ECLI:NL:RBNNE:2026:2938

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
25/1754
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 1 BpbArt. 2 BpbArt. 3.2 procedure en werkwijzeArt. 3.4 procedure en werkwijze
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergoeding waardedaling voormalige woning door mijnbouwschade

Eiseres heeft haar woning verkocht en vervolgens een vergoeding gevraagd voor waardedaling door mijnbouwschade. Het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) baseerde de vergoeding aanvankelijk op de verkoopprijs, maar herzag dit naar de WOZ-waarde vermeerderd met een bedrag aan mijnbouwschade, conform taxatiekaart.

Eiseres betwistte de hoogte van de vergoeding en stelde dat de fysieke schade hoger was dan het bedrag dat het IMG hanteerde. De rechtbank oordeelde dat de WOZ-waarde met de correctie van €18.300,- aan mijnbouwschade juist was toegepast en dat er geen grond was om een hogere waarde te hanteren.

De rechtbank wees het beroep tegen het herziene besluit af en verklaarde het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk. Daarnaast werd het door eiseres betaalde griffierecht en reiskosten toegekend, maar het verzoek tot vergoeding van verletkosten afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

De uitspraak bevestigt dat fysieke schade aan de woning onder een andere regeling valt en dat de waardedalingvergoeding op juiste wijze is vastgesteld volgens de geldende regels en taxaties.

Uitkomst: Het beroep tegen de waardedalingvergoeding wordt ongegrond verklaard; de vergoeding is correct vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1754

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: [naam]),
en

Instituut Mijnbouwschade Groningen

(gemachtigden: mrs. A.M. Wenniger en E.V. Willems).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de toegekende vergoeding voor waardedaling van de voormalige woning van eiseres. Eiseres is het niet eens met de hoogte van de vergoeding. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de hoogte van de vergoeding voor waardedaling.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut de vergoeding voor waardedaling van de woning van eiseres juist heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en totstandkoming van het besluit

2. De rechtbank slaat acht op het navolgende.
2.1.
Eiseres heeft de woning aan de [adres], waar zij voor een onverdeelde helft eigenaar van was, op 14 januari 2022 verkocht. Blijkens de akte van levering was de verkoopprijs € 360.000. In artikel 23 van Pro de koopovereenkomst is onder meer het volgende vermeld:
“Verkoper verklaart vier keer een melding te hebben gedaan van mogelijke aardbeving gerelateerde schade waarvan de uitkomsten zijn vastgelegd in diverse rapportages. (…) Verkoper zal de schade als bedoeld in de schaderapporten niet herstellen. Verkoper heeft wel schade-uitkering ontvangen en die uitkeringen (ook die nog komen inzake lopende meldingen) blijven ook bij de verkoper. Koper zal de schade voor eigen rekening en risico laten herstellen.”
2.2.
Op 19 februari 2025 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor vergoeding van waardedaling van haar aandeel in haar voormalige woning. Het Instituut heeft op 5 maart 2025 een vergoeding voor waardedaling aan eiseres toegekend van € 3.806,73. De vergoeding is door het Instituut berekend over de verkoopprijs uit de akte van levering en een waardedalingspercentage van 2,07%. Met het besluit op bezwaar van eiseres van 22 april 2025 is het Instituut bij het primaire besluit gebleven.
2.3.
Eiseres heeft op 9 mei 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiseres vraagt de rechtbank om, indien de verkoopwaarde niet is vast te stellen uit de notariële akte, het Instituut op te dragen een nieuw besluit te nemen waarin de WOZ-waarde, vermeerderd
met de niet herstelde, geïndexeerde aardbevingsschade, als uitgangspunt wordt genomen voor het berekenen van de waardedaling.
2.4.
Naar aanleiding van het beroep van eiseres heeft het Instituut op 5 juni 2025 de beslissing van 22 april 2025 herzien. In dit besluit (het bestreden besluit) heeft het Instituut de WOZ-waarde met peildatum 1 januari 2022 als uitgangspunt genomen. Deze was
€ 360.000. Uit het taxatieverslag van de gemeente blijkt dat de WOZ-waarde is verminderd met € 18.300,- in verband met aardbevingsschade. De woningwaarde waarmee het Instituut de nieuwe berekening voor de waardedaling heeft gedaan is gesteld op € 378.300 (€ 360.000 + €18.300). De vergoeding aan eiseres voor de waardedaling is in het besluit van 5 juni 2025 aangevuld met een bedrag van € 193,51.
2.5.
Eiseres heeft de rechtbank op 24 juni 2025 geïnformeerd het beroep te willen handhaven. Zij stelt zich op het standpunt dat het bedrag nog steeds te laag is.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het Instituut.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat het geschil over?
3. In geschil is de hoogte van de toegekende vergoeding voor waardedaling. In het bijzonder is in geschil of het Instituut rekening had moeten houden met een hoger bedrag aan fysieke schade door mijnbouwactiviteiten aan de woning waardoor de verkoopwaarde van de woning lager zou zijn dan zonder schade. Als het Instituut de visie van eiseres volgt, zou zij circa € 1.000 meer krijgen dan wat zij nu heeft gekregen.
4. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit van 5 juni 2025 een besluit is in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor het beroep van eiser tegen het besluit van 22 april 2025 geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 5 juni 2025. Aan het besluit van 22 april 2025 komt geen zelfstandige betekenis meer toe. Voor zover er nog gronden resteren, worden die besproken in het kader van het besluit van 5 juni 2025. Het beroep tegen het besluit van 22 april 2025 wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Wat is het toetsingskader?
5. Het Instituut berekent de waardedaling van de woning aan de hand van het model van Atlas voor gemeenten (Atlas). [1] De waardedaling wordt vastgesteld aan de hand van twee indicatoren, het algemene imago-effect en de bevingshistorie. Daaruit volgt een waardedalingspercentage. Dit waardedalingspercentage wordt vervolgens afgezet tegen de woningwaarde.
6. Het Instituut gaat voor de waarde van de woning met het effect van bodembeweging uit van de WOZ-waarde zoals die is vastgesteld voor de peildatum. [2] Hiervan kan worden afgeweken, indien de aanvrager de betreffende woning voorafgaand aan de aanvraag heeft verkocht en overgedragen. [3] In dat laatste geval wordt voor de waarde van de woning uitgegaan van de verkoopprijs van de woning. Indien de verkoopprijs niet kan worden vastgesteld aan de hand van de notariële akte, zal het Instituut (alsnog) uitgaan van de laatste WOZ-waarde voorafgaand aan de verkoop. Aan de hand van het voor de woning vastgestelde waardedalingspercentage wordt vervolgens berekend wat de waarde van de woning zou zijn geweest indien geen sprake was geweest van bevingsproblematiek.
Wat zijn de standpunten van partijen?
7. Eiseres stelt in een op 13 juli 2025 opgestelde e-mail dat het schadebedrag dat van de WOZ-waarde is afgetrokken veel lager is dan de daadwerkelijke schade aan de woning en dat ook de overlastvergoeding van de WOZ-waarde is afgetrokken. Volgens eiseres moet er bij de WOZ-waarde € 2.500 aan overlastvergoeding en een bedrag aan fysieke schade worden opgeteld. Dit laatste bedrag is door eiseres als volgt opgebouwd:
  • Herstelkostencalculatie Vergnes Expertise van 6 februari 2019 (€ 9.993,73);
  • Herstelkostencalculatie Vergnes Expertise van 1 april 2019 (€ 60.408,26);
  • Herstelkostencalculatie Vergnes Expertise van 11 oktober 2022 (€ 36.412,61).
8.
Het Instituut heeft de WOZ-taxatie van het jaar van overdracht (1 januari 2022) bij de gemeente opgevraagd. Hieruit blijkt dat er in dat jaar een bedrag van € 18.300,- aan fysieke mijnbouwschade is afgetrokken. Dat bedrag heeft het Instituut opgeteld bij de WOZ-waarde. Uit coulance is op basis van die waarde een nieuwe waardedaling berekend.
Ter zitting heeft het Instituut naar voren gebracht dat dit bedrag vrijwel overeenkomt met de bij het Instituut bekende, toegekende, schadevergoeding.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. De gemeente heeft de WOZ-waarde in lijn met het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 maart 2019 bepaald. In dit arrest is overwogen dat de heffingsambtenaar rekening moet houden met de waardevermindering ten gevolge van de aardbevingsschade en rompslompschade van € 2.500. [4] In onderhavige procedure heeft dit geleid tot een WOZ-waarde van € 360.000.
10. De rechtbank leidt uit de door het Instituut overgelegde taxatiekaart af dat de WOZ-waarde met € 18.300 is verlaagd in verband met mijnbouwschade. Nergens uit blijkt dat de WOZ-waarde door de gemeente met een hoger bedrag dan € 18.300 in verband met mijnbouwschade is verlaagd. Los daarvan ziet de rechtbank in de taxatie geen grondslag om met een hogere WOZ-waarde te rekenen dan in het herziene besluit is gebeurd (€ 378.300).
11. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om het onderzoek te heropenen en eiseres een termijn te gunnen om te onderbouwen dat meer schade dan € 18.300,- is toegekend of de door Vergnes Expertise aangeleverde herstelkostencalculaties de gemeente mogelijk hadden kunnen bewegen tot een wijziging van de taxatiekaart. Dit is ook gelegen in het feit dat fysieke schade aan de woning op grond van een andere regeling voor vergoeding in aanmerking komt. Dat de woning fysieke schade heeft opgelopen, is geen bijzondere omstandigheid die in dit geval tot afwijking van de regeling had moeten leiden. [5]

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep tegen het besluit van 22 april 2025 is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk en krijgt dan ook niet de extra vergoeding van circa € 1.000 die zij wenst.
13. Gelet op het gegeven dat het besluit van 22 april 2025 is gewijzigd door het nemen van het besluit van 5 juni 2025, ziet de rechtbank wel aanleiding te bepalen dat het Instituut het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden.
14. De gemachtigde van eiseres, tevens echtgenoot van eiseres, heeft ook gevraagd om een vergoeding van reiskosten van € 20,20 en verletkosten van € 500.
14.1.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen reiskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Nu eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door haar echtgenoot ziet de rechtbank aanleiding deze toe te wijzen. [6]
14.2.
Op grond van artikel 1, aanhef en onder e, kunnen verletkosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit tegen een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 9 en € 109 per uur bedraagt (artikel 2, aanhef en onder e, van het Bbp). Het gaat dan om “zichtbaar” door de procedure veroorzaakt tijdverzuim wegens bijvoorbeeld het
bijwonen van een zitting. [7] De echtgenoot van eiseres, die namens haar de zitting heeft bijgewoond, heeft hiertoe een factuur van 7 december 2021 overgelegd voor begeleiding van een project. Uit deze, 4,5 jaar oude, factuur, kan de rechtbank niet herleiden dat de echtgenoot van eiseres voor het bijwonen van de zitting van 5 juni 2026 inkomsten is misgelopen. [8] Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 22 april 2025 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juni 2025 ongegrond;
  • draagt het Instituut op om het door eiseres betaalde griffierecht van € 194 en de reiskosten van € 20,20 te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Artikel 3.2, eerste lid, van de procedure en werkwijze.
2.Artikel 3.4, tweede lid, van de procedure en werkwijze.
3.Artikel 3.4, vierde lid, van de procedure en werkwijze.
5.Vgl. ABRvS 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4257, r.o. 23.
6.Vgl. de uitspraak van deze rechtbank van 11 augustus 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:3344, r.o. 4.3.
7.Zie de nota van toelichting bij het Bpb, blz. 7; Stb. 1993, 763.
8.Zie de uitspraak van de ABRvS van 6 december 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3320).