Verzoekster, een zorggroep die begeleiding en verblijf biedt op basis van de Jeugdwet, verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening tegen de openbaarmaking van een inspectierapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Het rapport, opgesteld na een onaangekondigd toezichtbezoek in oktober 2025, concludeerde dat de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp niet of grotendeels niet voldeed aan de getoetste normen.
Verzoekster stelde dat het rapport 16 feitelijke onjuistheden bevatte, waaronder onjuiste weergave van verklaringen van medewerkers, bevindingen gebaseerd op enkele bronnen en tekstuele onvolkomenheden die een negatieve lading geven. Zij vreesde reputatieschade en inkomstenverlies door publicatie. De voorzieningenrechter oordeelde dat de toetsing beperkt is tot de vraag of feitelijke onjuistheden aanwezig zijn en dat de waardering van feiten en conclusies niet aan de rechter is.
De IGJ had het rapport zorgvuldig opgesteld met gebruik van triangulatie en gaf verzoekster de mogelijkheid tot feitelijke correctie. De enkele stelling dat verklaringen onjuist zijn weergegeven was onvoldoende. De voorzieningenrechter vond dat het rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de belangenafweging omtrent reputatieschade buiten het toetsingskader valt. De wetgever heeft bewust gekozen voor openbaarmaking in het belang van transparantie en bescherming van het publiek.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en verwacht dat het bezwaar tegen het openbaarmakingsbesluit geen succes zal hebben. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.