ECLI:NL:RBNNE:2026:2960

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
18.344599.25
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77gg Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor straatroof en openlijke geweldpleging in Sneek

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 25 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte die op 16 december 2025 in Sneek een straatroof pleegde waarbij hij samen met een medeverdachte sigaretten van het slachtoffer afnam onder geweld. Tevens werd hij veroordeeld voor openlijke geweldpleging op 17 juni 2025 tegen een ander slachtoffer waarbij ook diens bril werd beschadigd.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van het slachtoffer, getuigen en de verdachte zelf, die een bekennende verklaring aflegde. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte bewust samenwerkten bij het plegen van de straatroof en het geweldsincident. De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastelegging van het wegnemen van een telefoon wegens onvoldoende bewijs.

De strafmaat werd bepaald op 101 dagen onvoorwaardelijke jeugddetentie, gelijk aan de duur van het voorarrest. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op van €1.165,55 aan het tweede slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade. De vordering van het eerste slachtoffer werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank gelastte tevens de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie wegens het niet naleven van voorwaarden.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 101 dagen jeugddetentie en hoofdelijk schadevergoeding van €1.165,55 aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18.344599.25
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18.072394.26
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18.254449.24.
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. de Vroome.
Tenlastelegging
Aan verdachte is in de zaak met parketnummer 18-344599-25 ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Sneek, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een pakje sigaretten en/of een telefoon, in elk geval enige goed(eren), toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan door en/of vergezeld van en/of gevolgd door geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit dat hij verdachte en/of zijn mededader(s)
  • [slachtoffer 1] heeft/hebben tegengehouden door voor de fiets van [slachtoffer 1] te gaan staan, waardoor [slachtoffer 1] zijn weg niet kon vervolgen; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren (met de vuist) te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd, althans het lichaam; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren naar de grond heeft/hebben geprobeerd te brengen door [slachtoffer 1] te tackelen; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren tegen het lichaam te duwen waardoor hij ten val is gekomen; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren te slaan en/of te stompen (met gebalde vuist) tegen het (achter) hoofd en/of rechterslaap en/of oor, althans het bovenlichaam, toen [slachtoffer 1] op de grond lag;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Sneek, althans in Nederland, openlijk, te weten op “het fietspad voor de brug op de Akkerwinde te Sneek “, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door:
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren (met de vuist) te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd, althans het lichaam; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren tegen het lichaam te duwen waardoor hij ten val is gekomen; en/of
  • [slachtoffer 1] één of meerdere keren te slaan en/of te stompen (met gebalde vuist) tegen het (achter) hoofd en/of rechterslaap en/of oor, althans het bovenlichaam, toen [slachtoffer 1] op de grond lag;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 december 2025 te Sneek, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] één of meerdere keren (met de vuist) te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 1] één of meerdere keren te slaan en/of te stompen (met gebalde vuist) tegen het (achter) hoofd en/of rechterslaap en/of oor, althans het bovenlichaam, toen die [slachtoffer 1] op de grond lag;
en in de zaak met parketnummer 18-072394-26 dat:
hij op of omstreeks 17 juni 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân op aan de Hemdijk aldaar, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
  • een persoon, te weten [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
  • het meermalen slaan / stompen in het gezicht, althans tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of
  • een goed, te weten de bril van die [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het van het hoofd slaan van de bril van de [slachtoffer 2]
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 juni 2025 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2] heeft mishandeld door [slachtoffer 2] meermalen, in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan / stompen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van parketnummer 18-344599-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit, met uitzondering van de bedreiging met geweld en het wegnemen van de telefoon. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de aangifte wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] , waaruit volgt dat zij twee jongens aangever ziet slaan, en de verklaring van de moeder van aangever, waaruit blijkt dat verdachte de sigaretten aan haar heeft teruggegeven. Verdachte en zijn medeverdachte hebben beiden een actieve bijdrage geleverd, zodat sprake is van medeplegen.
Ten aanzien van parketnummer 18-072394-26
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van parketnummer 18-344599-25
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat, hoewel uit de bewijsmiddelen volgt dat er geweld door verdachte is gepleegd, er onvoldoende duidelijkheid bestaat of danwel op welke wijze de sigaretten zijn weggenomen, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een straatroof.
Ten aanzien van parketnummer 18-072394-26
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 18-344599-25Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
De door verdachte op de terechtzitting van 11 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende: Ik vroeg [slachtoffer 1] om sigaretten. Ik heb [slachtoffer 1] een paar keer geslagen.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 december 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025339103 d.d. 27 december 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :
Op 16 december 2025 in Sneek zag ik [verdachte] (
de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]) en [medeverdachte] . Ik zag dat [verdachte] voor mijn fiets ging staan en mij tegenhield. Ik hoorde dat hij zei: “Heb je iets voor mij, peuken? Geld?”. Nadat ik had gezegd dat ik [verdachte] niks zou geven, zag ik dat hij een slaande beweging maakte met zijn linkerarm met een gebalde vuist. Vervolgens voelde ik een harde klap ter hoogte van mijn rechterslaap en -oor. Ik werd vastgepakt door [verdachte] bij mijn rechterarm. Ik voelde achter mijn rechterbeen dat [verdachte] mij probeerde te tackelen/onderuit te halen. Ik zag dat [medeverdachte] mij een duw gaf in de richting van [verdachte] . Hierna viel ik en kwam ik op de grond terecht. Vervolgens zag ik dat [medeverdachte] mij bij mijn rechterarm beetpakte en zag ik dat [verdachte] met zijn rechterarm met gebalde vuist op mijn hoofd begon te slaan ter hoogte van mijn achterhoofd, mijn rechterslaap en oor. Ik voelde dat ik meerdere keren werd geslagen, dit zal ongeveer zes tot acht keer zijn geweest. Ik zag dat [verdachte] en [medeverdachte] wegrenden. Ik voelde in mijn jas en miste mijn sigaretten uit mijn zakken. Ik ben samen met mijn moeder naar de jongens toe gefietst. Ik hoorde dat mijn moeder tegen hen zei: “Teruggeven die spullen”. Ik zag dat [verdachte] mijn pakje sigaretten uit zijn jaszak haalde en deze aan mijn moeder gaf.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 27 december 2025, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :
Mijn zakken zaten dicht. [verdachte] trok mijn zak open en pakte mijn sigaretten uit mijn jaszak.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 17 december 2025, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Ik zag dat de twee jongens [slachtoffer 1] , die op de grond lag, begonnen te slaan. Ik zag dat zij doelgericht met de vuisten op het gezicht van [slachtoffer 1] sloegen. Ik zag dat beide jongens sloegen.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 december 2025, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
Ik zei tegen de jongens dat ze de spullen van mijn zoon terug moesten
geven. Ik zei: "Wat zal jij nou, teruggeven die spullen nu!". Hierop zag ik dat de jongen welke tegenover mij stond een pakje sigaretten uit zijn jaszak pakte en deze aan mijn zoon [slachtoffer 1] teruggaf.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank stelt op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen het volgende vast. Op 16 december 2025 is aangever beroofd. Verdachte is voor de fiets van aangever gaan staan en heeft hem gesommeerd om zijn goederen af te staan. Nadat aangever weigerde zijn goederen af te staan, hebben verdachte en zijn medeverdachte geweld toegepast en heeft verdachte sigaretten uit de jaszak van aangever gepakt. De rechtbank leidt dit af uit de aangifte, maar ook uit de verklaring van de medeverdachte. Bovendien verklaart verdachte zelf dat hij om sigaretten heeft gevraagd. De rechtbank stelt dan ook vast dat het gepleegde geweld gericht was op het wegnemen van de sigaretten. Verdachte en zijn medeverdachte vertrekken vervolgens gezamenlijk met de buit.
Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte, door te handelen zoals hiervoor is vastgesteld, opzet heeft gehad op het wegnemen van de sigaretten. Daarmee acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het gestolen goed volgt de rechtbank de verklaring van aangever dat er geen wiet, maar sigaretten zijn weggenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangever en zijn moeder.
De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte in vereniging en met geweld een telefoon heeft weggenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Ten aanzien van parketnummer 18-072394-26
De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 juni 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 juni 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026016265 d.d. 24 februari 2026, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 februari 2026, opgenomen op pagina 43 van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] .
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 februari 2026, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam 3]

Bewezenverklaring

Ten aanzien van parketnummer 18-344599-25
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 16 december 2025 te Sneek tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een pakje sigaretten, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan door en vergezeld van en gevolgd door geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit dat hij en zijn mededader
  • [slachtoffer 1] heeft tegengehouden door voor de fiets van [slachtoffer 1] te gaan staan, waardoor [slachtoffer 1] zijn weg niet kon vervolgen en
  • [slachtoffer 1] meerdere keren met de vuist te slaan tegen het hoofd en
  • [slachtoffer 1] naar de grond heeft geprobeerd te brengen door [slachtoffer 1] te tackelen en
  • [slachtoffer 1] tegen het lichaam te duwen waardoor hij ten val is gekomen en
  • [slachtoffer 1] meerdere keren te slaan met gebalde vuist tegen het achterhoofd, de rechterslaap en het oor, toen [slachtoffer 1] op de grond lag.
Ten aanzien van parketnummer 18-072394-26
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 17 juni 2025 te Sneek aan de Hemdijk aldaar, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen
- een persoon, te weten [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meermalen slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer 2]
en
- een goed, te weten de bril van die [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het van het hoofd slaan van de bril van die [slachtoffer 2] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van parketnummer 18-344599-25
Het primair bewezen verklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het geslotene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Ten aanzien van parketnummer 18-072394-26
Het primair bewezen verklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-344599-25 en het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-072394-26 wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest passend is. Een jeugddetentie van langere duur is niet passend, nu uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat alle strafrechtelijke mogelijkheden zijn uitgeput.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 16 december 2025 schuldig gemaakt aan een straatroof. Verdachte en zijn medeverdachte kwamen het slachtoffer tegen op straat, waarna verdachte voor de fiets van het slachtoffer is gaan staan en het slachtoffer gesommeerd heeft zijn goederen af te staan. Toen het slachtoffer weigerde zijn goederen af te geven, hebben verdachte en zijn medeverdachte met geweld de sigaretten van het slachtoffer weggenomen door hem te slaan en naar de grond te werken. Het onderhavige feit betreft een zeer ernstig feit, dat voor het slachtoffer ontzettend beangstigend moet zijn geweest. Met zijn handelen heeft verdachte dan ook een grove inbreuk op het veiligheidsgevoel en het eigendomsrecht van
het slachtoffer gemaakt. De rechtbank neemt daarbij voorts in aanmerking dat de straatroof werd gepleegd op klaarlichte dag en op de openbare weg. Meerdere mensen hebben het geweld gezien. Feiten als het onderhavige vergroten dan ook de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Daarnaast heeft verdachte zich op 17 juni 2025 schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Samen met een ander heeft verdachte fysiek geweld gebruikt tegen het slachtoffer en zijn eigendommen, terwijl daar voor verdachte geen enkele aanleiding voor was. Dat het geweldsfeit voor het slachtoffer beangstigend moet zijn geweest is zonder meer voorstelbaar, maar blijkt ook uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding die door het slachtoffer is ingediend. Daarbij komt dat dit soort feiten bijdragen aan de in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, zeker omdat het geweld in het openbaar bij de school van het slachtoffer is gepleegd waarbij veel jongeren aanwezig waren. De rechtbank neemt verdachte dit kwalijk. Te meer nu een school bij uitstek een plek moet zijn waar jongeren zich veilig moeten kunnen voelen.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd toen hij 14 en 15 jaar oud was. Uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte op 31 juli 2025 door de meervoudige strafkamer is veroordeeld voor elf feiten waaronder meerdere vermogensdelicten tot een jeugddetentie voor de duur van 171 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden, waaronder meewerken aan Intensieve Trajectbegeleiding (ITB) Harde Kern. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten liep verdachte in deze proeftijd. De eerdere veroordeling, de dreiging van een jeugddetentie en het intensieve reclasseringstoezicht hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
De rechtbank heeft daarnaast gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 3 juni 2026. Verdachte heeft van 17 december 2025 tot en met 27 maart 2026 in voorlopige hechtenis verbleven. De Raad heeft veel zorgen omtrent verdachte. Het risico op recidive schat de Raad in als hoog. De risicofactoren zijn met name gelegen in de opvoedsituatie, vaardigheden, relaties, vrijetijdsbesteding, middelengebruik en houding in combinatie met agressief gedag. Ondanks het eerdere reclasseringstoezicht zijn de risicofactoren onverminderd aanwezig. Zo blijft verdachte omgaan met jongeren die in aanraking komen met de politie. Bovendien laat verdachte zich onvoldoende begrenzen door ouders, de jeugdreclassering of de opgelegde bijzondere voorwaarden. Een werkstraf of een jeugdreclasseringsmaatregel lijkt verdachte niet serieus te nemen. Daarbij komt dat er door de jeugdreclassering onvoldoende invulling kan worden gegeven aan een vorm van dagbesteding, nu verdachte vooralsnog niet is aangenomen op een school. De Raad acht het van belang dat verdachte een consequentie ervaart van zijn strafbare handelen. De Raad ziet echter geen mogelijkheden voor interventies, nu alle mogelijkheden in het strafrechtelijke kader reeds zijn uitgeput of ontoereikend zijn gebleken. Er zal door de Raad dan ook een onderzoek worden gestart naar de mogelijkheden van een kinderbeschermingsmaatregel in het civiele kader. Gelet op de aanzienlijke duur van de voorlopige hechtenis heeft de Raad geadviseerd een jeugddetentie op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest.
Verzoek contactverbod ten aanzien van parketnummer 18-072394-26
Aangever [slachtoffer 2] heeft de rechtbank verzocht aan verdachte een contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v, tweede lid, sub a en sub b van het Wetboek van Strafrecht op te leggen voor een periode van vijf jaren, dan wel dit contactverbod als bijzondere voorwaarde ex
artikel 14c, tweede lid onder 5 en onder 6 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen en deze bijzondere voorwaarde dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De rechtbank zal geen contactverbod opleggen aan de verdachte. De rechtbank overweegt dat zij daartoe onvoldoende aanleiding ziet. Niet is gebleken dat verdachte in de afgelopen periode contact heeft gezocht met de aangever of dat hij zich heeft opgehouden in zijn nabije omgeving. Aangever geeft zelf ook aan dat verdachte sinds het doen van de aangifte hem met rust heeft gelaten.
Op te leggen straf
Alles afwegende is de rechtbank, gelet op de lange duur van het voorarrest, van oordeel dat onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest, te weten 101 dagen, passend en oplegging daarvan geboden is.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Ten aanzien van parketnummer 18-344599-25
[getuige 2] en [naam 1] hebben zich namens hun zoon [slachtoffer 1] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 349,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Ten aanzien van parketnummer 18-072394-26
[naam 2] heeft zich namens haar zoon [slachtoffer 2] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 165,55 ter vergoeding van materiële schade en 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, wegens gebrek aan onderbouwing.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen, zoals in het vonnis van de medeverdachte is bepaald, te weten een bedrag van 750,00. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd de vordering hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Er kan onvoldoende worden vastgesteld dat sprake is van rechtstreekse schade.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering betreffende de kosten van de bril kan worden toegewezen. De raadsman heeft bepleit dat de post die ziet op de reiskosten voor het volgen van EMDR-therapie dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat onvoldoende kan worden vastgesteld dat de gevolgde EMDR-therapie rechtstreekse schade betreft, nu deze behandeling ook voor eerder opgelopen trauma kan zijn gevolgd.
Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 1]Materiële schade
De benadeelde partij heeft 349,00 aan materiële schade gevorderd. Gelet op de summiere onderbouwing van de vordering beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer 18-344599-25, en om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij (de hoogte van) de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ten aanzien van de vordering [slachtoffer 2]Materiële schade
De benadeelde partij heeft 165,55 aan materiële schade gevorderd, bestaande uit kosten voor de bril
( 39,90) en reiskosten ( 125,65). Ten aanzien van de schadepost betreffende de kosten voor de bril is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier voldoende blijkt dat hieraan schade is ontstaan als gevolg van het primair bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer 18-072394-26. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Met betrekking tot de reiskosten naar [zorginstelling] voor het volgen van EMDR-therapie overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan door de raadsman is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van rechtstreekse schade. Uit de stukken die ter onderbouwing bij de vordering zijn ingediend blijkt dat de benadeelde partij EMDR-therapie heeft gevolgd naar aanleiding van het bewezen verklaarde feit. Dat de benadeelde partij de EMDR-therapie mogelijk ook heeft gevolgd voor andere gebeurtenissen doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De vordering waarvan de hoogte niet is betwist, zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Daarnaast heeft de benadeelde partij 1.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer 18-072394-26. Aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, heeft hij op grond van artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen. De impact van de openlijke geweldpleging op de benadeelde partij is aanzienlijk geweest. Gelet op de toelichting op de vordering en gelet op bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend, acht de rechtbank het gevorderde bedrag van
1.000,00 billijk. De rechtbank ziet geen aanleiding om het bedrag te matigen tot 750,- zijnde het bedrag dat is toegewezen in de zaak van de medeverdachte, nu de benadeelde partij, ten opzichte van de zaak van de medeverdachte, een hogere vordering heeft ingediend en heeft voorzien van een nadere onderbouwing.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel hoofdelijk opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op nul.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 31 juli 2025, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een jeugddetentie voor de duur van 171 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 augustus 2025.
De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 18 mei 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde straf gedeeltelijk, te weten één maand jeugddetentie, ten uitvoer zal worden gelegd en dat de proeftijd zal worden verlengd met één jaar, waarbij de bijzondere voorwaarden worden opgeheven.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen.
Oordeel van de rechtbank
Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de volledige tenuitvoerlegging gelasten van de bij voornoemd vonnis van 31 juli 2025 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, alsmede het rapport van de Raad. Uit het rapport van de Raad blijkt onder meer dat veroordeelde een consequentie van zijn handelen dient te ervaren. Veroordeelde lijkt de bijzondere voorwaarden onvoldoende serieus te nemen, is zelfbepalend, laat zich niet begrenzen en houdt zich ondanks waarschuwingen regelmatig niet aan afspraken en regels. De Raad stelt dat de mogelijkheden vanuit het strafrechtelijk kader zijn uitgeput en ontoereikend zijn gebleken. De veroordeelde heeft ten tijde van het voorarrest verbleven in een Kleinschalige Voorziening Justitiële Jeugd (hierna: KVJJ). Binnen deze gestructureerde en gecontroleerde setting heeft veroordeelde laten zien zich wel te kunnen conformeren aan afspraken. Bij de tenuitvoerlegging zal de Raad de mogelijkheden van plaatsing binnen een KVJJ onderzoeken, zodat veroordeelde vanuit een gestructureerde en gecontroleerde omgeving in kleine stappen kan laten zien dat hij in staat is zich te conformeren aan regels en gezag van volwassenen. Tegelijkertijd zal de Raad onderzoek doen naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen, zodat er een voorwaardelijke jeugddetentie als stok achter de deur overblijft. De rechtbank is namelijk gebleken dat de eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie van aanzienlijke duur veroordeelde er niet van heeft weerhouden opnieuw ernstige strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet dan ook geen reden voor het behouden van een proeftijd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77gg, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-344599-25 en het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-072394-26 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 101 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van parketnummer 18-344599-26, feit 1 primair
Verklaart de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1]niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer 1] zijn eigen proceskosten draagt.
Ten aanzien van parketnummer 18-072394-26, feit 1 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2]toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 1.165,55 (zegge: duizend honderd vijfenzestig euro en vijfenvijftig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.165,55
(zegge: duizend honderd vijfenzestig euro en vijfenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 165,55 aan materiële schade en 1.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18-254449-24:
Gelast de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden d.d. 31 juli 2025, te weten:

een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. A. de Jong en mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechters, bijgestaan door mr. R.D. Ensel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juni 2026.
Mr. M. Brinksma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.