ECLI:NL:RBNNE:2026:3100

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
LEE 25/699
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 6 EVRMArtikel 10 planregels bestemmingsplan Oosterend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing handhavingsverzoek recreatieve verhuur appartementen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling om een handhavingsverzoek af te wijzen dat betrekking heeft op de recreatieve verhuur van appartementen aan de [adres] in [plaats]. De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaar en het handhavingsverzoek correct heeft behandeld.

De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat voor het achterhuis impliciete toestemming voor recreatief gebruik bestaat en dat het gebruik van het voorhuis onder het persoonsgebonden overgangsrecht valt. De rechtbank stelt dat recreatieve verhuur niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht valt omdat dit vereist dat dezelfde persoon onafgebroken recreatief gebruik maakt, wat bij verhuur aan derden niet het geval is.

Daarnaast heeft het college onvoldoende onderzoek gedaan en onvoldoende gemotiveerd dat het recreatieve gebruik onder het algemeen overgangsrecht valt. Het college kon niet duidelijk maken welke peildatum geldt en heeft onvoldoende feitenonderzoek verricht om de rechtmatigheid van het gebruik aan te tonen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank het college tot vergoeding van proceskosten en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/699

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

V.O.F. Puur Terschelling, uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. W. Visser),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terschelling

(gemachtigde: mr. R.S.Boersma).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [plaats] (derde-partij)
(gemachtigde: mr. R.V. Lie-A-Lien).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eiseres’ verzoek om handhavend op te treden tegen de verhuur van vakantieappartementen aan de [adres] tot en met [adres] in [plaats]. Eiseres is het niet eens met die afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 30 januari 2023 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen voor zover het betreft [adres] (het achterhuis) en [adres] (het vrijstaande bijgebouw). Ten aanzien van [adres] (het voorhuis) heeft het college in het besluit op het handhavingsverzoek het standpunt ingenomen dat het alleen mag worden gebruikt voor permanente bewoning en aan derde-partij een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd.
2.1.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 januari 2023. Op 3 oktober 2023 heeft het college het besluit van 30 januari 2023 herroepen.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 oktober 2023. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 oktober 2023 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van met inachtneming van de uitspraak. [1]
2.3.
Op 27 december 2024 heeft het college opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist. Het college is bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven wat betreft het achterhuis en het vrijstaande bijgebouw en heeft het handhavingsverzoek ook afgewezen wat betreft het voorhuis. Dit is het bestreden besluit.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
Derde-partij heeft schriftelijk gereageerd.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens eiseres haar gemachtigde en [naam] (vennoot), de gemachtigde van het college en derde-partij met zijn partner en zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geding
3. Zoals ter zitting is besproken gaat het in deze procedure alleen over de afwijzing van het handhavingsverzoek wat betreft het gebruik van het voor- en achterhuis voor recreatieve verhuur. Het gaat in deze procedure niet over het gebruik van het vrijstaand bijgebouw en het parkeren op openbaar terrein. Verder hebben eiseres en het college ter zitting overeenstemming bereikt over de vergoeding van de proceskosten van de bezwaarprocedure. Eiseres heeft de beroepsgrond over die proceskostenvergoeding ter zitting ingetrokken en daarop wordt dus in deze uitspraak niet verder ingegaan.
Heeft het college de omvang van het bezwaar juist beoordeeld?
4. Eiseres stelt dat het college buiten de omvang van het bezwaar heeft besloten door het handhavingsverzoek ook af te wijzen wat betreft het gebruik van het voorhuis. Het bezwaar was gericht tegen het uitblijven van volledige handhaving en niet tegen de toewijzing van het handhavingsverzoek voor het gebruik van het voorhuis.
4.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de heroverweging de omvang van het bezwaar onjuist heeft beoordeeld. Uit het verslag van de hoorzitting van de bezwarencommissie blijkt dat eiseres in bezwaar ook heeft aangevoerd dat de toewijzing van het handhavingsverzoek voor het voorhuis onvolledig was. Daarmee maakt ook de besluitvorming over het voorhuis onderdeel uit van de procedure. Het college heeft het gebruik van het voorhuis dan ook terecht betrokken in het bestreden besluit. De rechtbank zal hierna inhoudelijk ingaan op de gronden van beroep over het gebruik van het voor- en het achterhuis.
Toetsingskader
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Ow in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Op een besluit op een handhavingsverzoek dat is ingediend voor 1 januari 2024 blijft het recht zoals dat gold voor 1 januari 2024 van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt. [2] In deze zaak is het verzoek om handhaving gedaan op 29 september 2022. Dat betekent dat in deze zaak de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing is.
5.1.
In het geldende bestemmingsplan Oosterend heeft het perceel de bestemming “Wonen”. [3]
5.1.1.
In de specifieke gebruiksregels staat persoonsgebonden overgangsrecht. Dit is als volgt geformuleerd: ‘Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van een woonhuis voor recreatieve bewoning, met uitzondering van recreatieve bewoning waarvan het gebruik reeds plaatsvond op 1 juni 1994 en sindsdien onafgebroken en door dezelfde persoon/personen is voortgezet. Van dit persoonsgebonden overgangsrecht is geen sprake meer indien het recreatieve gebruik van de op deze gronden aanwezige woning wordt beëindigd door inschrijving in het GBA, indien uit gegevens van het Kadaster blijkt dat de gronden met bijbehorende woning in eigendom aan een derde zijn overgedragen, dan wel indien de gronden en woning op andere wijze aan een derde in gebruik zijn gegeven.’ [4]
5.1.2.
Het bestemmingsplan bevat daarnaast algemeen overgangsrecht. In artikel 20, tweede lid, sub a tot en met d van de bestemmingsplanregels staat:
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 20.2 sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
Indien het gebruik, bedoeld in sublid a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Lid 20.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Is het gebruik van het voor- en achterhuis voor recreatieve verhuur een overtreding?
6. De rechtbank stelt vast dat het college het handhavingsverzoek heeft afgewezen op de grond dat het gebruik van het voor- en achterhuis voor recreatieve verhuur niet in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens het college is dus geen sprake van een overtreding, zodat het college niet bevoegd is om tot handhaving over te gaan. Daarbij stelt het college zich ten aanzien van het achterhuis primair op het standpunt dat impliciet toestemming is verleend voor dat gebruik. Ten aanzien van het voorhuis stelt het college zich primair op het standpunt dat dat gebruik valt onder het persoonsgebonden overgangsrecht. Subsidiair beroept het college zich ten aanzien van het voor- én achterhuis op het algemeen overgangsrecht. De rechtbank bespreekt hierna eerst de beroepsgronden over de primaire standpunten van het college en vervolgens de beroepsgronden over het subsidiaire standpunt van het college.
Impliciete toestemming gebruik achterhuis
7. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat met de bouwvergunning van 26 juni 2003 toestemming is verleend voor het recreatieve gebruik van het achterhuis. Onder het recreatieve gebruik valt volgens het college ook recreatieve verhuur. Volgens het college valt uit de bouwaanvraag – waarin het gebruik als zomerwoning staat – en de bouwvergunning niet af te leiden dat het recreatieve gebruik is toegestaan op grond van de planregels (waaronder het overgangsrecht) en daarom geldt de bouwvergunning als impliciete toestemming. Dat in het collegevoorstel bij de vergunning wel vermeld staat dat het recreatieve gebruik onder het overgangsrecht valt en naar aard en omvang niet wordt vergroot maakt dat niet anders.
7.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de bouwvergunning uit 2003, ook gelet op het geldende bestemmingsplan Oosterend, niet kan dienen als zelfstandige titel voor recreatief gebruik of recreatieve verhuur. Met die bouwvergunning is volgens eiseres geen toestemming verleend voor het recreatief gebruik van het achterhuis. Doordat recreatieve bewoning in het bestemmingsplan Oosterend expliciet is aangemerkt als strijdig gebruik, is uitgesloten dat aan de bouwvergunning uit 2003 impliciete toestemming kan worden ontleend.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat het geldende bestemmingsplan Oosterend is vastgesteld en in werking getreden nadat de bouwvergunning is verleend. Op grond van de planregels bij dat bestemmingsplan is recreatieve verhuur van het achterhuis niet toegestaan. Uit rechtspraak volgt dat aan een vergunning die vóór inwerkingtreding van een nieuw bestemmingsplan is verleend, geen zelfstandige betekenis toekomt voor het gebruik dat is toegestaan onder dat nieuwe bestemmingsplan. [5] Aan de gestelde impliciete toestemming kan dus geen zelfstandige betekenis worden toegekend. Op de mogelijke betekenis voor de toepasselijkheid van het algemeen overgangsrecht komt de rechtbank onder 9.2.3 terug. Gelet op het voorgaande staat naar het oordeel van de rechtbank met de enkele verwijzing naar de impliciete vrijstelling niet vast dat geen sprake is van een overtreding. Deze beroepsgrond slaagt.
Persoonsgebonden overgangsrecht gebruik voorhuis
8. In het bestreden besluit stelt het college dat het persoonsgebonden overgangsrecht uit het geldende bestemmingsplan Oosterend van toepassing is op het recreatief gebruik van het voorhuis. Derde-partij heeft volgens het college aangetoond dat vanaf 1 juni 1994 sprake is geweest van recreatieve bewoning, waaronder volgens het college ook recreatieve verhuur valt. Het college voert aan dat derde-partij op 1 juni 1994 al eigenaar was van het perceel en steeds als verhuurder is opgetreden. Er zijn verschillende verklaringen van huurders overgelegd. Verder heeft er nooit iemand ingeschreven gestaan op het adres van het perceel in de gemeentelijke basisadministratie.
8.1.
Volgens eiseres valt het gebruik van voorhuis niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht. Door de verhuur is geen sprake van onafgebroken recreatieve bewoning door dezelfde persoon of personen. Recreatieve verhuur kwalificeert volgens eiseres als in gebruik geven aan derden. Het bestemmingsplan verbindt aan het in gebruik geven aan derden als gevolg dat het persoonsgebonden overgangsrecht vervalt. Verder stelt eiser dat het persoonsgebonden overgangsrecht niet naast het algemeen overgangsrecht kan bestaan en in zoverre onverbindend is.
8.2.
Een bestemmingsregeling kan in een beroepsprocedure als deze alleen onverbindend worden geacht of buiten toepassing worden gelaten wanneer die bestemmingsregeling evident in strijd is met een hogere regeling. [6] De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het persoonsgebonden overgangsrecht zoals dat geformuleerd is in artikel 10.4, aanhef en onder d, punt 1 van de planregels evident onrechtmatig is. Persoonsgebonden overgangsrecht is naar zijn aard beperkt tot bepaalde personen. Algemeen overgangsrecht is daarentegen zaaksgebonden en heeft naar zijn aard een bredere reikwijdte. Algemeen overgangsrecht kan bijvoorbeeld gelden voor recreatieve verhuur, die niet persoonsgebonden is, maar wel legaal was op het peilmoment. In die zin kan persoonsgebonden overgangsrecht in een bestemmingsplan bestaan naast algemeen overgangsrecht. Verder volgt uit rechtspraak dat persoonsgebonden overgangsrecht ook kan worden toegepast voor gebruik dat in het eerdere bestemmingsplan onder het gebruiksovergangsrecht viel. [7]
8.3.
Naar het oordeel van de rechtbank ziet het persoonsgebonden overgangsrecht in het bestemmingsplan Oosterend gelet op de formulering dat het moet gaan om “recreatieve bewoning” die “onafgebroken en door dezelfde persoon/personen” wordt “voortgezet” naar zijn aard op een (zeer) beperkt aantal personen. Recreatieve verhuur valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht van het bestemmingsplan Oosterend omdat bij recreatieve verhuur sprake is van gebruik door meerdere, verschillende personen die afwisselend voor kortere duur de woning recreatief bewonen, Het standpunt van het college dat recreatieve verhuur onder het persoonsgebonden overgangsrecht valt zolang derde-partij de verhuurder is, volgt de rechtbank niet.
8.4.
Het standpunt dat geen sprake is van een overtreding omdat het gebruik van het voorhuis valt onder het persoonsgebonden overgangsrecht houdt geen stand. Deze beroepsgrond slaagt.
Algemeen overgangsrecht gebruik voor- en achterhuis
9. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het subsidiaire standpunt dat het recreatief gebruik - dat volgens het college ook recreatieve verhuur behelst - op het perceel al meer dan 80 jaar plaatsvindt en door de overgangsbepaling in het bestemmingsplan Buitengebied Polder 1979 is gelegaliseerd. Die overgangsbepaling liet zowel legaal als illegaal gebruik toe dat bestond ten tijde van het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Volgens het college is het recreatief gebruik van het voor- en achterhuis feitelijk en juridisch gelegaliseerd met het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan Buitengebied Polder 1979 op 26 november 1986. In de opvolgende bestemmingsplannen is het recreatief gebruik onder het overgangsrecht blijven vallen. Niet gebleken is dat het gebruik naar aard en omvang is vergroot, de woning is in omvang hetzelfde gebleven.
9.1.
Volgens eiseres heeft het college onvoldoende onderzocht of recreatieve verhuur na de aankoop daadwerkelijk onverwijld en onafgebroken heeft plaatsgevonden en verzuimd om de omvang van het recreatieve gebruik door derden vast te stellen. Het college had in ieder geval tegen elke toename van de omvang van het gebruik moeten optreden.
9.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek gedaan en onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een overtreding, omdat de recreatieve verhuur van het voor- en het achterhuis onder het algemeen overgangsrecht van het bestemmingsplan zou vallen. Degene die een beroep doet op het overgangsrecht moet aannemelijk maken dat het overgangsrecht van toepassing is. Dat geldt ook wanneer een peildatum ver in het verleden ligt. Dat het in zo’n geval moeilijk kan zijn om aannemelijk te maken dat het strijdig gebruik gedurende de gehele periode heeft plaatsgevonden, komt voor risico van degene die zich op het overgangsrecht beroept. [8] Het college had daarom op basis van zorgvuldig onderzoek aannemelijk moeten maken dat het gebruik op de peildatum van het bestemmingsplan Oosterend in overeenstemming was met, in dit geval, het gebruiksovergangsrecht van vorige bestemmingsplannen. Het college heeft niet aan die bewijslast voldaan. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
9.2.1.
Het college heeft desgevraagd niet kunnen uitleggen van welke peildatum moet worden uitgegaan. Volgens de overgangsbepaling uit het bestemmingsplan Oosterend is het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan de peildatum, maar het is onduidelijk gebleven of het tijdstip van inwerkingtreding moet worden bepaald aan de hand van de datum van vaststelling van het bestemmingsplan in 2012 of de datum van vaststelling van de tweede, gedeeltelijke vaststelling van het bestemmingsplan in 2013.
9.2.2.
Verder heeft het college, ongeacht van welk peildatum moet worden uitgegaan, niet kenbaar zelfstandig onderzoek gedaan naar de relevante feiten. Het college heeft volstaan met een verwijzing naar de gegevens die hij van derde-partij heeft ontvangen. Die gegevens geven onvoldoende inzicht om te kunnen vaststellen of de recreatieve verhuur van het voor- en achterhuis op de peildatum rechtmatig bestond, en of die daarna ononderbroken is voortgezet. Uit de gegevens blijkt niet welk gebruik op welke momenten heeft plaatsgevonden. Dat geldt voor de door het college genoemde begindatum van het legale gebruik in 1986, maar ook voor de lange periode daarna is niet duidelijk of het gebruik steeds onafgebroken is voortgezet en naar aard en omvang niet is geïntensiveerd. Het feit dat derde-partij heeft aangevoerd dat er meer gegevens aanwezig zijn, ook bij het college zelf, doet er niet aan af dat het college onvoldoende zelfstandig onderzoek heeft gedaan. Het enkele feit dat de woning niet is vergroot, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor het standpunt dat het gebruik niet is geïntensiveerd. Dat zegt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende over welk gebruik plaatsvond voor welke verhuurperioden en/of de omvang van de verhuur.
9.2.3.
Voor zover het college meent dat de gestelde impliciete toestemming de rechtmatigheid van het gebruik van het achterhuis mede bepaalt, volgt de rechtbank het college daarin niet. Uit rechtspraak volgt dat voor een impliciete vrijstelling vereist is dat uit de bouwaanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat het bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan zal worden gebruikt, en het desbetreffende bestuursorgaan, zich bewust van het voorgenomen gebruik, de vergunning in weerwil van de planvoorschriften heeft verleend. [9] Aan dat vereiste is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan, alleen al omdat het gebruik als zomerwoning niet gelijk is te stellen met recreatieve verhuur.
9.3.
Het besluit is gelet op het voorgaande onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt.
Tussenconclusie
10. De rechtbank concludeert dat de afwijzing van het handhavingsverzoek op de grond dat het gebruik van het voor- en achterhuis voor recreatieve verhuur niet valt aan te merken als een overtreding niet in stand kan blijven, althans niet zonder nader onderzoek en nadere motivering van het standpunt dat de recreatieve verhuur van het voor- en het achterhuis onder het algemeen overgangsrecht van het bestemmingsplan zou vallen.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
11. Ter zitting hebben eiseres en de derde-partij verzocht om een vergoeding wegens immateriële schade omdat de procedure langer geduurd heeft dan de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
11.1.
Het is vaste rechtspraak dat de redelijke termijn in een zaak als deze, waarin bezwaar, beroep en hoger beroep mogelijk zijn, vier jaren bedraagt. De termijn vangt aan op de datum waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaren. [10]
11.2.
De redelijke termijn vangt aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan, in deze zaak op 13 maart 2023. De totale procedure heeft vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot aan deze uitspraak drie jaar en bijna vier maanden geduurd. De redelijke termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk is met één jaar en bijna vier maanden overschreden. Bij de toerekening van de termijnoverschrijding en de daarvoor toe te kennen schadevergoeding geldt dat de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend, wanneer een besluit na een vernietiging opnieuw aan de rechtbank wordt voorgelegd. [11] Dat is alleen anders als in een van de rechterlijke procedures de behandelingsduur langer is dan anderhalf jaar, maar daarvan is in deze zaak geen sprake. De overschrijding van de redelijke termijn is in deze zaak volledig aan het college toe te rekenen.
11.3.
De rechtbank gaat uit van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij de overschrijding naar boven wordt afgerond. De aan eiseres en de derde-partij afzonderlijk toe te kennen schadevergoeding bedraagt in deze zaak € 1.500,-. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van dat bedrag aan eiseres en aan derde-partij als vergoeding van de geleden immateriële schade.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Dat is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Ook draagt de rechtbank het college niet op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat nader onderzoek nodig is om het gebrek te herstellen en het onzeker is wanneer dat kan worden afgerond en wat de uitkomst daarvan zal zijn.
12.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op het bezwaarschrift moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
12.2.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Dat zijn twee proceshandelingen. Voor reiskosten ontvangt eiseres een vergoeding van € 44,55, die is gebaseerd op openbaar vervoer tweede klasse. Voor verletkosten ontvangt eiseres ‑ met instemming van het college over de hoogte van dit bedrag - € 236,30, gebaseerd op acht uur inhuur van een vervanger. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.148,85.
13. De rechtbank veroordeelt het college tot slot tot betaling van een bedrag van
€ 1.500,- aan eiseres en derde-partij elk, in verband met de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 27 december 2024;
  • draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 2.148,85 aan proceskosten aan eiseres;
  • veroordeelt het college tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.500,- , te betalen aan eiseres en aan derde-partij afzonderlijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Volk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van deze rechtbank van 3 oktober 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3753.
2.Dat volgt uit artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Ow.
3.Artikel 10 van Pro de planregels.
4.Artikel 10.4, aanhef en onder d, punt 1 van de planregels.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:113 en van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4439.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3116.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2345.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2319
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:199 en van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1784
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3407