ECLI:NL:RBNNE:2026:299

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
18.047646.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen mensenhandel en mensensmokkel met seksuele uitbuiting

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 5 februari 2026 een 36-jarige man veroordeeld voor het medeplegen van mensenhandel en mensensmokkel. Verdachte en een medeverdachte hebben een vrouw uit Venezuela naar Nederland gehaald met het oogmerk haar te laten werken in de prostitutie. De vrouw was illegaal in Nederland en volledig afhankelijk van de verdachten vanwege schulden en taalbarrières.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte samen met de medeverdachte de reis van het slachtoffer had geregeld en betaald, haar had opgehaald van het vliegveld en haar had onder druk gezet om haar schuld terug te betalen door zich te prostitueren. Verdachte maakte financieel gewin uit de situatie en gebruikte dwangmiddelen zoals misbruik van een kwetsbare positie en feitelijk overwicht.

De bedreiging die verdachte zou hebben geuit aan de medeverdachte werd niet bewezen verklaard. De verklaringen van het slachtoffer, hoewel niet persoonlijk verhoord, werden ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals chatgesprekken, bankgegevens en verklaringen van de medeverdachte.

De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 360 dagen, waarvan 189 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, rekening houdend met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop. Verdachte werd vrijgesproken van de bedreiging en van mensensmokkel ten aanzien van de medeverdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf, waarvan 189 dagen voorwaardelijk, voor medeplegen van mensenhandel en mensensmokkel met seksuele uitbuiting.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.047646.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.A.R. Newoor, advocaat te Rotterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 30 januari 2024 tot en met 7 februari 2024 in Groningen en/of Rotterdam en/of Oudenbosch en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meerdere anderen, althans alleen
(A)
een ander, te weten (mevrouw) [slachtoffer ] , (telkens)
  • door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), en/of
  • door dreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), en/of
  • door afpersing en/of fraude en/of misleiding, en/of
  • door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, en/of
  • door misbruik van een kwetsbare positie, en/of
  • door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander, te weten die [slachtoffer ] heeft,
heeft
  • geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die ander, te weten die [slachtoffer ] , (sub 1) en/of
  • gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan
verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die ander, te weten die [slachtoffer ] , zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard, (sub 4) en/of
- gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar, te weten die [slachtoffer ] , seksuele handelingen met en/of voor een derde, (sub 9) en/of
(B)
  • een ander, te weten die [slachtoffer ] , heeft aangeworven en/of medegenomen met het oogmerk die [slachtoffer ] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling (sub 3)
  • (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een ander, te weten die [slachtoffer ] , (sub 6) immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
  • die [slachtoffer ] (door middel van het voorhouden van een onjuiste voorstelling van zaken) bewogen om vanuit Venezuela naar Nederland te komen en/of in de prostitutie te gaan werken, en/of
  • de reis van die [slachtoffer ] vanuit Venezuela via Spanje en/of België naar Nederland, (gedeeltelijk) geregeld en/of (gedeeltelijk) gefinancierd, en/of
  • die [slachtoffer ] vanuit België (met een auto en/of minibus en/of trein) via België naar Nederland en/of (in Nederland) naar Rotterdam en/of Oudenbosch en/of Groningen gebracht en/of vervoerd, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer ] voorgehouden dat bij haar komst naar Nederland kosten en/of schulden (7.000,-) waren gemaakt aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of die [slachtoffer ] deze kosten en/of schulden moesten, althans konden, terugbetalen door het verrichten van werkzaamheden in de prostitutie, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer ] voorgehouden dat huur moest worden betaald en/of die [slachtoffer ] de huur moesten, althans konden, terugbetalen door het verrichten van werkzaamheden in de prostitutie, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, aan die [slachtoffer ] laten weten en/of anderszins kenbaar gemaakt dat zij in de prostitutie moest (blijven) werken en/of tegen betaling seksuele diensten (aan klanten) moest (blijven) verlenen en/of (aldus) geen ander werk (dan prostitutie) mocht doen, en/of
  • een of meerdere (kamers in) woningen en/of werkplekken in Groningen gehuurd en/of (anderszins) geregeld, en/of
  • in de buurt van die [slachtoffer ] verbleven en/of die [slachtoffer ] onder toezicht en/of in de gaten gehouden en/of (daarmee) in haar bewegingsvrijheid belemmerd, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, die die [slachtoffer ] naar een klant vervoerd en/of (door een ander) laten vervoeren,
  • een (profiel voor een) seksadvertentie voor een website ( www.kinky.nl) gemaakt en/of laten maken en/of (in dat profiel en/of in die advertentie) op die website ( www.kinky.nl ) vermeld en/of laten vermelden dat die [slachtoffer ] tegen betaling haar seksuele diensten aanbiedt en/of seksuele handelingen verricht, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, contact te hebben met medeverdachten over de inhoud van die seksadvertentie, en/of
  • fotos van die [slachtoffer ] (in lingerie, althans schaarse kleding) gemaakt en/of laten maken ten behoeve van een seksadvertentie, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, contact opgenomen en/of onderhouden met een klant en/of een telefonist(e), althans een ander, contact laten opnemen en/of laten onderhouden met een klant, en/of-meerdere malen, althans eenmaal, (prijs)afspraken met een klant gemaakt en/of door een telefonist(e), althans een ander, laten maken ten behoeve van de door die [slachtoffer ] aan die klant verrichte en/of (nog) te verrichten seksuele diensten, en/of
  • een of meerdere (werk)telefoons voor handen gehad en/of een of meerdere (werk)telefoons en/of telefoonabonnementen (ten behoeve van de prostitutiewerkzaamheden) aan die [slachtoffer ] verstrekt en/of door die [slachtoffer ] laten gebruiken, en/of
  • met die [slachtoffer ] gesproken en/of (anderszins) gecommuniceerd en/of uitleg en/of (werk)instructies aan die [slachtoffer ] gegeven over prijzen en/of betalingen en/of afspraken met klanten en/of prostitutie(werkzaamheden), en/of
  • betaalverzoeken voor seksafspraken gemaakt en/of doorgestuurd, en/of
  • meerdere malen, althans eenmaal, door die [slachtoffer ] met prostitutie verdiende gelden in ontvangst genomen en/of afgepakt en/ofingenomen en/of door die [slachtoffer ] aan hem en/of zijn mededaders laten afstaan, (zulks) terwijl die [slachtoffer ] :
  • onbekend was in Nederland, en/of
  • niet over eigen huisvesting beschikte, en/of
  • werd voorgehouden dat ten behoeve van de reis naar Nederland, door en/of voor die [slachtoffer ] , kosten waren gemaakt en/of die [slachtoffer ] (aldus) een of meerdere schulden (aan verdachte en/of zijn mededaders en/of een of meerdere anderen) had, en/of
  • een beperkt sociaal netwerk had, en/of
  • de Nederlandse en/of Engelse taal niet (goed) beheerste, en/of
  • over onvoldoende geld en/of financiële middelen beschikte om (terug) naar Venezuela te gaan, en/of terwijl:
  • de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer ] niet bekend was en/of niet bekend mocht worden bij de vader en/of de moeder en/of de familie en/of (anderszins) bekenden van die [slachtoffer ] , en/of
  • die [slachtoffer ] bang was voor de gevolgen van het bekend worden van haar werk als prostituee, en/of (aldus) terwijl die [slachtoffer ] zich in een kwetsbare positie bevond(en),
bewerkstelligd dat die [slachtoffer ] van hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) afhankelijk was, waaraan die [slachtoffer ] zich niet heeft kunnen onttrekken en/of ten gevolge waarvan die [slachtoffer ] geen weerstand aan verdachte en/of zijn mededader(s) heeft kunnen bieden;
2.
hij, in of omstreeks de periode van 30 januari 2024 tot en met 31 januari 2024 in Groningen en/of Rotterdam en/of op elders in Nederland en/of (vanuit) Venezuela en/of (via) België en/of Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een of meerdere anderen, te weten (mevrouw) [slachtoffer ] en/of (mevrouw) [medeverdachte ] ,
  • behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, België en/of Spanje, althans een andere lidstaat van de Europese Unie en/of doorreis door België en/of Spanje, althans een andere lidstaat van de Europese Unie, en/of, hen, althans haar, daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, (lid 1), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
  • de reis van die [slachtoffer ] van Venezuela via Spanje en/of België naar Nederland (gedeeltelijk) geregeld en/of (gedeeltelijk) gefinancierd, en/of
  • die [slachtoffer ] en/of die [medeverdachte ] van België naar Nederland vervoerd en/of over de grens gebracht, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, en terwijl hij dit feit in vereniging heeft begaan (met
meerdere personen);
3.
hij op of omstreeks 3 februari 2024 in Groningen en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, (mevrouw) [medeverdachte ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven en/of met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte: (via de telefoon) een bericht naar (het telefoonnummer van) die [medeverdachte ] en/of die ander gestuurd (met de tekst) en/of (anderszins) dreigend de woorden toegevoegd: “Whem i see you i break your fucking face” (vertaald: “wanneer ik je zie, breek ik je verdomde gezicht), althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle feiten.
Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie aangevoerd dat ook binnen de relationele sfeer sprake kan zijn van bedreiging in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van alle feiten.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman primair aangevoerd dat de verklaringen van getuige [slachtoffer ] dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Het belastend bewijs uit dit onderzoek is volledig afkomstig uit de belastende verklaringen van deze [slachtoffer ] . Deze verklaringen dienen daarom als
sole and decisivete worden gekwalificeerd. De verdediging heeft haar ondervragingsrecht ten aanzien van [slachtoffer ] niet kunnen effectueren, nu het de rechter-commissaris niet is gelukt haar te traceren voor verhoor. De onmogelijkheid om de getuige te ondervragen kan niet op andere wijze
voldoende worden gecompenseerd. Op grond van vaste jurisprudentie van het EHRM is het gebruik van de verklaringen van [slachtoffer ] voor het bewijs daarom in strijd met artikel 6, eerste en derde lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er tegenstrijdigheden zitten in de verklaringen van [slachtoffer ] en heeft hij de rechtbank verzocht om bij de beoordeling van de verklaring die [slachtoffer ] in eerste instantie heeft afgelegd rekening te houden met de omstandigheden waaronder deze tot stand is gekomen. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer ] onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman voorts aangevoerd dat geen sprake is van (seksuele) uitbuiting noch op het oogmerk daartoe. Verdachte heeft [slachtoffer ] van het vliegveld opgehaald als vriendendienst voor medeverdachte [medeverdachte ] . Hij wist op dat moment niet dat zij in de prostitutie zou gaan werken en is daar verder ook niet bij betrokken geweest.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat [slachtoffer ] rechtmatig in Europa verbleef en aldus geen sprake is van wederrechtelijkheid in de zin van artikel 197a Sr.
Oordeel van de rechtbank
Feit 3: bedreiging (vrijspraak)
De rechtbank is van oordeel dat de onder feit 3 ten laste gelegde bedreiging niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu de context van de bedreiging onduidelijk is en derhalve niet kan worden vastgesteld dat de bedreiging onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd.1 De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van de aan hem onder feit 3 ten laste gelegde bedreiging.
Artikel 6 EVRM Pro
Nu getuige [slachtoffer ] - die belastende verklaringen heeft afgelegd - niet kan worden bevraagd en haar afgelegde verklaringen ten gevolge daarvan niet kunnen worden getoetst, rijst de vraag of nog wel sprake is van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Schending van dat recht is volgens de Hoge Raad zo ernstig dat het noodzakelijk kan zijn om te bepalen dat het bewijs waar die schending op ziet niet mag worden gebezigd als bewijsmiddel.2 Of in een specifiek geval waarin het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend sprake is van een schending van artikel 6 EVRM Pro en er dus geen sprake is van een eerlijk proces, moet worden beoordeeld aan de hand van een aantal factoren.3 Allereerst moet de vraag beantwoord worden of er een legitieme reden is dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend. Van belang is vervolgens of de niet getoetste verklaringen de enige of de beslissende bewijsmiddelen zijn voor een bewezenverklaring en, zo ja, of er voldoende compenserende factoren zijn geboden om het gebrek te ondervangen en te zorgen dat het proces in het geheel nog eerlijk is.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak een legitieme reden is dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend. Getuige [slachtoffer ] is onvindbaar gebleken en de rechtbank acht het gelet op de huidige (politieke) situatie in Venezuela onaannemelijk dat zij binnen een aanvaardbare termijn alsnog kan worden gehoord.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer ] niet kunnen worden beschouwd als
sole and decisive, nu zij worden ondersteund door diverse bewijsmiddelen. Zo treft de politie getuige [slachtoffer ] in een woning aan in lingerie na het maken van een seksafspraak via de website kinky.nl. Verder blijkt uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte ] (hierna: de medeverdachte), de gegevens uit de telefoon van [slachtoffer ] en de vluchtgegevens dat [slachtoffer ] vanuit Venezuela (via Spanje en België) naar Nederland is gekomen om in de prostitutie te gaan werken en dat zij ten gevolge van de reis hier naartoe een schuld had bij (verdachte en) de medeverdachte die zij moest terug betalen. Dit laatste wordt (ook) bevestigd door de chatgesprekken tussen [slachtoffer ] en haar moeder die op de telefoon van [slachtoffer ] zijn aangetroffen. Tot slot blijkt uit de opgevraagde bankgegevens dat verdachte een uur nadat hij een chatgesprek met de medeverdachte had over een klant die op dat moment bij [slachtoffer ] zou zijn, maar nog niet had betaald, geldbedragen op zijn rekening ontvangt.
Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank tot slot dat een eventuele veroordeling niet uitsluitend en in overwegende mate op de verklaringen van getuige [slachtoffer ] zou worden gebaseerd en dat in de reeds genoemde (overige) bewijsmiddelen, in het bijzonder het kunnen verhoren van de medeverdachte bij de rechter-commissaris, voldoende compenserende factoren in het procesdossier kunnen worden gevonden, waaraan de verdediging de verklaringen van getuige [slachtoffer ] heeft kunnen toetsen.
De rechtbank verwerpt met inachtneming van het voorgaande het verweer van de raadsman en komt tot de conclusie dat de verklaringen van getuige [slachtoffer ] voor het bewijs kunnen worden gebezigd zonder dat dit in strijd is met artikel 6, eerste en derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM.
De betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer ] is van belang of deze consistent en logisch zijn. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang of de verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen.
De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer ] op hoofdlijnen consistent en logisch. Haar verklaringen worden bovendien ondersteund door de verklaring van de medeverdachte, de vluchtgegevens en de gegevens uit de telefoons van de verdachten en [slachtoffer ] , waarop diverse chatgesprekken zijn aangetroffen. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer ] te twijfelen.
De rechtbank acht de verklaringen van getuige [slachtoffer ] dan ook betrouwbaar en zal deze als bewijsmiddel gebruiken.
Feiten 1 (mensenhandel) en 2 (mensensmokkel)
Vaststelling van de feiten
De rechtbank stelt op grond van de hierna in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen4 het volgende vast.
Op 7 februari 2024 is door het team Mensenhandel een afspraak gemaakt met [naam] naar aanleiding van een seksadvertentie op Kinky.nl . Daarin viel op dat extreme seksuele handelingen werden aangeboden en de tekst in het Nederlands was opgesteld, terwijl stond vermeld dat de prostituee enkel Spaans sprak.
Naar aanleiding van die afspraak werden [slachtoffer ] en de medeverdachte schaars gekleed aangetroffen in een woning in [plaats] . 5
[slachtoffer ] en de medeverdachte zijn met elkaar opgegroeid in Venezuela. De medeverdachte is een aantal jaren geleden naar Nederland gekomen om in de prostitutie te werken. [slachtoffer ] woonde toen nog in Venezuela. Nadat de medeverdachte haar had verteld over haar werkzaamheden in de prostitutie heeft [slachtoffer ] mede gelet op de onstabiele (politieke) situatie in Venezuela op 30 januari 2024 de reis naar Nederland ingezet om hier (ook) in de prostitutie te gaan werken. Zij was nog nooit in Nederland geweest, had hier illegaal verblijf6 en sprak Engels noch Nederlands. De reis is geregeld en (grotendeels) betaald door verdachte en de medeverdachte, waardoor [slachtoffer ] hen 7.000,00 verschuldigd was.7 Gedurende de reis kreeg [slachtoffer ] instructies ten aanzien van die reis naar Spanje en (vervolgens) België. Deze instructies werden onder andere gestuurd door de dochter van de medeverdachte.8 Verdachte en de medeverdachte hebben [slachtoffer ] vervolgens met de auto opgehaald bij het vliegveld in Brussel. Samen zijn ze naar Rotterdam gereden, waarna [slachtoffer ] is begonnen met haar prostitutiewerkzaamheden. 9 Zij en de medeverdachte verbleven samen in verschillende woningen, vanuit waar zij het sekswerk verrichtten. [slachtoffer ] moest haar schuld terug betalen door zich te prostitueren. Zij mocht geen andere werkzaamheden verrichten. Verdachte heeft er meerdere malen bij haar op aangedrongen dat zij het geldbedrag moest terugbetalen. Daarnaast moest [slachtoffer ] huur betalen. Zij
heeft in totaal ongeveer twee à drie prostitutieklanten gehad.10 Van het geld dat zij daarmee heeft verdiend, heeft zij ongeveer 50,00 gekregen. De overige 300,00 à 350,00 is naar de medeverdachte gegaan.11
Ten behoeve van de prostitutiewerkzaamheden hebben de verdachten voor [slachtoffer ] een advertentie gemaakt op kinky.nl . Voor die advertentie heeft verdachte fotos van [slachtoffer ] (en de medeverdachte) in lingerie gemaakt. Ook heeft [slachtoffer ] zelf fotos gemaakt.12 In chatgesprekken tussen verdachte en de medeverdachte is te zien dat zij bespreken welke handelingen en fotos er in de advertentie zouden moeten staan. Zo zegt verdachte dat er
hotter photosnodig zijn. Ook hebben ze contact over een klant die op dat moment bij [slachtoffer ] zou zijn, maar nog niet had betaald. Verdachte laat vervolgens aan de medeverdachte weten dat het tikkie van 50,00 is betaald. Uit de bankgegevens van verdachte blijkt dat er op die dag omstreeks dezelfde tijd onder andere een bedrag van 50,00 is overgemaakt aan verdachte.
Daarna bespreken verdachte en de medeverdachte dat [slachtoffer ] een uur werkt en dat het
niceis dat de klant extra heeft genomen.13
Beoordeling van feit 1: mensenhandel
Juridisch kader mensenhandel
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Dit artikel staat in titel XVIII, de titel die ziet op de misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Uitbuiting moet daarbij beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke of geestelijke integriteit en vrijheid. De in artikel 273f Sr verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen die deel uitmaken van artikel 273f Sr.
De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de artikel 273f, eerste lid, Sr, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald.14 De rechtbank ziet deze elementen
als communicerende vaten: een beperkt gewicht van de ene factor kan worden gecompenseerd door een groter gewicht van de andere factoren. Zo zal er in het geval van prostitutiewerkzaamheden - gelet op de aard van het werk en de forse inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer - in het geval van gebruik van enig dwangmiddel en enig financieel gewin bij de verdachte al snel sprake zijn van uitbuiting.
Voor oogmerk van uitbuiting is vereist dat het handelen van verdachte, naar hij of zij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus gewild gevolg meebracht dat de ander door hem of haar werd of zou kunnen worden uitgebuit.
Tot slot overweegt de rechtbank dat instemming van het slachtoffer met de uitbuiting niet in de weg staat aan een bewezenverklaring wanneer er sprake is van gebruik van dwangmiddelen.
Ten aanzien van het dwangmiddel misbruik van een kwetsbare positie overweegt de rechtbank dat een kwetsbare positie onder andere het gevolg kan zijn van illegale binnenkomst of illegaal verblijf, een ongedocumenteerde status, verslaving of een psychische of lichamelijke handicap.15
Ten aanzien van het dwangmiddel misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht overweegt de rechtbank dat dit veelal uit de omstandigheden kan worden afgeleid. In de wetsgeschiedenis wordt hierbij de vergelijking gemaakt met de mogelijkheid zich op te stellen als een mondige Nederlandse prostitué(e).
Voor een bewezenverklaring van (een van) de misbruik-dwangmiddelen is vereist dat een verdachte zich ook daadwerkelijk bewust was van de relevante feitelijke omstandigheden waaruit de kwetsbare positie of het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn.16
De rechtbank zal aan de hand van het zojuist geschetste kader beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan uitbuiting van het op de tenlastelegging genoemde slachtoffer.
Conclusie ten aanzien van feit 1
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of op basis van bovenstaand feitencomplex en met inachtneming van het geschetste juridische kader van mensenhandel kan worden bewezen dat verdachte het slachtoffer heeft uitgebuit, al dan niet samen met de medeverdachte.
De rechtbank constateert met betrekking tot de aard en duur van de diensten en werkzaamheden dat het slachtoffer gedurende een week een aantal keren prostitutiewerkzaamheden heeft verricht.
Ten aanzien van de beperkingen voor het slachtoffer constateert de rechtbank dat zij geen andere werkzaamheden dan sekswerk mocht uitvoeren om de opgebouwde schuld af te lossen.
Met betrekking tot het economische voordeel voor verdachten overweegt de rechtbank dat het overgrote deel van het door het slachtoffer verdiende geld bij de medeverdachte terecht is gekomen. Verdachte heeft bovendien tenminste één keer geld op zijn bankrekening ontvangen naar aanleiding van een seksafspraak van het slachtoffer.
Alles bij elkaar opgeteld is de rechtbank van oordeel dat sprake was van (seksuele) uitbuiting.
Daarbij heeft verdachte gebruik gemaakt van de dwangmiddelen misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte wist dat het slachtoffer uit Venezuela kwam. Venezuela is een land waar een groot deel van de bevolking in armoede leeft, met een onstabiele (politieke) situatie. Ook was verdachte op de hoogte van het feit dat het slachtoffer hier net als de medeverdachte prostitutiewerkzaamheden zou gaan verrichten en om die reden illegaal in Nederland verbleef (zie hierover de overweging van de rechtbank onder
beoordeling van feit 2: mensensmokkel). Daar komt bij dat het slachtoffer de Nederlandse en Engelse taal niet machtig is, niet over (eigen) huisvesting beschikte in Nederland en schulden had bij de verdachten in verband met de reis naar Nederland, waardoor zij volledig afhankelijk was van de verdachten.
Door onder de genoemde omstandigheden - kort gezegd - het slachtoffer sekswerk te laten verrichten en hiervan te profiteren heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan de mensenhandel zoals ten laste gelegd onder feit 1, sub-onderdelen 1, 4, 6 en 9.
Verdachte zal worden vrijgesproken van sub-onderdeel 3 (het aanwerven) omdat niet kan worden vastgesteld of verdachten het slachtoffer hebben benaderd om in Nederland in de prostitutie te gaan werken of andersom.
De rechtbank acht plegen in vereniging met de medeverdachte bewezen. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, deels bestaand uit het gezamenlijk ophalen van het slachtoffer uit België en naar Nederland brengen, het regelen van locaties vanuit waar het slachtoffer (en de medeverdachte) sekswerkzaamheden konden verrichten en het bespreken van het Kinky -account van het slachtoffer en bepalen wat daar in moest komen te staan.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [slachtoffer ] op verzoek van de medeverdachte, samen met haar, heeft opgehaald van het vliegveld in Brussel en dat hij eenmalig een tikkie heeft aangemaakt voor een prostitutieklant van de medeverdachte. Voor het overige heeft hij niets te maken gehad met de werkzaamheden en verdiensten van [slachtoffer ] , aldus verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank wordt verdachtes verklaring weerlegd door de overige bewijsmiddelen in het dossier.
Beoordeling van feit 2: mensensmokkel
In artikel 197a Sr is mensensmokkel strafbaar gesteld. Mensensmokkel is het behulpzaam zijn bij illegale toegang, doorreis en verblijf. Het gaat daarbij altijd om grensoverschrijdende criminaliteit.
Behulpzaam bij het verschaffen van toegang tot Nederland
Aan het bestanddeel “behulpzaam zijn bij” in artikel 197a Sr komt dezelfde betekenis toe als aan het begrip medeplichtigheid, zoals omschreven in artikel 48 Sr Pro. Het gaat er in het geval van het eerste lid van artikel 197a Sr dan ook om of verdachte de toegang van het slachtoffer in ergerlei opzicht heeft bevorderd of gemakkelijk heeft gemaakt.
Naar het oordeel van de rechtbank kan worden bewezen dat verdachte het slachtoffer behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte en de medeverdachte de reis vanuit Venezuela naar Spanje grotendeels hebben betaald en geregeld. Bovendien hebben zij het slachtoffer via de dochter van de medeverdachte voorzien van
instructies met betrekking tot die reis. Tot slot hebben zij het slachtoffer samen met de auto opgehaald van het vliegveld in Brussel en naar Nederland gereden.
Wederrechtelijkheid
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bestanddeel “wederrechtelijk” in artikel 197a Sr een ruimte betekenis heeft en inhoudt: “zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid.”17
Met wederrechtelijk verblijf wordt bedoeld het verblijf dat niet berust op een aan enige rechtsregel te ontlenen titel. In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te verblijven, wordt bepaald in de Vreemdelingenwet.18
Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte betrokken is geweest bij de prostitutiewerkzaamheden die het slachtoffer in Nederland verrichtte.
Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer naar Nederland is gereisd met het voornemen om in Nederland in de prostitutie te werken, terwijl zij geen recht had om in Nederland te werken. Voor zover het slachtoffer als toerist in Nederland mocht verblijven, waardoor haar verblijf in Nederland in beginsel rechtmatig was, is die rechtmatigheid komen te vervallen op het moment dat het verblijf ten doel had om arbeid te verrichten.19 Anders dan de verdediging heeft betoogd is niet van belang dat de arbeid niet voor een werkgever is verricht.
De rechtbank acht aldus bewezen dat het verblijf van het slachtoffer in Nederland wederrechtelijk was.
Wetenschap
De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte wist, althans ernstige reden had te vermoeden, dat het verblijf van het slachtoffer wederrechtelijk was, nu het slachtoffer afkomstig was uit Venezuela en naar Nederland toe kwam om prostitutiewerkzaamheden te verrichten. De verdachten hebben de reis van het slachtoffer vanuit Venezuela (grotendeels) betaald en geregeld, haar opgehaald vanuit België en uiteindelijk voor haar in Nederland huisvesting geregeld. Vanuit daar hebben de medeverdachte en het slachtoffer beiden sekswerk verricht.
Verder overweegt de rechtbank dat iedereen in Nederland geacht wordt de wet te kennen. Voor zover dat niet het geval is, heeft iedereen de verantwoordelijkheid om zich daarin te verdiepen. Dit geldt in het bijzonder voor verdachte, nu uit zijn eigen verklaringen en het dossier blijkt dat hij betrokken is geweest bij de prostitutiewerkzaamheden van het slachtoffer, die afkomstig was uit een land van buiten de Europese Unie. Hierdoor rustte op verdachte een vergaande onderzoeksplicht aangaande de rechtmatigheid van het verblijf van het slachtoffer. Dat verdachte heeft geïnformeerd naar de verblijfstatus van het slachtoffer of inspanningen heeft verricht om daarvan op de hoogte te raken, is niet gebleken.
Conclusie ten aanzien van feit 2
Al met al is de rechtbank van oordeel dat de verdachten samen behulpzaam zijn geweest bij de illegale toegang, doorreis en het verblijf van het slachtoffer. Daarmee kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte zich, samen met de medeverdachte, schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel.
Verdachte zal echter worden vrijgesproken van de mensensmokkel van de medeverdachte aangezien uit de verfeitelijking van de tenlastelegging volgt dat deze specifiek gericht was op het slachtoffer en niet de medeverdachte.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 30 januari 2024 tot en met 7 februari 2024 in Groningen, tezamen en in vereniging met een ander,
(A)
een ander, te weten (mevrouw) [slachtoffer ] , (telkens)
  • door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, en
  • door misbruik van een kwetsbare positie, heeft
  • vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die ander, te weten die [slachtoffer ] , (sub 1) en
  • bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten van seksuele aard (sub 4) en
  • bewogen verdachte en zijn mededader te bevoordelen uit de opbrengst van haar, te weten die [slachtoffer ] , seksuele handelingen met een derde, (sub 9) en
(B)
  • opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een ander, te weten die [slachtoffer ] , (sub 6) immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader:
  • de reis van die [slachtoffer ] vanuit Venezuela via Spanje en België naar Nederland, (gedeeltelijk) geregeld en (gedeeltelijk) gefinancierd, en
  • die [slachtoffer ] vanuit België (met een auto) via België naar Nederland
  • die [slachtoffer ] voorgehouden dat bij haar komst naar Nederland schulden (7.000,-) waren gemaakt aan verdachte en/of zijn mededader, en die [slachtoffer ] deze schulden moest terugbetalen door het verrichten van werkzaamheden in de prostitutie, en
  • die [slachtoffer ] voorgehouden dat huur moest worden betaald, en
  • aan die [slachtoffer ] laten weten dat zij in de prostitutie moest (blijven) werken en geen ander werk (dan prostitutie) mocht doen, en
  • een (profiel voor een) seksadvertentie voor een website ( www.kinky.nl) gemaakt of laten maken en in die advertentie op die website ( www.kinky.nl ) vermeld of laten vermelden dat die [slachtoffer ] tegen betaling haar seksuele diensten aanbiedt, en
  • meerdere malen, contact te hebben met medeverdachte over de inhoud van die seksadvertentie, en
  • fotos van die [slachtoffer ] gemaakt en/of laten maken ten behoeve van een seksadvertentie, en
  • een werktelefoon (ten behoeve van de prostitutiewerkzaamheden) aan die [slachtoffer ] verstrekt en
  • betaalverzoeken voor seksafspraken gemaakt en doorgestuurd, en
  • meerdere malen door die [slachtoffer ] met prostitutie verdiende gelden in genomen, (zulks) terwijl die [slachtoffer ] :
  • onbekend was in Nederland, en
  • niet over eigen huisvesting beschikte, en
  • werd voorgehouden dat ten behoeve van de reis naar Nederland, door en/of voor die [slachtoffer ] , kosten waren gemaakt en die [slachtoffer ] (aldus) een schuld (aan verdachte en zijn mededader had, en
  • een beperkt sociaal netwerk had, en
  • de Nederlandse en Engelse taal niet (goed) beheerste, en
  • de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer ] niet bekend was bij de vader en de moeder en de familie en (anderszins) bekenden van die [slachtoffer ] ,
terwijl die [slachtoffer ] zich in een kwetsbare positie bevond,
bewerkstelligd dat die [slachtoffer ] van hem, verdachte, en zijn mededader afhankelijk was, waaraan die
[slachtoffer ] zich niet heeft kunnen onttrekken en ten gevolge waarvan die [slachtoffer ] geen weerstand aan verdachte en zijn mededader heeft kunnen bieden;
2.
hij, in de periode van 30 januari 2024 tot en met 31 januari 2024 in Nederland en (vanuit) Venezuela en (via) België en Spanje, tezamen en in vereniging met anderen, een ander, te weten (mevrouw) [slachtoffer ] ,
  • behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, België en Spanje, en doorreis door België en Spanje, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders:
  • de reis van die [slachtoffer ] van Venezuela via Spanje en België naar Nederland (gedeeltelijk) geregeld en (gedeeltelijk) gefinancierd, en
  • die [slachtoffer ] van België naar Nederland vervoerd en over de grens gebracht, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was, en terwijl hij dit feit in vereniging heeft begaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Mensenhandel, in vereniging gepleegd, meermalen gepleegd.
Mensensmokkel, in vereniging gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van alle feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gelet op het tijdsverloop, het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte gepleit voor oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering van onder meer 2 januari 2025 en 5 januari 2026 en het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan de mensenhandel en -smokkel van een vrouw uit Venezuela. De verdachten hebben de reis naar Nederland voor het slachtoffer geregeld en (grotendeels) betaald en haar vervolgens onder druk gezet om de schuld die het slachtoffer daardoor bij hen had opgebouwd, terug te betalen door zich te prostitueren. Het slachtoffer kon niet anders dan hier in meegaan, nu zij volledig afhankelijk was van de verdachten ten aanzien van haar sociale netwerk, onderdak en inkomsten.
Dit zijn ernstige feiten, waarbij zo blijkt uit de chatgesprekken verdachte een sturende rol heeft gespeeld. Verdachte heeft misbruik gemaakt van de benarde positie van het illegaal in Nederland verblijvende slachtoffer. Daarbij heeft hij zijn eigen financiële gewin vooropgesteld. Bovendien heeft hij door zo te handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Noch bij de politie noch ter terechtzitting heeft verdachte (enige) verantwoordelijkheid genomen. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstaf van langere duur in beginsel op zijn plaats is. Op grond van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting wordt voor mensensmokkel als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden gehanteerd. Het uitgangpunt voor strafoplegging voor mensenhandel in geval van seksuele uitbuiting is bij categorie 1 een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf of een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Bij categorie 2 wordt een gevangenisstraf van 14 maanden gehanteerd als oriëntatiepunt. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een vorm van seksuele uitbuiting die tussen categorie 1 en 2 in valt. Zo heeft het slachtoffer een relatief korte periode in de prostitutie gewerkt en was er geen sprake van (dreiging met) geweld. Echter is wel sprake geweest van schuldbinding en kon het slachtoffer zich niet zomaar onttrekken aan de situatie, omdat zij geen Engels of Nederlands sprak, illegaal in Nederland verbleef, niet beschikte over huisvesting en evenmin de financiële middelen had om terug te gaan naar Venezuela. Daarmee was het slachtoffer volledig afhankelijk van de verdachten.
Gelet op het forse tijdsverloop en de relatief beperkte omvang en duur van de werkzaamheden acht de rechtbank het niet passend dat verdachte weer gedetineerd zal raken. Daarom zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van de reeds in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 189 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 197a en 273f van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feiten 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 189 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. S.T. Kooistra, rechters, bijgestaan door mr. F.C.A. Fierstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2026.
1. HR 17 januari 1984,
NJ1984/479, herhaald in ECLI:NL:HR:2005:AT3659.
3 EHRM: Al-Khawaja en Tahery t. VK, 15 december 2011, nrs. 26766/05 en 22228/06.
4 De processen-verbaal waarnaar wordt verwezen, zijn opgenomen in het dossier van de Politie Noord-
Nederland met nummer 2024034318 (onderzoek Bamba) d.d. 22 april 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
5 P. 141 e.v.
6 Aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2024.
7 P. 41 e.v., p. 101 en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte ] bij de rechter-commissaris d.d.
27 mei 2025.
8 P. 55 e.v.
9 P. 144 e.v. en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 januari 2026.
10 P. 52 e.v.
11 P. 41 en p. 45 e.v.
12 P. 41 e.v.
13 P. 87 e.v. en p. 229 e.v.
14 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 (Chinese Horeca), HR 24 november 2015,
15 Kamerstukken II 2011/12, 33309, 3, p.16.
16 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 (Chinese Horeca), HR 24 november 2015,
17 Kamerstukken II 1991/92, 22 142, nr. 3 (herdruk), p. 11-12.
18 Hoge Raad 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8499, NJ 2008/62 en Hoge Raad 19 januari 2010,
ECLI:NL:HR:2010:BJ3574, NJ 2010/279 m.nt. Schalken onder NJ 2010/281), in het bijzonder artikel 8 van Pro die wet (rechtmatig verblijf).
19 Artikelen 8, 12, 14 en 16 van de Vreemdelingenwet. Zie ook: Rechtbank Zutphen 17 maart 2009, LJN
BH6262.