ECLI:NL:RBNNE:2026:296

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
25/5176
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.7 JeugdwetArt. 9.8 JeugdwetBesluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen openbaarmaking inspectierapport Jeugdwet-zorggroep

Verzoekster, een zorggroep die begeleiding en verblijf biedt op basis van de Jeugdwet, verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening tegen de openbaarmaking van een inspectierapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Het rapport, opgesteld na een onaangekondigd toezichtbezoek in oktober 2025, concludeerde dat de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp niet of grotendeels niet voldeed aan de getoetste normen.

Verzoekster stelde dat het rapport 16 feitelijke onjuistheden bevatte, waaronder onjuiste weergave van verklaringen van medewerkers, bevindingen gebaseerd op enkele bronnen en tekstuele onvolkomenheden die een negatieve lading geven. Zij vreesde reputatieschade en inkomstenverlies door publicatie. De voorzieningenrechter oordeelde dat de toetsing beperkt is tot de vraag of feitelijke onjuistheden aanwezig zijn en dat de waardering van feiten en conclusies niet aan de rechter is.

De IGJ had het rapport zorgvuldig opgesteld met gebruik van triangulatie en gaf verzoekster de mogelijkheid tot feitelijke correctie. De enkele stelling dat verklaringen onjuist zijn weergegeven was onvoldoende. De voorzieningenrechter vond dat het rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de belangenafweging omtrent reputatieschade buiten het toetsingskader valt. De wetgever heeft bewust gekozen voor openbaarmaking in het belang van transparantie en bescherming van het publiek.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en verwacht dat het bezwaar tegen het openbaarmakingsbesluit geen succes zal hebben. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen openbaarmaking van het inspectierapport wordt afgewezen wegens ontbreken van feitelijke onjuistheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5176

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. T.R. Sturrus),
en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder

(gemachtigden: mr. A.J. Oosterink en mr. S.C.M. de Veer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de vraag of verweerder mag overgaan tot openbaarmaking van het rapport van 9 december 2025 dat is opgemaakt door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) naar aanleiding van het inspectiebezoek bij verzoekster. Verzoekster vindt dat verweerder dat inspectierapport niet openbaar mag maken omdat het feitelijke onjuistheden bevat. Daarom verzoekt zij om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Feiten en procesverloop

2. Verzoekster is een zorggroep die begeleiding en verblijf biedt op basis van de Jeugdwet.
2.1.
Op 2 oktober 2025 heeft de IGJ naar aanleiding van signalen van derden een onaangekondigd toezichtbezoek gedaan in het kader van Toezicht Jeugdigen in Jeugdhulp (JIJ) bij [verzoekster] . Hierbij zijn negen normen uit het JIJ-kader getoetst. Op 13 oktober 2025 zijn er aanvullende toezichtactiviteiten uitgevoerd, te weten gesprekken met een drietal jongeren. De IGJ heeft aan de hand hiervan geconstateerd dat de kwaliteit en veiligheid van de jeugdhulp niet of grotendeels niet voldoet aan de negen getoetste normen.
2.2.
De IGJ heeft haar bevindingen in twee conceptrapporten opgenomen en die beide voor een controle op feitelijke onjuistheden aan verzoekster toegezonden. De IGJ heeft vervolgens de 54 punten van verzoekster gedeeltelijk verwerkt en het definitieve rapport opgesteld.
2.3.
Met het besluit van 3 december 2025 heeft verweerder in verband met het instellen van verscherpt toezicht bij verzoekster besloten tot openbaarmaking van het onderliggend inspectierapport en van een bijbehorend persbericht
.Verzoekster heeft op dit besluit op 5 december 2025 een reactie gegeven, waarin zij verzoekt om de resterende feitelijke onjuistheden in het rapport te corrigeren. Naar aanleiding hiervan is een vervangend openbaarmakingsbesluit genomen op 9 december 2025.
2.4.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de werking van het bestreden besluit wordt geschorst tot vier weken nadat op het bezwaar tegen dat besluit is beslist.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, de gemachtigden van verweerder en een inspecteur van de IGJ.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is het toetsingskader?
3. Verweerder baseert de openbaarmaking op artikel 9.7 van de Jeugdwet en artikel 3.1 van onderdeel III van de bijlage bij het Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet (Besluit). Op grond hiervan wordt binnen het kader van het toezicht op de Gezondheidswet informatie openbaar gemaakt over schriftelijk vastgestelde documenten van met toezicht belaste ambtenaren van de IGJ. Het gaat hierbij over de uitkomsten van controles en onderzoeken die zij in de uitoefening van hun taak hebben verkregen.
3.1.
Het is de bedoeling van de wetgever dat inspectierapporten openbaar worden gemaakt. Openbaarmaking blijft alleen achterwege als dat in strijd is of zou kunnen komen met het doel van de wet in het kader waarvan de openbaarmaking plaatsvindt. [1] Die doelen zijn: het bevorderen van naleving van de regelgeving, het inzicht geven aan het publiek in de wijze waarop dat toezicht en die uitvoering worden verricht en het inzicht geven in wat de resultaten van die verrichting zijn. [2]
3.2.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraken van 2 september 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2089) en van 30 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1970) overwogen dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de toetsing van een openbaarmakingsbesluit door de bestuursrechter beperkt blijft tot de vraag of voor de vaststellingen van feitelijke aard in het rapport een voldoende feitelijke basis aanwezig is. De waardering van feiten en oordelen daarover toetst de bestuursrechter niet, evenmin als conclusies die op die waarderingen en oordelen zijn gebaseerd. Een belangenafweging is niet aan de orde, behalve als het gaat om persoonsgegevens die in het openbaarmakingsbesluit zijn vermeld.
3.3.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6384) de toetsing door de bestuursrechter genuanceerd. De bestuursrechter kan ook kijken naar conclusies en oordelen die duidelijk niet kloppen met de feiten. Dat geldt bijvoorbeeld als een conclusie niet is gebaseerd op feiten die in het rapport staan, of als de conclusie, gezien de feiten, te ver gaat. Dit sluit aan bij de verwachting van de wetgever dat discussies over openbaarmaking vooral moeten gaan over de vraag of de informatie juist is en of openbaarmaking daarom plaats mag vinden. [3]
Wat is volgens verzoekster feitelijk onjuist?
4. Verzoekster kan zich niet vinden in het inspectierapport. Zij stelt dat er 16 feitelijke onjuistheden in het rapport staan. Een publicatie van het rapport met feitelijke onjuistheden zal tot reputatieschade en inkomstenvermindering leiden. Het publiceren van een foutief rapport kan niet meer worden teruggedraaid en is voor iedereen te lezen. Verzoekster onderschrijft het belang van openbaarmaking van inspectierapporten, maar deze moeten wel feitelijk juist zijn.
4.1.
Het gaat ten eerste om bevindingen op basis van verklaringen van medewerkers, die volgens verzoekster niet zijn gedaan of verkeerd zijn geïnterpreteerd. Verzoekster verwijst naar bevindingen in het rapport op pagina 9, 10, 11, 14, 17, 26, 27 en 31. Ter onderbouwing van haar stelling heeft verweerster een drietal verklaringen overgelegd van begeleiders van [verzoekster] waarin de begeleiders aangeven zich niet te herkennen in hetgeen op basis van hun verklaringen in het rapport is opgenomen. Zij zijn allen geïnterviewd door de IGJ. Een andere medewerker die geïnterviewd is, heeft geen verklaring afgelegd omdat die medewerker niet meer in dienst is bij verzoekster.
4.2.
Ten tweede staan er volgens verzoekster bevindingen in het rapport die gebaseerd zijn op een enkele bron (p. 17 en de bijlage ‘Verantwoording van het toezicht’) en zijn bronnen veranderd na het eerste conceptrapport (p. 26). Omdat de verslagen van de personen met wie de IGJ heeft gesproken ontbreken, is het niet te controleren of de feiten in het rapport juist zijn vastgesteld.
4.3.
Ten derde wijst verzoekster op tekstuele onvolkomenheden of onvolledigheden, waardoor de tekst in het rapport een onnodig negatieve lading krijgt (p. 6, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 18, 19 en 20. Er wordt bijvoorbeeld op pagina 10 beschreven dat een fixatie (vastpakken en vasthouden) kan variëren van een halve minuut tot tien minuten of langer, maar een begeleider heeft verklaard dat is gezegd dat de duur van de fixatie per situatie kan verschillen. De getallen een halve minuut en tien minuten zijn wel genoemd maar dan in een andere zinsopbouw. Een ander voorbeeld is een zin, waarin staat dat twee persoonlijk begeleiders verantwoordelijk zijn voor de begeleiding van de jongeren. Hier moet volgens verzoekster
de persoonlijke begeleidingvan jongeren staan.
4.4.
Verzoekster merkt ten slotte op dat enkele opmerkingen naar aanleiding van de conceptrapporten niet zijn overgenomen, terwijl in de terugkoppeling staat vermeld dat de opmerking tot aanpassing van het rapport zou leiden. Verwezen wordt naar p. 9, 11 en 12 van het definitieve rapport.
Tekstuele wijzigingen
5. De voorzieningenrechter merkt op dat de vraag of de toon van de tekst vanwege tekstuele onvolkomenheden of onvolledigheden mogelijk zorgt voor een negatieve lading van het rapport buiten de toetsing van de bestuursrechter blijft. Over de terugkoppeling dat een opmerking van verzoekster zou leiden tot aanpassing van het rapport, maar dit niet is gebeurd, verklaart verweerder ter zitting dat niet alle opmerkingen letterlijk worden overgenomen. De voorzieningenrechter onderschrijft het betoog van verweerder dat het in deze gevallen niet gaat over feitelijke onjuistheden die de inhoud anders maken. Zoals onder 3 uiteen is gezet, blijft de toetsing van de bestuursrechter beperkt tot de vraag of de informatie juist is. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van verzoekster dat de tekst onnodig negatieve lading heeft vanwege de gebruikte tekst of volgorde in het rapport.
Bevindingen op basis van verklaringen
6. De IGJ heeft gebruik gemaakt van de methode van triangulatie: informatie komt steeds uit minimaal drie bronnen om tot een bevinding te komen. Waar er een bevinding wordt beschreven die gebaseerd is op een enkele informatiebron, weegt die bevinding niet mee in het eindoordeel. De IGJ heeft gesprekken gevoerd met vier jongeren, één ouder, vijf begeleiders waarvan twee tijdens de rondleiding, twee gedragswetenschappers, drie verwijzers of netwerkpartners. Daarnaast heeft de inspectie personeelsdossiers, cliëntendossiers en verschillende documenten geraadpleegd.
6.1.
De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat het voor verzoekster moeilijk te controleren is of de gesprekken met medewerkers op juiste wijze zijn weergegeven in het rapport. In beginsel mag echter worden uitgegaan van hetgeen de inspecteur heeft opgenomen in het rapport van de gesprekken; de enkele stelling dat dit niet zo gezegd of bedoeld is, is onvoldoende om te veronderstellen dat sprake is van een onjuiste weergave. Gelet op de wijze van onderzoek door de IGJ en de verzoekster geboden mogelijkheid tot feitelijke correctie is de voorzieningenrechter van oordeel dat het rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
Reputatieschade en inkomstenverlies
7. Of de openbaarmaking van het rapport, de daarop gebaseerde kennisgeving van het instellen van verscherpt toezicht en het bijbehorende persbericht nadelige gevolgen heeft voor verzoekster, valt buiten het toetsingskader dat de Afdeling uiteen heeft gezet (zie onder 3). Een belangenafweging door de bestuursrechter blijft achterwege.
7.1.
Daarnaast is van belang dat de wetgever welbewust een gemotiveerde keuze heeft gemaakt dat er in de situatie als deze openbaarmaking moet volgen. Daarbij zijn verschillende aspecten afgewogen, waaronder de reputatieschade, het informeren en beschermen van anderen en transparantie. Voor wat betreft de beslissing tot openbaarmaking die in deze procedure voorligt, heeft verweerder een gebonden bevoegdheid op basis van een wet in formele zin. De mogelijke reputatieschade van verzoekster weegt daarbij minder zwaar dan het informeren van het publiek. [4]

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit in bezwaar in stand zal blijven. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 9.8, negende lid, van de Jeugdwet.
2.Zie artikel 9.7, eerste lid, van de Jeugdwet.