ECLI:NL:RBNNE:2026:2620

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
18-344401-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38z SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis brandstichting eigen woning met psychische problematiek en hernieuwd deskundigenonderzoek

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 juni 2026 een tussenvonnis gewezen in de zaak tegen verdachte die wordt verdacht van brandstichting in haar eigen woning te Leeuwarden op 16 december 2025. De rechtbank acht bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht door stapels boeken in brand te steken, waarbij gevaar voor goederen in het appartementencomplex bestond. Gevaar voor personen acht de rechtbank niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

De zaak wordt gekenmerkt door de complexe psychische problematiek van verdachte, bij wie schizofrenie met paranoïde en gedesorganiseerde trekken is vastgesteld. De gedragsdeskundigen en reclassering hebben eerder negatieve adviezen uitgebracht over toerekenbaarheid en de noodzaak van een tbs-maatregel met dwangverpleging, mede door de ontkennende en weigerachtige proceshouding van verdachte.

Tijdens de zitting heeft verdachte haar proceshouding gewijzigd, een bekentenis afgelegd en aangegeven medicatie te gebruiken en bereid te zijn dit vrijwillig voort te zetten. De rechtbank acht zich echter onvoldoende geïnformeerd om een definitieve straf of maatregel op te leggen en gelast aanvullend dubbel pro justitia onderzoek en een nieuw maatregelenrapport door de reclassering. Het onderzoek wordt geschorst met een maximum van drie maanden en zal op een nader te bepalen datum worden hervat.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld voor brandstichting met gevaar voor goederen, vrijgesproken voor gevaar voor personen, en het onderzoek wordt geschorst voor aanvullend deskundigenonderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer: 18-344401-25

Tussenvonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 29 juni 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [adres ] ,
thans gedetineerd te [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.G.D. Rutten, advocaat te Hilversum.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 16 december 2025 te Leeuwarden, in een woning, (perceel [nummer] ), van een grachtenpand/appartementencomplex, gelegen aan of bij de [adres ] , aldaar, opzettelijk brand heeft gesticht, door op een of meer plaats(en) in die woning een stapel boeken, althans papier, in brand te steken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking te brengen met (een) brandba(a)r(e) stof(fen)/goed(eren), ten gevolge waarvan die boeken, althans papier, geheel en/of gedeeltelijk zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan
  • gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de (overige) inboedel/ inventaris van die woning, gelegen aan de [adres ] , en/of voor (de inventaris van) de (andere) woning(en) in dat grachtenpand/ appartementencomplex en/of voor dat grachtenpand/appartementencomplex en/of voor de (de inventaris van) de naastgelegen woning(en) en/of
  • levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de bewoners van/in de naastgelegen woning(en)/pand(en), te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de ten laste gelegde brandstichting, met dien verstande dat enkel gevaar is geweest voor goederen. Hij heeft tot vrijspraak gerekwireerd voor de gekwalificeerde brandstichting die ziet op het gevaar voor personen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde brandstichting voor zover deze betrekking heeft op het gevaar voor personen.
Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak voor het te duchten gevaar voor personen
De rechtbank is met de officier van justitie en raadsman van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat bij de brand gevaar te duchten is geweest voor personen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.
Bewijsmiddelen
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 juni 2026;
2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 december 2025, opgenomen op pagina 16 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland in het onderzoek NNN1R025158-CACAO d.d. 26 januari 2026, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :
3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek woning ( [adres ] ) d.d. 2 januari 2026, opgenomen op pagina 145 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
zij op 16 december 2025 te Leeuwarden, in een woning, perceel [nummer] , van een grachtenpand / appartementencomplex gelegen aan de [adres ] , aldaar, opzettelijk brand heeft gesticht, door op meer plaatsen in die woning een stapel boeken in brand te steken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor de inboedel / inventaris van die woning gelegen aan de [adres ] , en voor (de inventaris van) de andere woningen in dat grachtenpand / appartementencomplex en voor (de inventaris van) de naastgelegen woningen, te duchten was.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
- opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Tussenvonnis

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Daarnaast heeft hij gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege. Hij heeft ten slotte geëist dat aan verdachte wordt opgelegd de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een straf die in duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest en een taakstraf. Deze voorgestelde strafafdoening is passend, gelet op de adviezen van de gedragsdeskundigen
om het ten laste gelegde in sterk verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Hij heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met de oplegging van een tbs met voorwaarden in combinatie met een zorgmachtiging. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot het trouw innemen van haar (depot)medicatie. Zij gebruikt op dit moment (depot)medicatie en deze is effectief gebleken. Het herhalingsgevaar kan gelet op het vorenstaande voldoende worden ondervangen met een minder ingrijpende maatregel. Het opleggen van een tbs met dwangverpleging is dus niet nodig en om die reden disproportioneel.
De raadsman heeft subsidiair om schorsing van het onderzoek ter terechtzitting verzocht zodat de reclassering opnieuw een maatregelenrapport kan opstellen. De adviezen van de gedragsdeskundigen en de reclassering zijn intussen achterhaald, omdat deze zijn gegrond op de eerdere ontkennende proceshouding van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en/of maatregel, moet de rechtbank rekening houden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het strafblad en de over haar opgemaakte rapportages.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de pro justitia rapportages in het dossier. De beantwoording van de gestelde onderzoeksvragen luidt kort samengevat als volgt.
De psychiater F. Harmanny-Wiersma heeft op 18 maart 2026 bij verdachte de diagnose schizofrenie met paranoïde en gedesorganiseerde trekken gesteld. Het psychotische toestandsbeeld was ook aanwezig ten tijde van het delict. De psychiater adviseert om het ten laste gelegde in sterk verminderde mate toe te rekenen aan verdachte dan wel in het geheel niet toe te rekenen. De psychose van verdachte dient langdurig te worden behandeld. De pijler van de behandeling zal zijn het langdurige gebruik van antipsychotische medicatie. De kans op het opnieuw staken van antipsychotische medicatie acht de psychiater echter groot gezien het ontbrekende probleembesef en de reële bijwerkingen die antipsychotische medicatie kan geven. De psychose kan bij een medicatiestop weer opbloeien waarbij gewelddadig gedrag kan optreden. Als verdachte overtuigd kan worden van het innemen van antipsychotische medicatie, dan kan dwangmedicatie worden voorkomen. Er moet veel geïnvesteerd worden in het motiveren van verdachte hiervoor gezien het ontbrekende ziekte-inzicht. Vanwege dit ontbrekende ziekte-inzicht komen een zorgmachtiging en/of een tbs met dwangverpleging in beeld.
Opgemerkt moet worden dat een zorgmachtiging in een eerder stadium bij herhaling niet goed heeft uitgewerkt en niet doelmatig lijkt.
De psycholoog W.R. Swaak heeft op 26 maart 2026 bij verdachte de diagnose schizofrenie met multipele episoden gesteld die momenteel gedeeltelijk in remissie is. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. De schizofrenie was destijds niet in remissie: er was sprake van actieve hallucinaties en beïnvloedingswanen. De psycholoog kan geen gedragsdeskundig advies geven over de toerekenbaarheid van het ten laste gelegde aan verdachte. Vanwege de ontkennende proceshouding van verdachte is het niet duidelijk geworden wat de invloed is geweest van de psychotische symptomen op het ten laste gelegde. De psycholoog kan om dezelfde reden noch een betrouwbare risicoprognose geven noch advies geven over de interventies om recidive te voorkomen. De psycholoog adviseert een forensisch klinische behandeling in het hypothetische scenario van een hoog recidiverisico en een vastgesteld verband tussen stoornis en delict. De behandeling dient zich dan te richten op het vergroten en
vasthouden van de motivatie voor behandeling en medicatiegebruik. Een dergelijke behandeling zou kunnen starten binnen een klinische setting met een hoog beveiligingsniveau. Een nieuwe zorgmachtiging wordt in dit hypothetische scenario als ontoereikend gezien. Uit de behandelgeschiedenis van verdachte komt een beperkte behandelmotivatie naar voren. Binnen het PPC1 [instelling 2] werkt verdachte bovendien niet mee met de geïndiceerde medicamenteuze behandeling, waardoor de psycholoog twijfels heeft of een behandeling binnen een tbs met voorwaarden haalbaar is. Er zal een tbs met dwangverpleging overwogen moeten worden.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van 29 mei 2026. De reclassering beschrijft dat de behandelaren in de PPC hebben aangegeven dat verdachte niet trouw is met het gebruiken van haar medicatie. Verdachte weigert depotmedicatie en de inzet van dwangmedicatie is vooralsnog niet mogelijk. Verdachte is op dit moment verward en achterdochtig en heeft volgens de behandelaar weinig ziektebesef. Omdat er geen overeenstemming is over de belangrijkster pijler om recidive te voorkomen, namelijk medicamenteuze behandeling, maar ook gezien haar houding die ontkennend en niet meewerkend is, schat de reclassering in dat verdachte niet in staat zal zijn om zich langdurig aan voorwaarden te houden. Zij toont nauwelijks inzicht in haar problematiek en er is slechts een beperkte behandelmotivatie. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog. De reclassering adviseert negatief over een tbs met voorwaarden.
De rechtbank constateert dat de ontkennende en weigerachtige (proces)houding die verdachte eerder innam van aanzienlijke invloed is geweest op de door de deskundigen uitgebrachte adviezen. Zo heeft de psycholoog niet kunnen adviseren over de toerekenbaarheid en is ook het advies van de psychiater op dat punt niet stellig. Verder lijkt het erop dat die weigerachtige en ontkennende houding ook van doorslaggevende invloed is geweest op onder meer het negatieve advies over een tbs met voorwaarden. Verdachte heeft ter terechtzitting haar procesopstelling echter gewijzigd en een bekennende verklaring afgelegd. Ook heeft zij aangegeven dat zij haar medicatie inneemt en dat zij bereid is om dit binnen een vrijwillig kader voort te zetten. De rechtbank onderkent dat in het dossier naar voren komt dat het medicatiegebruik van verdachte problematisch is en de behandelgeschiedenis geen rooskleurig beeld geeft. Daar staat tegenover dat de gevorderde tbs-maatregel (met dwangverpleging) ingrijpend van aard is en de gewijzigde (proces)houding de deskundigen mogelijk toch tot een (ander) advies brengt, zowel ten aanzien van de toerekenbaarheid als ten aanzien van de noodzaak van een (eventuele) tbs-maatregel met dwangverpleging. Alles afwegend zal de rechtbank het onderzoek daarom heropenen om nadere deskundigenrapportages te laten opmaken, zowel door de psycholoog als de psychiater waarbij de rechtbank in het bijzonder wenst te vernemen of de gewijzigde (proces)houding leidt tot een andere beantwoording van de eerder gestelde onderzoeksvragen2. Hierop volgend dient ook opnieuw een maatregelenrapport door de reclassering te worden opgesteld.
De rechtbank acht zich naar de huidige stand van zaken dus onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen over de op te leggen straf en/of maatregel. Zij zal het onderzoek ter terechtzitting heropenen op de wijze als hierna is vermeld.

Voorlopige uitspraak

De rechtbank

heropent het onderzoek ter terechtzitting;
schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd met een maximum van drie maanden;
gelast de officier van justitie opdracht te geven tot het laten opstellen van een aanvullend dubbel pro justitia rapportage (door psycholoog en psychiater) waarbij de onderzoeksvragen die in de bijlage3 zijn opgenomen opnieuw worden doorlopen en beantwoord;
gelast de officier van justitie opdracht te geven aan de reclassering om een maatregelenrapport op te stellen;
stelt daartoe de stukken in handen van de officier van justitie;
beveelt de oproeping van verdachte en haar raadsman tegen een nader te bepalen datum en tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting wordt hervat.
Dit tussenvonnis is gewezen door mr. H. Brouwer, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.
Mr. H. Brouwer en mr. G. Veenstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage met onderzoeksvragen

0. Als verdachte weigert onderzocht te worden, tot welke overwegingen van de onderzoeker geeft die weigering aanleiding?
1. Is onderzochte lijdende aan een psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?
2. Hoe was dit ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde?
3. Beïnvloedde de eventuele psychische stoornis, verstandelijke handicap en/of psychogeriatrische aandoening onderzochte gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde?
4. Zo ja, kunt u dan gemotiveerd aangeven:
5. Op welke manier dat gebeurde,
Of dit leidt tot het advies om het ten laste gelegde in een verminderde mate dan wel in het geheel niet toe te rekenen, en
Indien geadviseerd wordt om in een verminderde mate toe te rekenen, preciseer dit gedragskundig.
Welke verwachting heeft u, gelet op de hiervoor beschreven stoornis, ten aanzien van het risico op recidive?
Welke beschermende functies in de persoonlijkheid of functioneren dienen hierbij in overweging te worden genomen?
Welke contextuele, situatieve of andere condities dienen hierbij in overweging te worden genomen?
Is er iets te zeggen over eventuele onderlinge beïnvloeding van deze factoren en condities?
6. Zijn er argumenten gelegen in de persoonlijkheid en/of ontwikkeling van onderzochte die aanleiding geven het minderjarigenstrafrecht toe te passen? (deze vraag alleen opnemen en beantwoorden als onderzochte ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde de leeftijd van 23 jaar nog niet had bereikt) Zo ja, volg de jeugdvraagstelling.
Welke aanbevelingen van gedragsdeskundige en van andere aard zijn te doen voor interventies die het eventuele recidivegevaar kunnen beperken?
Binnen welk(e) juridisch(e) kader(s) zouden deze gerealiseerd kunnen worden?
1. penitentiair psychiatrisch centrum
2 Zie de bijlage op pagina 7.
3 Zie pagina 7.