ECLI:NL:RBNNE:2026:2740

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
25/4159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling procesbelang bij bezwaar bijzondere bijstand griffierecht

Eiser heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het griffierecht in een andere procedure, welke door het college is toegekend. Vervolgens verklaarde het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Eiser maakte bezwaar tegen deze niet-ontvankelijkverklaring en stelde dat hij schade had geleden en dat het college niet tijdig had beslist, wat normschending zou opleveren.

De rechtbank oordeelt dat procesbelang ontbreekt omdat eiser materieel geen beter resultaat kan bereiken; de bijzondere bijstand is immers toegekend. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de gestelde schade het gevolg is van het bestreden besluit. De rechtbank wijst het beroep af en verklaart het niet-ontvankelijkheidsbesluit terecht.

Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter P.G. Wijtsma op 13 juli 2026. Eiser kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/4159

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen, het college

(gemachtigde: mr. V. Djordjevic).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang. Eiser is het daar niet mee eens.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt zij uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 20 mei 2025 toegewezen. Met het bestreden besluit van 16 september 2025 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Het college heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser heeft op 25 maart 2025 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van het griffierecht in de zaak CRvB 25/520. Met het primaire besluit heeft het college hem bijzondere bijstand verleend van € 143. Met het bestreden besluit heeft het college – onder overneming van het advies van de commissie bezwaarschriften van 12 september 2025 – het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Eiser wil geen verandering van het bestreden besluit. Nu binnen de beslistermijn een besluit is genomen, kan het college geen vertragingsrente verschuldigd zijn. Afgeleide schade die uit andere procedures kan volgen, en het gestelde onthouden van een rechtsgang, vormen geen belang in dit geschil.

Wat vindt eiser?

3. Eiser voert aan dat hij schade heeft geleden en dat het bezwaar om die reden ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. In dit verband heeft hij onder meer gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 29 juni 2021 [1] . Ook heeft eiser gesteld dat schade bestaat uit hetgeen hij heeft gevorderd in andere procedures. Het college heeft niet binnen de termijn waarbinnen hij het griffierecht heeft moeten voldoen op zijn aanvraag beslist, terwijl het college wel bekend was met die termijn. Dit levert normschending op, aldus eiser.

Wat vindt de rechtbank?

4. De rechtbank moet beoordelen of het college terecht het bezwaar van eiser wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaarschrift met het maken van bezwaar nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. [2]
4.2.
Vaststaat dat eiser in materiële zin geen beter resultaat kan bereiken. Het college heeft immers overeenkomstig de aanvraag van eiser bijzondere bijstand verleend voor het griffierecht in de zaak CRvB 25/520.
4.3.
Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven als de betrokkene een uitspraak wenst met het oog op een verzoek om schadevergoeding. Dan is echter wel vereist dat het bestaan van schade als gevolg van de besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. [3]
4.4.
In het geval van eiser is niet aan dit criterium voldaan. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt hoe de door hem gestelde schade het gevolg is van het bestreden besluit. Het college heeft binnen acht weken op eisers aanvraag beslist. [4] Eiser heeft op de zitting verklaard dat de zaak CRvB 25/520 nog behandeld wordt. Hem is dan ook geen rechtsbescherming onthouden. Van enige normschending door het college is dus niet gebleken, zodat de verwijzing naar het onder 3 genoemde arrest niet kan slagen. Wat eiser voor het overige aan schade heeft aangevoerd, houdt geen verband met het bestreden besluit. Daarom wordt op voorhand onaannemelijk geacht dat hij als gevolg van het bestreden besluit schade heeft geleden. Zijn beroepsgronden slagen niet en zijn verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Het college heeft eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaarschrift. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen Omdat het beroep niet slaagt, krijgt eiser geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op
www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 juli 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB2860.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
4.Artikel 4:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.