ECLI:NL:RBNNE:2026:2712

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
18.384430.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens gebrek aan steunbewijs bij ontuchtige handelingen in 2016-2017

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 29 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van het plegen van ontuchtige handelingen jegens een minderjarige in de periode van februari 2016 tot februari 2017. De tenlastelegging betrof diverse handelingen zoals het aanraken en strelen van het slachtoffer.

De officier van justitie vorderde veroordeling op basis van de aangifte, een briefje van het slachtoffer en chatberichten tussen het slachtoffer en verdachte. De verdediging voerde aan dat de aangifte niet betrouwbaar was vanwege inconsistenties en dat de getuigenverklaringen geen steunbewijs vormden omdat zij het gedrag niet zelf hadden waargenomen. Ook betoogde de verdediging dat de chatberichten geen ontuchtige handelingen bewezen.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was. De verklaringen van de ouders en een getuige waren afgeleid van het slachtoffer zelf en vormden geen onafhankelijk steunbewijs. De chatberichten waren te onduidelijk en meerduidig om als bewijs te dienen. Hierdoor werd niet voldaan aan de bewijsminimumregel en werd verdachte vrijgesproken. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het ten laste gelegde niet bewezen was.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens gebrek aan steunbewijs en de vordering van de benadeelde partij is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.384430.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.C. Schouten, advocaat te Breda. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks 1 februari 2016 tot en met 1 februari 2017 te Lemmer, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2003, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
  • het uittrekken van het shirt, en/of
  • het aanraken en/of strelen van het been, en/of
  • het aanraken en/of wrijven over de billen, en/of
  • het aanraken en/of strelen van de vagina, en/of
  • het aanraken, strelen en/of knijpen in de blote borsten, en/of
  • het kussen op de lippen, van die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling ter zake het tenlastegelegde gevorderd op basis van de aangifte, het door aangeefster geschreven briefje en de chatberichten tussen aangeefster en verdachte in de tenlastegelegde periode. De verklaring van aangeefster is consistent en authentiek. De data van de verstuurde berichten tussen aangever en verdachte komen overeen met de trainingsdagen van aangeefster waarop de handelingen plaatsvonden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken gelet op de ontkenning van verdachte. De aangifte is niet betrouwbaar gezien de inconsistentie in de verklaringen van aangeefster. Daarnaast kunnen de verklaringen van de getuigen, te weten van de ouders van aangeefster en de vriend van aangeefster, [getuige] , niet dienen als steunbewijs. De getuigen hebben zelf het vermeende grensoverschrijdend gedrag niet waargenomen.
Verder heeft de raadsman aangevoerd dat uit de inhoud van de chatberichten tussen aangeefster en verdachte niet kan worden opgemaakt dat er een ontuchtige handeling heeft plaatsgevonden; die chatberichten kunnen dus ook niet het vereiste steunbewijs opleveren.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen betrokken waren bij de ten laste gelegde ontuchtige handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Dit betekent dat - in een geval als het onderhavige, waarin door verdachte wordt ontkend dat ontuchtige handelingen zijn gepleegd en er geen getuigen van zijn - de rechtbank moet bepalen of voor de verklaring van het slachtoffer voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
In het dossier bevinden zich naast de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] de verklaringen van haar ouders en die van getuige [getuige] . Naar het oordeel van de rechtbank kan uit die verklaringen echter
geen steunbewijs worden geput. Daar waar de getuigen verklaren over het ten laste gelegde, verklaren zij over wat aangeefster aan hen heeft verteld. En daarmee zijn deze verklaringen te herleiden tot één en dezelfde bron, namelijk aangeefster.
Ook anderszins kan in het dossier geen steunbewijs worden gevonden voor het tenlastegelegde. Uit de chatberichten tussen aangeefster en verdachte zou afgeleid kunnen worden dat er meer speelde tussen beiden dan een sportleraar-pupilrelatie, maar die chatberichten zijn naar het oordeel van de rechtbank te onduidelijk en voor meerdere interpretaties vatbaar om als (steun)bewijs te kunnen dienen voor de verweten ontuchtige handelingen. In de chatberichten wordt in ieder geval niet over ontuchtige handelingen gesproken.
De enkele verklaring van aangeefster is ontoereikend om tot een bewezenverklaring te komen. Vanwege een gebrek aan steunbewijs is niet voldaan aan de bewijsminimumregel.
Het voorgaande leidt ertoe dat hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal derhalve worden vrijgesproken.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 2.701,53 ter vergoeding van materiële schade en 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, voorzitter, mr. H. Brouwer en
mr. G. Veenstra, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2026.
mr. G. Veenstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.