebruiker in de loop van het jaar geen gebruik meer maakt van het pand. In de Wbiz en de Verordening is niet bepaald dat de heffing van de BIZ -bijdrage tijdsevenredig of naar mate van gebruik moet plaatsvinden. Daarnaast bevatten de Wbiz en de Verordening ook geen bepalingen op grond waarvan men een gedeelte van de BIZ -bijdrage kan terugkrijgen, als men niet het gehele belastingjaar gebruiker is van het pand. Dat eiseres slechts een deel van 2024 gebruik heeft gemaakt van het pand, maakt dus niet dat eiseres alleen over dit deel van het jaar de BIZ -bijdrage moet betalen.
11. Omdat eisers op 1 januari 2024 gebruiker was van het pand, is eiseres dus over het gehele belastingjaar 2024 een BIZ -bijdrage verschuldigd. De rechtbank kan zich best indenken dat dit misschien wat wrang aanvoelt, maar de rechtbank wijst eiseres in dat verband er nog op dat zij van tevoren wist (of kon weten) waar ze aan toe was (zie 7.). De rechtbank mag verder geen oordeel geven over hoe de wet in elkaar is gezet. Daar gaat de wetgever over. [5]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag BIZ-bijdrage in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Gemeenteblad 2023, 470883.
2.Zie
3.Artikel 1, eerste lid, van de Wbiz.
4.Artikel 1, derde lid, van de Wbiz.
5.Zie artikel 120 van Pro de Grondwet, Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2818, Hoge Raad 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 en artikel 11 van Pro de Wet algemene bepalingen (het staat de rechter niet vrij om formele wetgeving zoals de Gemeentewet te toetsen op haar innerlijke waarde of billijkheid).