ECLI:NL:CRVB:2001:AB2860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- G. van der Wiel
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt uitspraak over bezwaar werkgever tegen WAO-uitkeringsherziening
Het geschil betreft een herziening van de WAO-uitkering van een werknemer, waarbij de werkgever bezwaar maakte tegen een besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (appellant) dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% naar 65-80% had herzien.
De rechtbank Utrecht verklaarde het bezwaar van de werkgever niet-ontvankelijk omdat de werkgever onvoldoende belang zou hebben bij ongedaanmaking van het besluit. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat een werkgever als belanghebbende moet worden aangemerkt bij besluiten die de aanspraken van een werknemer op een WAO-uitkering betreffen, ongeacht de aard van de aangevoerde bezwaren.
De Raad stelt dat het bezwaar ontvankelijk is omdat het resultaat dat de werkgever nastreeft, namelijk het herstellen van de oorspronkelijke mate van arbeidsongeschiktheid, feitelijke betekenis heeft. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke beoordeling.
De Raad benadrukt dat het belang van de werkgever niet afhankelijk is van de door hem aangevoerde bezwaren en dat het ontbreken van een concreet financieel nadeel niet betekent dat er geen procesbelang is. De zaak wordt daarmee terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Centrale Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug wegens onjuiste niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van de werkgever.