ECLI:NL:RVS:2017:3320
Raad van State
- Hoger beroep
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- E. Steendijk
- E.J. Daalder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep inzake Wob-verzoek dossier minderjarige
Appellant verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) inzage in het dossier van zijn minderjarige zoon bij de Raad voor de Kinderbescherming. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde appellant beroep in bij de rechtbank en verzocht om een dwangsom. De Raad voor de Kinderbescherming besliste uiteindelijk op het Wob-verzoek.
De rechtbank verklaarde het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat de Raad inmiddels een besluit had genomen. Ook het beroep tegen dat besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, aangezien het besluit het verzoek volledig tegemoet kwam. Het verzoek tot dwangsom werd afgewezen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij een ingebrekestelling had verzonden, een vereiste volgens de Algemene wet bestuursrecht.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn brief van 7 mei 2016, die als ingebrekestelling diende, wel degelijk was verzonden en dat aangetekende verzending niet wettelijk vereist is. De Raad van State oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd van verzending en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd het verzoek tot vergoeding van verletkosten afgewezen wegens gebrek aan bewijs van inkomensverlies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.