ECLI:NL:RBNNE:2026:2944

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
LEE 26/1163
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:17 AwbArt. 6:19 AwbArt. 7a Wet BibobArt. 3 Wet Bibob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen buiten behandeling stellen exploitatievergunning horeca

Verzoekster, Lekker en Leuk Meppel BV, heeft een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning voor een horecabedrijf. De burgemeester stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat de gevraagde gegevens, met name over de financiering, onvoldoende waren aangeleverd. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, die door de voorzieningenrechter werd afgewezen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester terecht artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toepaste om de aanvraag buiten behandeling te stellen, omdat de aanvraag onvolledig was en de ontbrekende gegevens noodzakelijk zijn voor een goede beoordeling. Verzoekster kon niet aannemelijk maken dat zij redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken kon beschikken, waaronder een notariële verklaring van executele en aanvullende stukken over een lening van een stichting.

Verder werd geoordeeld dat er wel sprake was van spoedeisend belang, maar dat de belangenafweging en de discretionaire bevoegdheid van de burgemeester om een zorgvuldig Bibob-onderzoek te verrichten zwaarder wogen dan het belang van verzoekster. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en het betoog dat de burgemeester de doelpalen verzet, werden verworpen. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de burgemeester terecht de aanvraag buiten behandeling stelde wegens onvoldoende gegevens.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
Zittingsplaats Groningen
zaaknummer: LEE 26/1163
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juli 2026 in het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

Lekker en Leuk Meppel BV, uit Meppel , verzoekster

(gemachtigde: [naam 1] ),
en

de burgemeester van Meppel, de burgemeester

(gemachtigde: H.E. Benjamins ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de aanvraag van verzoekster om een exploitatievergunning voor haar horecabedrijf aan de [adres] te Meppel buiten behandeling te stellen. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af
.Hierna legt hij uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Op 27 oktober 2025 heeft verzoekster een aanvraag om een exploitatievergunning ingediend. Bij besluit van 12 januari 2026 heeft de burgemeester deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 4 februari 2026 (LEE 26/220) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
2.1.
Op 8 februari 2026 heeft verzoekster een nieuwe aanvraag om een exploitatievergunning ingediend. Op 16 februari 2026 heeft zij bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op die aanvraag. Op 17 februari 2026 heeft de burgemeester aan verzoekster meegedeeld dat de aanvraag niet volledig is en heeft hij haar in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen binnen een termijn van twee weken. Op 18 februari 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 27 februari 2026 (LEE 26/579) heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen.
2.2.
Bij besluit van 2 april 2026 heeft de burgemeester de aanvraag van verzoekster om een exploitatievergunning voor een horecabedrijf afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
Met het besluit van 20 april 2026 heeft de burgemeester zijn besluit van 2 april 2026 ingetrokken. Als reden hiervoor noemt hij dat de beslistermijn ten tijde van het besluit nog opgeschort was. De burgemeester heeft hierbij verder aangegeven dat de aanvraag van verzoekster nog steeds onvolledig is. Daarom heeft hij verzoekster verzocht om de gevraagde documenten binnen een termijn van veertien dagen alsnog over te leggen. Ook heeft de burgemeester met deze brief de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld, dan wel tot het moment waarop deze termijn ongebruikt is verstreken.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster. De burgemeester heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op de zitting geschorst.
2.6.
Op 22 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een verkort proces-verbaal aan partijen verzonden.
2.7.
Op 4 mei 2026 heeft verzoekster de voorzieningenrechter een afschrift toegezonden van een door haar aan de burgemeester verstuurde brief. Deze is gedateerd op 28 april 2026.
2.8.
Op 17 mei 2026 heeft verzoekster de burgemeester in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag voor een exploitatievergunning.
2.9.
Met het besluit van 28 mei 2026 heeft de burgemeester de aanvraag van verzoekster buiten behandeling gesteld, omdat verzoekster de gevraagde nadere gegevens niet heeft verstrekt.
2.10.
Op 1 juni 2026 heeft de burgemeester nadere stukken aan de voorzieningenrechter toegezonden.
2.11.
Bij brieven van 1 juni 2026, 3 juni 2026, 8 juni 2026 en 27 juni 2026 heeft verzoekster nadere stukken aan de voorzieningenrechter toegezonden.
2.12.
De voorzieningenrechter heeft de behandeling van het verzoek voortgezet op de zitting van 30 juni 2026. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de burgemeester. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is sprake van een besluit op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)?

3. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb heeft een bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Op 28 mei 2026 heeft de burgemeester de aanvraag van verzoekster van 8 februari 2026 buiten behandeling gesteld. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster van rechtswege ook betrekking heeft op het door de burgemeester genomen besluit van 28 mei 2026.
Is er onverwijlde spoed bij het treffen van een voorlopige voorziening?
4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening een belangrijke rol of er sprake is van onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. [1] Een spoedeisend belang wordt pas aangenomen wanneer een onomkeerbare situatie dreigt. In een financieel geschil zoals het onderhavige is dit het geval wanneer bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood dreigt.
4.1.
De burgemeester heeft aangegeven dat er geen sprake is van spoedeisend belang, nu de bedrijfsvoering per 13 maart 2026 is gestaakt en het pand leeg staat en ook sinds enige tijd weer te huur wordt aangeboden.
4.2.
De voorzieningenrechter neemt echter het bestaan van een spoedeisend belang aan. Hiertoe overweegt hij dat op de zitting voldoende is komen vast te staan dat als de exploitatievergunning alsnog zou worden verleend, verzoekster vrijwel direct kan beginnen met haar bedrijf. Hierbij is ook van belang dat niet is gebleken dat de huurovereenkomst is ontbonden dan wel dat de procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst inmiddels is gestart.
Formele gronden van verzoekster
5. Voordat de voorzieningenrechter tot een beoordeling van de inhoudelijke gronden van verzoekster overgaat zal hij eerst een aantal gronden bespreken die zien op formele aspecten.
5.1.
Verzoekster heeft allereerst aangegeven dat de burgemeester het instrument van artikel 4:5 van Pro de Awb ten onrechte heeft aangewend. Hiertoe heeft zij gesteld dat dit artikel is bedoeld voor onvolledige aanvragen, terwijl haar aanvraag overvolledig is. Als het bestuursorgaan de inhoud van de toegezonden stukken onvolledig acht, dan dient het de vergunning inhoudelijk te weigeren en niet de aanvraag buiten behandeling te stellen. Dit betoog van verzoekster kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet slagen. Hiertoe overweegt hij dat de burgemeester op de zitting nogmaals heeft toegelicht dat artikel 4:5 van Pro de Awb is toegepast omdat hij van oordeel is dat de aanvraag nog altijd niet volledig is en dat het ontbreken van de stukken maakt dat de aanvraag niet inhoudelijk kan worden beoordeeld. Hierbij heeft de burgemeester aangegeven dat er nog altijd onduidelijkheid is over de herkomst van de twee bedragen van € 8.000,-. De voorzieningenrechter stelt ten slotte vast dat artikel 4:5 van Pro de Awb juist is bedoeld voor de situatie dat een bestuursorgaan over onvoldoende gegevens beschikt voor de beoordeling van de aanvraag.
5.2.
Vervolgens heeft verzoekster betoogd dat de hersteltermijnen – gelet op het Mandaatregister van de gemeente Meppel – onbevoegd zijn gegeven. Ook dit betoog kan niet slagen, nu niet is gebleken dat sprake is van een mandaatgebrek. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat de stukken waarin de hersteltermijnen staan – anders dan verzoekster stelt – niet zijn ondertekend door [naam 2] , maar door de daartoe bevoegde teammanager Leefbaarheid en Wijkregie (brief 17 februari 2026) en door de burgemeester zelf (besluit 20 april 2026). Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat een eventueel bevoegdheidsgebrek kan worden hersteld met de beslissing op het bezwaar. Dit is geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
5.3.
Ten slotte heeft verzoekster als formele grond aangegeven dat de burgemeester de beslistermijn heeft overschreden, nu hij niet tijdig heeft besloten op haar aanvraag van 8 februari 2026. Daarom heeft verzoekster de burgemeester op 17 mei 2026 in gebreke gesteld en verzocht om toekenning van een dwangsom. Op grond van artikel 4:17, eerste en derde lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is vanaf de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de beslistermijn is verstreken en het bestuursorgaan een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Los van de vraag of de beslistermijn op de datum van indiening van de ingebrekestelling al was verstreken, overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester op 28 mei 2026 heeft beslist op de aanvraag van verzoekster. Gelet hierop heeft de burgemeester dus binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling beslist, zodat niet aan de voorwaarden van artikel 4:17 van Pro de Awb is voldaan. Ook deze grond van verzoekster kan derhalve niet slagen.
Toetsingskader
6. Op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Meppel (de APV) is het verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. [2] Onder een openbare inrichting worden verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. [3]
6.1.
Een bestuursorgaan – in dit geval de burgemeester – dient zelfstandig onderzoek te doen naar feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat een bedrijfsactiviteitenvergunning mede zal worden gebruikt om uit geplaagde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen. [4] De betrokkene – hier verzoekster – is dan verplicht gegevens te verstrekken om een dergelijk onderzoek mogelijk te maken. Onder deze gegevens vallen mede stukken die zien op de wijze van financiering. [5] In het geval dat de verstrekte gegevens voor de burgemeester niet voldoende zijn om de aanvraag te beoordelen of zijn besluit voor te bereiden kan hij besluiten de aanvraag niet te behandelen. [6]
6.2.
Een verplichte vergunning kan worden geweigerd als niet aan de eisen van de Wet Bibob is voldaan. [7] De Wet Bibob heeft tot doel te voorkomen dat door het verlenen van vergunningen criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Om te kunnen beoordelen of er gevaar bestaat dat een vergunning wordt gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of voor het plegen van strafbare feiten, dient de burgemeester voldoende inzicht te hebben in de financiering van de onderneming. [8]
6.3.
Uit artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb volgt dat de burgemeester kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Dit mag echter pas nadat de aanvrager de kans heeft gekregen om de ontbrekende gegevens of documenten binnen een door de burgemeester gestelde termijn alsnog aan te leveren. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of stukken worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In dit verband bepaalt artikel 7a, tweede lid en onder h, van de Wet Bibob dat de betrokkene bij de aanvraag gegevens en bescheiden dient te overleggen waaruit de wijze van financiering blijkt. Het is uiteindelijk aan de burgemeester om te bepalen of hij over voldoende informatie beschikt om de aanvraag van eiser te beoordelen. De omvang van het geding bij de rechter beperkt zich dan tot de rechtsvraag of het bestuursorgaan terecht heeft geconcludeerd dat de aanvraag onvolledig was en deze vervolgens om die reden buiten behandeling heeft mogen laten. [9]
Zijn de gevraagde gegevens noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag en kon verzoekster redelijkerwijs beschikken over de gevraagde gegevens?
7. Met het besluit van 28 mei 2026 heeft de burgemeester de aanvraag van verzoekster buiten behandeling gesteld. Dit heeft hij besloten omdat de door verzoekster verstrekte gegevens volgens hem onvoldoende zijn voor de beoordeling van haar aanvraag en de voorbereiding van een inhoudelijk besluit. Het is voor de burgemeester niet inzichtelijk wat de herkomst is van het geld waarmee de onderneming Lekker en Leuk gefinancierd is, waardoor hij de aanvraag niet kan beoordelen in het licht van de Wet Bibob.
De verklaring van executele
8. Met het besluit van 20 april 2026 heeft de burgemeester aan verzoekster onder andere gevraagd om een verklaring van executele inzake de nalatenschap van [naam 3] .
8.1.
Verzoekster betoogt dat de burgemeester over alle benodigde gegevens beschikt om haar aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Zij heeft de gevraagde verklaring van executele reeds aan de burgemeester verschaft. Hierbij merkt zij op dat het in dit geval gaat om een schenking bij leven, waardoor de stukken met betrekking tot de nalatenschap niet relevant zijn. Zij heeft die verklaring slechts uit coulance verstrekt, omdat op de zitting bij de voorzieningenrechter op 29 januari 2026 in de zaak LEE 26/220 is besproken dat dit voor haar de snelste route zou zijn naar verlening van de vergunning. [10] Daarnaast heeft verzoekster – onder verwijzing naar de brief van Dirkzwager N.V. van 5 februari 2026 – aangegeven dat zij niet méér stukken kan overleggen.
8.2.
De burgemeester heeft in het besluit van 28 mei 2026 aangegeven dat de notariële verklaring van executele waaruit de aanvaarding door de executeur ( [naam 4] , de moeder van de gemachtigde van verzoekster) van haar benoeming blijkt, nog altijd niet is overgelegd. Hierbij heeft hij gesteld dat in het dossier wel een verklaring van [naam 4] zit ter onderbouwing van de herkomst van het contante geld in een enveloppe en dat ook het testament van de overledene is ingebracht. Maar hiermee is de herkomst van het geld, aldus de burgemeester, niet te traceren. Zonder een objectief stuk, zoals de notariële verklaring van executele, waaruit de aanvaarding door [naam 4] van haar benoeming blijkt, kan aan haar verklaring niet de gewenste bewijskracht worden toegekend. Hierbij heeft de burgemeester erop gewezen dat uit de verklaring en het testament niet blijkt dat [naam 4] de taak als executeur ook heeft aanvaard en dat zij daarmee bevoegd was om de nalatenschap af te wikkelen en in dat kader iets kan zeggen over de enveloppe met contant geld.
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de stukken die in het dossier zijn opgenomen duidelijk blijkt wát de burgemeester van verzoekster vraagt en waaróm hij om dit stuk vraagt. Dit is ook tijdens de zitting van de eerdere voorlopige voorziening aan bod gekomen en – voor zover hier onduidelijkheid over bestond – in het aanvullend verweerschrift van 25 juni 2026 verduidelijkt. [11] De burgemeester verzoekt om een verklaring van executele waaruit blijkt dat [naam 4] haar taak als executeur van de nalatenschap van [naam 3] heeft aanvaard. Hij heeft op de zitting hieraan toegevoegd dat de notariële verklaring van executele de eerder ingebrachte schriftelijke verklaring van 14 november 2025 van [naam 4] meer bewijskracht geeft.
9.1.
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat, gelet op de gehele context, het niet onredelijk is dat de burgemeester meer wil weten over de herkomst van het contante geld in de enveloppe. Verzoekster heeft namelijk bij de aanvraag om een exploitatievergunning aangegeven dat zij € 8.000,- heeft ontvangen uit een schenking. Later heeft verzoekster hierover verklaard dat zij op 8 april 2020 een enveloppe heeft ontvangen van [naam 3] . Deze is op 7 oktober 2020 overleden. In overeenstemming met de wens van de overledene heeft verzoekster de enveloppe geopend in juni 2025. Daarin zat een bedrag van € 8.000,-. [naam 4] is executeur van de nalatenschap van [naam 3] . In dat kader heeft zij op 14 november 2025 haar verklaring opgesteld. Hierin staat dat [naam 4] de belangen van [naam 3] als executeur behartigt en dat [naam 3] in de periode van haar ziekbed in 2019 een tweetal donaties heeft gedaan, waaronder één aan de gemachtigde van verzoekster. Gelet op deze gang van zaken en nu er geruime tijd is verstreken tussen de schenking op 8 april 2020 en het openen van de enveloppe in juni 2025 oordeelt de voorzieningenrechter dat het niet onredelijk is dat de burgemeester meer wil weten over de herkomst van het contante geld in de enveloppe. Te meer nu in de verklaring van [naam 4] geen bedrag van de schenking is genoemd.
9.2.
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat het aan verzoekster, als aanvraagster van de vergunning, is om aannemelijk te maken dat zij redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken kan beschikken. Van haar mag worden verwacht dat zij haar inspanningen om de stukken te verkrijgen concreet aantoont. Verzoekster heeft gesteld dat zij de verklaring van executele niet kan overleggen. Ter onderbouwing hiervan heeft verzoekster gewezen op de brief van 5 februari 2026 van Dirkzwager N.V.. Aan deze brief kan de voorzieningenrechter niet de waarde toekennen die verzoekster hieraan graag toegekend wil zien. Onduidelijk is namelijk wat verzoekster precies heeft gevraagd aan de notaris. Ook blijkt uit die brief niet dat het niet mogelijk is om een verklaring van executele waaruit de aanvaarding van de taak als executeur van de nalatenschap blijkt, over te leggen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken kon beschikken.
9.3.
Gelet op het bovenstaande kunnen de gronden die verzoekster heeft aangevoerd met betrekking tot de verklaring van executele niet slagen.
De geldlening van de Stichting Vrienden van het Vegetarisch Centrum en van het Vegetarisch Verzorgingstehuis Felixsoord ( de Stichting )
10. In verband met de gestelde lening van 15 juli 2025, afkomstig van de Stichting , heeft de burgemeester aanvullende stukken gevraagd om de geldstroom inzichtelijk te krijgen. In het besluit van 20 april 2026 heeft hij aan verzoekster onder andere gevraagd om de jaarrekeningen over 2022, 2023 en 2024 van de Stichting , de bankafschriften van de afgelopen drie jaar van de Stichting en het reglement van de Stichting .
10.1.
Verzoekster betoogt dat de burgemeester al heeft vastgesteld dat de lening bevoegd is verstrekt, omdat uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat de gemachtigde van verzoekster en haar moeder de enige bestuursleden zijn. Daarnaast is deze geldstroom reeds getoetst en rechtmatig bevonden door de rechtbank Amsterdam. Hiertoe heeft verzoekster het bevelschrift van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2023 overgelegd. Volgens haar is de burgemeester niet bevoegd om dit oordeel terzijde te schuiven door aanvullende eisen te stellen door nadere stukken te vragen om de rechtmatigheid van (de herkomst van) dit kapitaal te beoordelen.
10.2.
De burgemeester heeft in het besluit van 28 mei 2026 gesteld dat uit het bevelschrift niet blijkt dat het daarin genoemde bedrag ook daadwerkelijk is gestort op de rekening van de Stichting en dat de Stichting bij het aangaan van de lening, op 15 juli 2025, nog steeds de beschikking had over dat geld. Ook blijkt uit de nu overgelegde stukken niet dat het bestuur bevoegd heeft besloten tot het verstrekken van de lening. Gelet hierop heeft de burgemeester stukken opgevraagd over de financiële positie en interne besluitvorming van de Stichting , omdat informatie over de geldstroom ontbreekt.
11. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de aanvullende stukken die betrekking hebben op de Stichting in redelijkheid van verzoekster kunnen vragen, nu deze stukken noodzakelijk zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. Doel van de Wet Bibob is het voorkomen dat door het verlenen van vergunningen criminele activiteiten worden gefaciliteerd. Daarom acht de voorzieningenrechter het niet onredelijk dat de burgemeester relevante geldstromen, zoals de geldlening van de Stichting aan verzoekster, controleert. Vervolgens stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekster verklaart dat de geldstroom duidelijk is, nu de Stichting in 2023 – gelet op het bevelschrift van de rechtbank Amsterdam – geld heeft ontvangen en dat de geldlening hiermee is gefinancierd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich echter op het standpunt kunnen stellen dat met de overgelegde stukken nog niet is aangetoond dat de Stichting daadwerkelijk de beschikking heeft gekregen over het bedrag zoals dat is genoemd in het bevelschrift. Gelet hierop en nu er ook geruime tijd zit tussen het bevelschrift en de verstrekte geldlening, waardoor het onduidelijk is of de Stichting ten tijde van het verstrekken van de geldlening nog over het geld beschikte, heeft de burgemeester de gevraagde stukken in redelijkheid opgevraagd.
11.1.
Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat het aan verzoekster is om aannemelijk te maken dat zij redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken kan beschikken. Van haar mag – alweer: als aanvraagster van de vergunning - worden verwacht dat zij haar inspanningen om de stukken te verkrijgen concreet aantoont. Verzoekster heeft gesteld dat zij met het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2023 de herkomst van het geld voldoende zichtbaar heeft gemaakt. Op de zitting van 30 juni 2026 heeft de gemachtigde van verzoekster hieraan toegevoegd dat haar moeder de stukken die betrekking hebben op de Stichting niet wil aanleveren en dat dit voor haar inmiddels een principiële zaak is geworden. Alle gevraagde stukken zijn aangeleverd, dus waarom moeten er nog meer stukken komen? Hierbij heeft verzoekster aangegeven dat de burgemeester de doelpalen steeds verzet en dat hij – in strijd met hetgeen is afgesproken op de zitting van 29 januari 2026 – ten onrechte steeds meer stukken opvraagt. Zoals hierboven overwogen heeft de burgemeester echter in redelijkheid de gevraagde stukken over de Stichting kunnen opvragen, nu deze noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De voorzieningenrechter volgt verzoekster daarom niet in haar standpunt dat de burgemeester niet om aanvullende stukken kan vragen en dat de burgemeester dus steeds de doelpalen verzet. Het bevelschrift van de rechtbank Amsterdam heeft voor de burgemeester begrijpelijkerwijs onvoldoende duidelijkheid gebracht in de geldstroom. In zo’n geval kan hij nadere stukken opvragen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken kon beschikken. Het enkele feit dat de moeder van verzoekster de stukken om principiële redenen niet wil overleggen, is in dat licht volstrekt onvoldoende.
11.2.
Gelet op al het bovenstaande kunnen ook de gronden die verzoekster heeft aangevoerd met betrekking tot de geldlening van de Stichting niet slagen.
Is sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel?
12. Verzoekster stelt dat sprake is van een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Zij voert aan dat zij aan de toerekenbare en onvoorwaardelijke toezeggingen van de medewerker van de gemeente [naam 5] tijdens het gesprek van 23 december 2025 de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat de exploitatievergunning zou worden verleend.
12.1.
Dit beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat het vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) is dat een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen kan slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. [12] Uit de door verzoekster overgelegde transcriptie van het gesprek van 23 december 2025 blijkt niet dat [naam 5] een concrete toezegging heeft gedaan dat de exploitatievergunning door de burgemeester zal worden verleend. Uit de transcriptie blijkt dat [naam 5] het gesprek heeft geïnitieerd om onrust weg te nemen en dat zij niet gelijk met een oplossing zou komen. Hierbij heeft [naam 5] weliswaar aangegeven dat zij niet zoveel beren op de weg ziet, maar dat zij dit wel dient af te stemmen met – onder andere – de casusbehandelaar en dat gekeken moet worden waar men staat met betrekking tot de aanvraag. Na dit overleg zou men weer bij verzoekster op de lijn komen.
Is het besluit om de aanvraag buiten behandeling te stellen onevenredig?
13. Het betoog van verzoekster dat de gevolgen van het buiten behandeling stellen van de aanvraag voor haar onevenredig zijn ten opzichte van het belang dat de burgemeester tracht te beschermen slaagt niet. De burgemeester heeft een discretionaire bevoegdheid, waarbij hij de betrokken belangen tegen elkaar dient af te wegen. De voorzieningenrechter zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend moeten opstellen en dienen te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat de burgemeester niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester het belang van een zorgvuldig en volledig Bibob-onderzoek zwaarder mogen laten wegen dan het individuele belang van verzoekster bij het verkrijgen van een inhoudelijke besluit op haar aanvraag. Hij heeft ook goed uitgelegd waarom hij dat heeft gedaan. Het algemeen belang is namelijk gediend met het voorkomen dat gebruik wordt gemaakt van uit criminele activiteiten verkregen middelen.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, omdat de burgemeester gelet op het hiervoor overwogene heeft kunnen concluderen dat verzoekster vooralsnog onvoldoende gegevens heeft overgelegd om de wijze van haar financiering te kunnen beoordelen. Terecht heeft hij dus de aanvraag van verzoekster buiten behandeling gelaten. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het toewijzen van het verzoek om voorlopige voorziening. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regelgeving

Artikel 3 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur:
1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of
strafbare feiten te plegen.
2. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
de aard van de relatie en
e grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:
feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,
ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
de aard van de relatie en
het aantal van de gepleegde strafbare feiten.
4. De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:
hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,
hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van Pro het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of
een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan.
5. De weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats indien deze evenredig is met:
de mate van het gevaar en
voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
6. Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.
7. Voorzover blijkt dat geen sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, kan het bestuursorgaan bij mindere mate van gevaar aan de beschikking voorschriften verbinden. Deze voorschriften zijn gericht op het wegnemen of beperken van dergelijk gevaar. Het bestuursorgaan heeft eenzelfde bevoegdheid indien sprake is van een ernstig gevaar waarbij de ernst van de strafbare feiten weigering of intrekking van de beschikking niet rechtvaardigt. Het bestuursorgaan kan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift wijzigen. Indien niet wordt voldaan aan een op grond van deze bepaling gegeven voorschrift, kan het bestuursorgaan de beschikking intrekken.
Artikel 7a van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur:
Indien een bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak bevoegd is om advies te vragen aan het Bureau, kan dat orgaan of die rechtspersoon tevens zelf onderzoek verrichten naar feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede tot en met zesde lid, en artikel 9, tweede en derde lid.
De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak de gegevens en bescheiden om deze in staat te stellen tot het eigen onderzoek. Deze gegevens en bescheiden omvatten in ieder geval:
de naam, het adres en de woonplaats of plaats van vestiging van de betrokkene;
de naam, het adres en de woonplaats van de persoon door wie de betrokkene zich laat vertegenwoordigen;
het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, van de persoon, bedoeld in de onderdelen a en b;
het nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel;
de rechtsvorm van de betrokkene;
de handelsnaam of handelsnamen waarvan de betrokkene gebruikmaakt of heeft gemaakt;
de naam, het adres en de woonplaats van, voor zover van toepassing:
1° de leidinggevende van betrokkene;
2° de zeggenschaphebbende over betrokkene;
3° de vermogensverschaffer van betrokkene;
4° de onderaannemer van betrokkene;
de wijze van financiering.
3. De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak tevens de gegevens en bescheiden, indien onderzoek wordt gedaan met het oog op een beslissing ter zake van de intrekking van een beschikking, onderscheidenlijk de ontbinding van een overeenkomst inzake een overheidsopdracht dan wel de opschorting of ontbinding van een overeenkomst of de beëindiging van een rechtshandeling inzake een vastgoedtransactie.
4. Teneinde het Bureau in staat te stellen onderzoek te verrichten als bedoeld in deze wet, zendt het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die het Bureau om advies verzoekt, de door de betrokkene verstrekte gegevens en bescheiden, tezamen met de bevindingen van het eigen onderzoek, toe aan het Bureau.
5. Bij ministeriële regeling worden een of meer formulieren vastgesteld voor het verstrekken van de in het tweede en derde lid bedoelde gegevens en bescheiden alsmede voor de bevindingen van het eigen onderzoek.
6. Artikel 28, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de door het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak van de betrokkene op grond van het tweede of derde lid verkregen gegevens alsmede op de bevindingen van het eigen onderzoek.
7. Indien het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak na het eigen onderzoek zonder advies van het Bureau concludeert tot een ernstig gevaar of mindere mate van gevaar, meldt hij dit onder vermelding van de gegevens, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, onverwijld aan het Bureau. Dat bestuursorgaan of die rechtspersoon is en blijft verantwoordelijk voor de juistheid van deze gegevens en meldt onverwijld eventuele correcties, in het bijzonder indien de conclusie van een ernstig gevaar of mindere mate van gevaar is vervallen in een bezwaarprocedure of gerechtelijke procedure.
8. Het bestuursorgaan dat of de rechtspersoon met een overheidstaak die redelijkerwijs vermoedt dat een betrokkene zich vanwege het toepassen van deze wet terugtrekt uit de procedure nadat een eigen onderzoek is gestart of nadat advies is gevraagd aan het Bureau, meldt dit onverwijld aan het Bureau.
Artikel 7, eerste en tweede lid van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur:
Indien een bestuursorgaan of rechtspersoon met een overheidstaak bevoegd is om advies te vragen aan het Bureau, kan dat orgaan of die rechtspersoon tevens zelf onderzoek verrichten naar feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3, tweede tot en met zesde lid, en artikel 9, tweede en derde lid.
De betrokkene verschaft het bestuursorgaan of de rechtspersoon met een overheidstaak de gegevens en bescheiden om deze in staat te stellen tot het eigen onderzoek. Deze gegevens en bescheiden omvatten in ieder geval:
a. de naam, het adres en de woonplaats of plaats van vestiging van de betrokkene;
b. de naam, het adres en de woonplaats van de persoon door wie de betrokkene zich laat vertegenwoordigen;
c. het burgerservicenummer, bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, van de persoon, bedoeld in de onderdelen a en b;
d. het nummer van inschrijving bij de Kamer van Koophandel;
e. de rechtsvorm van de betrokkene;
f. de handelsnaam of handelsnamen waarvan de betrokkene gebruikmaakt of heeft gemaakt;
g. de naam, het adres en de woonplaats van, voor zover van toepassing:
1°.de leidinggevende van betrokkene;
2°.de zeggenschaphebbende over betrokkene;
3°.de vermogensverschaffer van betrokkene;
4°.de onderaannemer van betrokkene;
h. de wijze van financiering.
Artikel 4:5, eerste lid van de Awb:
1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:
de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of
de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of
de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,
mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Voetnoten

1.Dit is vastgelegd in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb).
2.Artikel 2.28, eerste lid, van de APV.
3.Artikel 2.27, eerste lid, van de APV.
4.Dit volgt uit artikel 7a, in samenhang met artikel 3, van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).
5.Artikel 7a, tweede lid, onder h van de Wet Bibob.
6.Dit volgt uit artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c van de Awb.
7.Zie artikel 7, eerste lid van de Wet Bibob en artikel 3 van Pro de Wet Bibob.
8.Kamerstukken II 1999/2000, 26 883, nr. 3 en artikel 3 van Pro de Wet Bibob.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2060.
10.Zie de uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:661.
11.Zie de uitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:661.
12.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1576.