ECLI:NL:RBNNE:2026:334

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
18-105874-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVW 1994Art. 8 WVW 1994Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling taxichauffeur voor veroorzaken verkeersongeval onder invloed van GHB met zwaar letsel

Op 26 september 2023 vond op de provinciale weg N383 een frontale botsing plaats tussen een taxibus, bestuurd door verdachte, en een lijnbus van Arriva. Twee jonge kinderen in de taxibus en de chauffeur van de lijnbus raakten gewond. Direct na het ongeval ontstond het vermoeden dat verdachte onder invloed was van verdovende middelen, bevestigd door een bloedonderzoek dat 63 mg GHB per liter bloed aantoonde.

De rechtbank stelde vast dat verdachte zonder noodzaak op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer reed, wat leidde tot de botsing. Verdachte, als beroepschauffeur verantwoordelijk voor het veilige vervoer van kinderen, schond haar verzwaarde zorgplicht door zeer onvoorzichtig en onoplettend te handelen. De rechtbank verwierp het door verdachte aangevoerde scenario van onbewust GHB-gebruik vanwege gebrek aan bewijs en tegenstrijdigheden met gevonden chatberichten.

De slachtoffers leden zwaar lichamelijk letsel, met blijvende gevolgen. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte het ongeval door haar schuld had veroorzaakt en veroordeelde haar tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, en een rijontzegging van 3 jaar. Bij het bepalen van de straf hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het reclasseringsadvies en de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk en 3 jaar rijontzegging wegens veroorzaken verkeersongeval onder invloed van GHB met zwaar letsel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer: 18-105874-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 februari 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Boersma, advocaat te s-Hertogenbosch. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
zij op of omstreeks 26 september 2023 te Berltsum als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N383, de Hemmemawei en/of de Westergoawei, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, onder invloed van gamma butyrolacton en/of 1,4-butaandiol (ook wel bekend als GHB), te weten 63 milligram GHB per liter bloed, in elk geval hoger dan 10 milligram GHB per liter bloed,
  • in een (overzichtelijke) bocht niet in te sturen en/of een stuurfout te maken, althans niet zo veel mogelijk rechts te houden, en/of
  • (vervolgens) op het weggedeelte bestemd voor tegemoetkomend verkeer terecht te komen,
waarna verdachte met haar voertuig tegen een haar tegemoetkomende lijnbus is aangereden/gebotst, waardoor een of meer anderen (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten
  • [slachtoffer 1] : breuken van de heupkom beiderzijds, een bloeduitstorting in het kleine bekken, een verschuiving van schaambeenvoeg, een snijwond op de handrug met letsel van de band van de strekpees van de wijsvinger links en kuitzenuwletsel met stoornis van functie links,
  • [slachtoffer 2] : stomp buiktrauma waarbij letsel van de twaalfvingerige darm, een stabiele breuk van het wervellichaam van de 3e lendenwervel en/of een milde longkneuzing beiderzijds, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en/of waardoor een of meer anderen (genaamd [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer
4] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 26 september 2023 te Berltsum als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N383, de Hemmemawei en/of de Westergoawei, onder invloed van gamma butyrolacton en/of 1,4-butaandiol (ook wel bekend als GHB), te weten 63 milligram GHB per liter bloed, in elk geval hoger dan 10 milligram GHB per liter bloed,
  • in een (overzichtelijke) bocht niet heeft ingestuurd en/of een stuurfout heeft gemaakt, althans niet zo veel mogelijk rechts heeft gehouden, en/of
  • (vervolgens) op het weggedeelte bestemd voor tegemoetkomend verkeer terecht is gekomen, waarna verdachte met haar voertuig tegen een haar tegemoetkomende lijnbus is aangereden/gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
2
zij op of omstreeks 26 september 2023 te Berltsum een voertuig, te weten een personenauto (taxibus), heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van meer in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als groep, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten gamma butyrolacton en/of 1,4-butaandiol (ook wel bekend als GHB), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het totale gehalte in haar bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 63 milligram GHB per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stoffen of groep van stoffen vermelde grenswaarde.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten onder 1 primair en 2. De officier van justitie heeft met betrekking tot feit 1 primair de volgende standpunten ingenomen. Het handelen van verdachte moet als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gekwalificeerd worden. Het door verdachte aangevoerde scenario dat zij mogelijk per ongeluk GHB tot zich heeft genomen, vindt hij niet aannemelijk. Het letsel van de slachtoffers
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is als “zwaar lichamelijk letsel” aan te merken. Het letsel van de slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] valt onder de categorie “letsel waardoor tijdelijke verhindering in de uitoefening van normale bezigheden is ontstaan”.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft met betrekking tot feit 1 primair de volgende standpunten ingenomen. Verdachte dient vrijgesproken te worden van de strafverzwarende schuldcategorie “roekeloosheid”, mede in aanmerking genomen dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte bewust GHB tot zich heeft genomen. Ten aanzien van de overige schuldvarianten heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Verdachte dient ook vrijgesproken te worden van het onderdeel van de tenlastelegging dat ziet op het letsel van slachtoffer [slachtoffer 4] , nu het causale verband tussen (een deel van) het ontstane letsel en
het ongeval ontbreekt en het dossier op dit punt zeer summier is.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten het volgende vast.
Op 26 september 2023, omstreeks 14:30 uur, heeft er op de Westergoawei (de N383) te Berltsum, tussen Sint Annaparochie en Berltsum, een aanrijding plaatsgevonden tussen twee voertuigen. Dit betrof een taxibus en een lijnbus van Arriva. Verdachte was de bestuurster van de taxibus met daarin twee jonge kinderen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
[slachtoffer 3] was de bestuurder van de lijnbus met daarin meerdere passagiers.2 De N383 is een provinciale weg met twee rijstroken die met dubbele doorgetrokken wegmarkeringen van elkaar zijn gescheiden.3 De lijnbus van Arriva reed op de voor hem rechter weghelft in een flauwe bocht naar links toen de taxibus vanuit de tegengestelde richting aankwam rijden. De taxibus reed vanuit die tegengestelde richting op de weghelft waar de lijnbus van Arriva zich op dat moment bevond en deze voertuigen kwamen hierdoor frontaal met elkaar in botsing.4 Verbalisant [verbalisant] reed als motoragent achter de lijnbus van Arriva en heeft naast dat hij het verkeersongeluk zelf heeft waargenomen, het ongeluk en de nasleep daarvan met zijn bodycam vastgelegd.5 Deze beelden bevinden zich in het strafdossier en een kort fragment daarvan is ter terechtzitting getoond.
De bestuurder van de lijnbus, [slachtoffer 3] , is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij 85 km per uur reed op een rechte weg. In een lange bocht naar links zag hij in een flits een busje recht op hem afkomen. Het busje stuurde niet de bocht in, maar reed als het ware rechtdoor. Het busje klapte tegen de rechter voorkant van de lijnbus, omdat hij uit reactie naar links heeft gestuurd.6
Getuige [getuige] reed op 26 september 2023 achter een wit taxibusje en zag dat het taxibusje op de verkeerde weghelft terechtkwam. [getuige] zag dat het taxibusje, voor zover zij kon zien, nergens voor hoefde uit te wijken en zij zag ook geen remlichten bij het taxibusje.7
De politie heeft op de plaats van het ongeval forensisch onderzoek verricht. Uit dit onderzoek blijken in het kort de volgende bevindingen. Er zijn geen aanwijzingen voor technische mankementen aan de betrokken voertuigen of bijzondere omstandigheden aan het wegdek voorafgaand aan het ongeval. De weersomstandigheden waren helder en droog en er zijn geen aanwijzingen dat het zicht ten tijde van het ongeval werd belemmerd. Er waren geen tijdelijke verkeersmaatregelen van kracht en de maximumsnelheid bedroeg 80 kilometer per uur. De lijnbus reed volgens de tachograaf die is uitgelezen op het moment van het ongeluk 85 kilometer per uur.8 Verbalisanten hebben geconcludeerd dat de oorzaak van het ongeval moet worden gezocht in een bestuurder gerelateerde gedraging. De bestuurster van de taxibus hield om voor verbalisanten onbekende redenen niet zoveel mogelijk rechts, waardoor de taxibus volledig op de rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer terechtkwam.9
Verdachte is na het ongeval door het personeel van de ambulance onderzocht. Een ambulancemedewerker had ernstige twijfels over de toestand van verdachte. De centralist van de Centrale Ambulancevervoer heeft vervolgens aan de politie doorgegeven dat de reacties die verdachte in de ambulance vertoonde meer leken op het onder invloed zijn van verdovende middelen, dan het gedrag dat zij zien wanneer mensen in shock zijn van een aanrijding.10 Naar aanleiding hiervan hebben verbalisanten in het
ziekenhuis bloed afgenomen bij verdachte en op de voorgeschreven wijze opgestuurd naar [ziekenhuis] voor een bloedonderzoek.11 Dit onderzoek heeft geleid tot een meetresultaat van 63 milligram GHB per liter bloed.12
Slachtoffer [slachtoffer 1] heeft letsel opgelopen die volgens de geneeskundige verklaring bestaat uit:
breuk van de heupkom beiderzijds;
bloeduitstorting kleine bekken;
verschuiving van schaambeenvoeg;
snijwond handrug rechts met letsel van band van strekpees tweede vinger links;
kuitzenuwletsel met stoornis van functie links.13
Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft letsel opgelopen die volgens de geneeskundige verklaring bestaat uit:
stomp buiktrauma waarbij letsel aan de twaalfvingerige darm;
stabiele breuk van het wervellichaam van de 3e lendenwervel;
milde longkneuzing beiderzijds.
Slachtoffer [slachtoffer 2] is in verband met dit letsel opgenomen geweest op de kinder intensive care. Hij kon geen voeding tot zich nemen via de mond en er werd bij hem een maagsonde ingebracht op de maaginhoud continu af te voeren.14
Slachtoffer [slachtoffer 3] is op 12 juni 2024 aanvullend gehoord over zijn letsel en het verloop van zijn herstel. Het letsel van [slachtoffer 3] bestaat onder meer uit een verdraaide rechterknie, waardoor zijn rechterbeen instabiel is geworden. [slachtoffer 3] heeft in verband met zijn verwondingen tot op voornoemde datum zijn werkzaamheden als buschauffeur niet kunnen hervatten.15
Verdachte heeft tijdens het politieverhoor van 6 oktober 2023 verklaard dat zij taxichauffeur is en dat zij kinderen vervoert die speciaal onderwijs volgen. Zij rijdt voor het brengen en ophalen van deze kinderen een vaste route die zij goed kent en zij had voorafgaand aan het ongeluk twee kinderen bij haar in de auto. Van het ongeluk kan zij zich alleen herinneren dat zij van de rotonde de weg N383 is opgestuurd. Zij kan zich verder niets herinneren.16
Bewijsoverweging
Schuld in de zin van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994
Voor een veroordeling van overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994
(hierna: WVW 1994)moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan haar schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.
In het algemeen geldt dat onder schuld als bestanddeel een grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Niet iedere foute verkeersgedraging valt daarom binnen het domein van artikel 6 WVW Pro 1994. Artikel 6 WVW Pro 1994 vereist dat de verkeersgedraging dusdanig onvoorzichtig, onachtzaam of onoplettend is geweest, dat dit in ieder geval “aanmerkelijke schuld” oplevert. Oftewel, de zorgplichtschending moet ten opzichte van de gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare situatie en hoedanigheid, een zodanig tekortschieten inhouden van de geldende norm, dat dit een verdachte volgens de maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen kan worden verweten.
Of sprake is van zodanige schuld in dit geval van roekeloos of zeer onvoorzichtig en/of onoplettend, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend gedrag wordt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad bepaald door de manier waarop de schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd en is verder afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.17
De rechtbank betrekt in haar beoordeling van het verkeersgedrag van verdachte het volgende. Verdachte was ten tijde van het verkeersongeluk beroepschauffeur en aan haar was de verantwoordelijkheid voor het veilige vervoer van jonge kinderen toevertrouwd. Op verdachte rustte gelet daarop een verzwaarde zorgplicht. Verdachte reed op een provinciale weg met twee rijstroken voor verschillende rijrichtingen die enkel met doorgetrokken wegmarkeringen van elkaar waren gescheiden. In een wegsituatie zoals deze wordt van een weggebruiker bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid verwacht. Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte zonder dat daar enige noodzaak toe was, op de weghelft is gaan rijden voor het tegengestelde verkeer. Daarnaast heeft het bloedonderzoek aangetoond dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed verkeerde van GHB.
Verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting een scenario aangedragen waarin zij aangeeft dat zij mogelijk ongemerkt GHB heeft gedronken uit haar koelkast. Tot enkele maanden voor het ongeluk gebruikte ze wel eens GHB in het weekend, maar daarmee was zij enkele weken voordat zij werkzaam was als taxichauffeur gestopt, aldus verdachte. Haar partner gebruikte nog wel GHB. Zij bewaarden GHB in de koelkast gemixt met iets anders. De verdachte heeft aangegeven dat zij mogelijk daarvan heeft gedronken.
De rechtbank acht dit geen aannemelijk scenario. Daarbij betrekt zij allereerst het moment en de wijze waarop zij dit scenario naar voren heeft gebracht: verdachte heeft dit bij de inhoudelijke behandeling voor het eerst verklaard, dit is meer dan twee jaren na het ongeval, en zij heeft dit niet voorzien van enige feitelijke onderbouwing. Verdachte heeft niet eerder hierover bij de politie verklaard, ook niet nadat zij in haar tweede verhoor met de uitslag van het bloedonderzoek is geconfronteerd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat dit scenario moeilijk te rijmen is met de chatberichten en zoektermen die op haar telefoon zijn aangetroffen waaruit het beeld ontstaat dat er bij verdachte een sterke drang bestaat om met enige regelmaat GHB te gebruiken. Verdachte heeft bovendien zelf ter terechtzitting aangegeven dat zij bekend is met het gebruik van GHB voor het dempen van onverwerkte emoties en dat zij ook na het ongeluk is doorgegaan met het gebruik daarvan.
De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte, te weten het in haar hoedanigheid als beroepschauffeur met de zorg voor jonge kinderen, en het onnodig op de verkeerde weghelft rijden terwijl zij onder invloed verkeerde van GHB, onder de schuldkwalificatie zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam valt. Verdachte is, in aanmerking genomen de verantwoordelijkheden die zij droeg als beroepschauffeur, in de naleving van de zorgplicht ten opzichte van anderen in een vergelijkbare functie ernstig tekortgeschoten. Zij heeft ongeoorloofde en voorzienbare risicos genomen die ze had moeten vermijden en dit kan haar in de zin van artikel 6 WVW Pro 1994 worden verweten.
De gevolgen
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zaten bij verdachte in de taxibus en hebben als gevolg van dit verkeersongeval lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat het letsel zoals dat door de medische deskundigen is vastgesteld, onder de definitie van “zwaar lichamelijk letsel” valt. Daarbij geeft de rechtbank rekenschap aan de bijzondere kwetsbaarheid van deze jonge slachtoffers, de aard en
omvang van het letsel en de blijvende gevolgen die zij dagelijks daarvan ondervinden.
[slachtoffer 3] heeft een lange periode door zijn verwondingen zijn werkzaamheden als buschauffeur niet kunnen oppakken. De rechtbank is van oordeel dat dit letsel zich categoriseert als “letsel waaruit de tijdelijke verhindering van normale bezigheden is ontstaan”.
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende gegevens bevat over het letsel van [slachtoffer 4] en de gevolgen daarvan om dit in aan te kunnen merken als “letsel waaruit de tijdelijke verhindering van normale bezigheden is ontstaan”. Zij zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
zij op 26 september 2023 te Berltsum als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de weg, de N383, de Westergoawei, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, onder invloed van gamma butyrolacton of 1,4-butaandiol, ook wel bekend als GHB, te weten 63 milligram GHB per liter bloed,
  • in een overzichtelijke bocht niet zo veel mogelijk rechts te houden,
  • en vervolgens op het weggedeelte bestemd voor tegemoetkomend verkeer terecht te komen, waarna verdachte met haar voertuig tegen een haar tegemoetkomende lijnbus is gebotst, waardoor anderen genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten
  • [slachtoffer 1] : breuken van de heupkom beiderzijds, een bloeduitstorting in het kleine bekken, een verschuiving van schaambeenvoeg, een snijwond op de handrug met letsel van de band van de strekpees van de wijsvinger links en kuitzenuwletsel met stoornis van functie links,
  • [slachtoffer 2] : stomp buiktrauma waarbij letsel van de twaalfvingerige darm, een stabiele breuk van het wervellichaam van de 3e lendenwervel en een milde longkneuzing beiderzijds
  • en waardoor [slachtoffer 3] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
2
zij op 26 september 2023 te Berltsum een personenauto heeft bestuurd na gebruik van in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten gamma butyrolacton of 1,4-butaandiol, ook wel bekend als GHB, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde wet, het totale gehalte in haar bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 63 milligram GHB per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stoffen vermelde grenswaarde.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op de eendaadse samenloop van:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van deze wet, meermalen gepleegd;
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie is voor de eendaadse samenloop van de feiten 1 primair en 2 tot de volgende strafeis gekomen:
- een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden en 1 week waarvan 4 maanden voorwaardelijk met
een proeftijd van 3 jaren, waarbij rekening is gehouden met een schending van de redelijke termijn;
- met aan het voorwaardelijke deel van de straf verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de
reclassering is geadviseerd;
- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Hij heeft voorgesteld om aan verdachte een taakstraf op te leggen met een voorwaardelijk strafdeel of met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf. Voorts heeft de raadsman verzocht om bij oplegging van bijzondere voorwaarden deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsadvies van 15 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft op 26 september 2023 op de provinciale weg N383 een verkeersongeval veroorzaakt waarbij een krachtige frontale botsing is ontstaan tussen een taxibus en een lijnbus van Arriva. Hierbij zijn twee jonge kinderen die bij verdachte achter in de taxibus zaten ernstig gewond geraakt. De buschauffeur van de lijnbus van Arriva waartegen verdachte frontaal is gebotst, is ook ernstig gewond geraakt.
Verdachte was werkzaam als taxichauffeur en bracht en haalde kinderen van school. Aan haar was de verantwoordelijkheid voor het veilige vervoer van deze kinderen toevertrouwd. Verdachte is desondanks onder invloed van GHB op de weghelft voor het tegengestelde verkeer gaan rijden. Zij heeft hiermee buiten de grenzen van de zorgvuldigheid gehandeld en heeft de bijzondere zorgplicht die op haar rustte niet nageleefd. Tegelijkertijd heeft zij hiermee het vertrouwen dat anderen in haar hadden gesteld, beschaamd. Het verkeersongeluk heeft binnen de gemeenschap geleid tot woede, onbegrip en verbazing. Bovenal heeft dit ongeluk een enorme impact op het alledaagse leven van de direct getroffenen met als gevolg blijvende schade en vermindering van levensvreugde.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook heeft de rechtbank geconstateerd dat na dit verkeersongeluk geen nieuwe registraties van strafbare feiten aan de justitiële documentatie zijn toegevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies. De reclassering heeft geconstateerd dat tot op heden sprake is van GHB-gebruik. Het is zonder vergoeding van de verzekeraar niet gelukt om voor verdachte een klinische behandeling binnen een vrijwillig kader te organiseren. Het rijbewijs van verdachte is ingevorderd en er loopt een CBR-traject. Verdachte ontvangt vanwege het lichamelijke letsel en de psychische gevolgen een uitkering. Hier kan zij niet van rondkomen. Verdachte is nog niet aan het werk.
Ook zullen er financiële problemen ontstaan naar aanleiding van onderhavige zaak, doordat de ontstane schade op haar zal worden verhaald. De reclassering schat het risico op recidive, letsel en onttrekken aan voorwaarden in als gemiddeld en adviseert een straf met oplegging van bijzondere voorwaarden. De reclassering adviseert over een gevangenisstraf dat deze zal leiden tot een verslechtering van het psychisch welbevinden van verdachte. Naar de mening van de reclassering prevaleert hulpverlening boven repressie.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij inmiddels weer samen is met haar partner en dat zij nog steeds samenwonen. Zij heeft op dit moment geen rijbewijs. Verdachte wordt begeleid door [instelling] . Zij heeft zich bereid verklaard tot naleving van de geadviseerde voorwaarden. Zij heeft ook aangegeven erg veel spijt te hebben en was zichtbaar geëmotioneerd toen zij de slachtoffers hoorde spreken over de gevolgen van het ongeval.
Strafmaat
De rechtbank merkt vooraf op invoelbaar is dat voor degenen die door dit verkeersongeluk zijn benadeeld, geen straf hoog genoeg is en dat er altijd een kans zal blijven bestaan dat de uitkomst voor hen onbevredigend zal zijn. De opgelegde straf zal de desastreuse gevolgen van dit verkeersongeval niet kunnen wegnemen. Daar staat tegenover dat de rechtbank er van overtuigd is dat verdachte, ongeacht hoe onvoorzichtig haar handelen ook is geweest, de gevolgen daarvan zelf ook niet heeft gewild. Doel van bestraffing is vooral gericht op normdemonstratie tegenover andere verkeersdeelnemers en ter vergelding van het leed van de slachtoffers. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat met een taakstraf een ontoereikend afschrikwekkend signaal wordt afgegeven. Bovendien verhoudt een taakstraf zich niet tot de ernst van de feiten en doet deze geen recht aan de belangen van degenen die door dit verkeersongeluk zijn getroffen. De rechtbank is daarom van oordeel dat alleen met een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf de hiervoor genoemde belangen kunnen worden gewaarborgd.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf als uitgangspunt genomen de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten voor het veroorzaken van een verkeersongeval. In deze zaak hebben meerdere slachtoffers (zwaar) lichamelijk letsel opgelopen. Dit heeft een verhogend effect op de straf. De rechtbank houdt daarnaast meer rekening met het tijdsverloop dan de officier van justitie in zijn strafeis heeft gedaan. De redelijke termijn voor strafzaken is zonder gegronde redenen overschreden, waardoor verdachte te lang op de behandeling van haar strafzaak heeft moeten wachten en lange tijd in onzekerheid over de uitkomst hiervan heeft geleefd. Ten slotte acht de rechtbank verdachte voor minder slachtoffers strafrechtelijk aansprakelijk dan de officier van justitie in zijn strafeis heeft verdisconteerd. De rechtbank komt met inachtneming van het voorgaande tot een lagere strafoplegging dan de officier van justitie heeft gevorderd.
De rechtbank legt, alles afwegende, aan verdachte de volgende straf op:
- een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd
van 3 jaren;
  • aan het voorwaardelijk strafdeel worden de voorwaarden verbonden uit het reclasseringsadvies;
  • een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden verbonden aan het voorwaardelijk strafdeel dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat niet aan de wettelijke vereisten daarvan is voldaan.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende
de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 (drie) jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij de reclassering

1. Dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering VNN op het adres [adres] .

Opname in zorginstelling

2. Dat verdachte zich tijdens de proeftijd voor de duur van een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op abstinentie van GHB, onverwerkte jeugdervaringen en/of trauma en/of emotieregulatie problematiek. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Ambulante behandeling

3. Dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start aansluitend op de klinische behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek.

Ambulante begeleiding

4. Verdachte laat zich begeleiden door [instelling] thuisbegeleiding of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De begeleiding start per eerstvolgend aanbod. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

5. Dat verdachte gedurende de proeftijd verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en zo lang de reclassering nodig acht. Het verblijf start aansluitend op de klinische behandeling. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Drugsverbod
6. Dat verdachte gedurende de proeftijd geen harddrugs (GHB) gebruikt. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of
meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen bromfietsen daaronder begrepen voor de duur van 3 (drie) jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.P. Eckert en
mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2026.
1. De aangehaalde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde paginas bevinden zich in het dossier met zaakregistratienummer PL0100-2023294553, afgesloten op 29 februari 2024.
2 Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf van verbalisant [verbalisant] d.d. 17 februari 2024, p. 132 e.v.
en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 28 september 2023, p. 21 e.v.
3 Het proces-verbaal FO Verkeer van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 24 oktober 2023, p.
167.
4 Het proces-verbaal FO Verkeer van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 24 oktober 2023, p.
192.
5 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 28 september 2023, p. 21 e.v.
6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] d.d. 18 oktober 2023, p. 41 e.v.
7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 5 maart 2024, p. 65 e.v.
8 Het proces-verbaal FO Verkeer van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 24 oktober 2023, p.
168 en 180-187.
9 Het proces-verbaal FO Verkeer van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 24 oktober 2023, p.
192.
10 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 4 december 2023 p. 33.
11 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] d.d. 7 november
2023, p. 39
12 Het deskundigenrapport van [ziekenhuis] van dr. [arts] d.d. 27 oktober 2023, p. 107-108.
13 De vertaling van de geneeskundige verklaring van 3 juni 2024 van [vertaler] , als aanvullend proces-
verbaal opgenomen in het dossier.
14 De vertaling van de geneeskundige verklaring van 3 juni 2024 van [vertaler] , als aanvullend proces-
verbaal opgenomen in het dossier.
15 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 13 juni 2024, als aanvullend
proces-verbaal opgenomen in het dossier.
16 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 oktober 2023, p. 203 e.v.
17 HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398.