Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2026 in de zaak tussen
Avondsterweg Vastgoed B.V., uit Amsterdam, eiseres
Samenvatting
K 3983 in Leeuwarden. Eiseres is het niet eens met die weigering. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn. Er bestaat om die reden geen aanleiding voor het oordeel dat de planmaatregel onverbindend is of buiten toepassing gelaten moet worden. Zij overweegt daartoe het volgende.
Het ligt in een gerechtelijke procedure als deze op de weg van degene die een beroep doet op de Dienstenrichtlijn om te beargumenteren dat sprake is van een eis die een beperking oplevert. Het ligt vervolgens op de weg van het college om bij de beslissing over het verlenen van een omgevingsvergunning te onderbouwen dat die eis in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn. Het is dus in de eerste plaats aan het college om te onderbouwen waarom de in het bestemmingsplan neergelegde beperkingen gerechtvaardigd zijn in het licht van de daaraan in de Dienstenrichtlijn gestelde eisen. Daarbij kan het college verwijzen naar de toelichting bij een bestemmingsplan, maar kan ook, indien een dergelijke toelichting ontbreekt, een nadere onderbouwing geven voor de in de planregels opgenomen beperking. Hierbij geldt het evidentiecriterium. Dit houdt in dat alleen indien sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn een planregel onverbindend wordt verklaard of buiten toepassing wordt gelaten. Een planregel is alleen evident in strijd met hoger recht als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat zich strijd met de hogere rechtsnorm voordoet. Dit is bijvoorbeeld het geval als iedere motivering ontbreekt. Indien beargumenteerd strijd met artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn wordt aangevoerd en een motivering dat aan de in dat artikellid genoemde vereisten is voldaan ontbreekt, kan desondanks geen evidente strijd met de Dienstenrichtlijn worden aangenomen indien het college (alsnog) een onderbouwing geeft dat aan de vereisten van artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn is voldaan. De onderbouwingsplicht van het college gaat niet zo ver dat het de beperking dient te onderbouwen aan de hand van een analyse met specifieke gegevens. Geeft het college niet alsnog een onderbouwing dan zal de planregeling buiten toepassing worden gelaten of onverbindend worden verklaard. [2]
Sweco heeft per doel uitgelegd waarom een (gedeeltelijke) verkleuring van de bedrijven- en industrieterreinen van Leeuwarden naar reguliere detailhandel onwenselijk is als de geldende bestemmingsregeling wordt losgelaten.
Verder heeft Sweco onderbouwd waarom de planmaatregel ook daadwerkelijk geschikt is om het daarmee beoogde doelen te realiseren. Sweco is daarbij ingegaan op de effecten van de planmaatregel op de vestigingsmogelijkheden voor bedrijven, op reguliere winkelgebieden en op verkeer en parkeren. Geconcludeerd is dat de maatregel geschikt is omdat afschaffing van die maatregel aantoonbaar leidt tot de vestiging van reguliere detailhandel op Industrieterrein Leeuwarden Oost en de Hemrik, wat negatieve effecten voor de stedelijke ruimtelijke ordening tot gevolg zal hebben. De planmaatregel kan niet worden gemist om de nagestreefde doelen te bereiken, aldus Sweco.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
1. De lidstaten onderzoeken of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voorwaarden. De lidstaten passen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen.
1.46 perifere detailhandel: