ECLI:NL:RBNNE:2026:430

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
18/161505-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verkrachting, veroordeling ontucht en verspreiden kinderporno

De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 17 februari 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van verkrachting van een minderjarige, ontuchtige handelingen met een ander minderjarig slachtoffer en het vervaardigen, bezitten en verspreiden van kinderporno.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit van verkrachting wegens onvoldoende steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer. Wel werd verdachte veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde feit van ontuchtige handelingen met een 15-jarig meisje, waarbij sprake was van een ongelijkwaardige relatie en strijd met de sociaal-ethische norm.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor het verspreiden en bezitten van visuele weergaven van seksuele aard met een minderjarige betrokkene, waarbij het vervaardigen en bezit tijdens de relatie niet strafbaar werd geacht vanwege instemming en geringe leeftijdsverschil, maar het latere bezit en verspreiden wel.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 181 dagen op, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en een taakstraf van 180 uur. Tevens werd een schadevergoeding van €3.072,71 aan het slachtoffer toegekend, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van verkrachting, veroordeeld voor ontucht en verspreiden kinderporno met deels voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/161505-24
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/130587-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.L. van Onna, advocaat te Franeker. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door officier van justitie
mr. S. Broekstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
In de zaak met parketnummer 18/161505-24
hij op of omstreeks de periode van 20 juni 2020 te [plaatsnaam] , in de gemeente Waadhoeke, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere
feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestond(en) uit of mede
bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte
- zijn (ontblote) penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en/of
(vervolgens) heen- en weergaande bewegin(gen) gemaakt en zodoende geslachtsgemeenschap met die [slachtoffer 1] gehad en/of
  • de (bedekte en/of onbedekte) borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1] betast/aangeraakt en/of
  • zijn (ontblote) penis door die [slachtoffer 1] laten vastpakken en/of zich door die [slachtoffer 1] heeft laten aftrekken,
bestaande dat geweld (onder meer) hierin, dat verdachte
- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, tegen haar ribben en/of in haar zij,
althans tegen haar lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of tegen haar lichaam heeft geschopt en/of
  • die [slachtoffer 1] heeft gebeten en/of
  • ( onder)kleding van die [slachtoffer 1] heeft uitgetrokken en/of
  • die [slachtoffer 1] dwingend de woorden heeft toegevoegd zakelijk weergegeven-
dat zij zich niet zo moest aanstellen en/of dat ze oud genoeg was en/of bestaande die (andere) feitelijkhe(i)d(en) (onder meer) hierin, dat hij, verdachte
voornoemde handeling(en) heeft gepleegd op een moment dat die [slachtoffer 1] bij hem thuis op de slaapkamer was en/of hij, verdachte, de slaapkamerdeur op slot had gedaan,
opzettelijk gebruik, althans misbruik heeft gemaakt, van het uit (een) feitelijke verhouding voortvloeiend psychisch en/of fysiek overwicht van hem, verdachte op die [slachtoffer 1] ,
waardoor die [slachtoffer 1] zich niet tegen de seksuele handeling(en) van hem, verdachte, kon en/of durfde te verzetten en/of onttrekken, althans (telkens) geen weerstand kon en/of durfde te bieden aan verdachtes voornoemde seksuele handeling(en);
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 juni 2020 te [plaatsnaam] , in de gemeente , in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer
ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het
- brengen/duwen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of
(vervolgens) met zijn penis maken van heen- en weergaande beweging(en) in de vagina van die [slachtoffer 1] , althans het hebben van geslachtsgemeenschap met die [slachtoffer 1] en/of
  • betasten/aanraken van de (bedekte en/of onbedekte) borsten en/of vagina van die [slachtoffer 1] en/of
  • laten vastpakken van zijn (ontblote) penis door die [slachtoffer 1] en/of zich door die [slachtoffer 1] zogenoemd laten aftrekken.
In de zaak met parketnummer 18/130587-25
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2020 tot en met 6 november 2024 te [plaatsnaam] , in elk geval in Nederland
in de periode van 11 juli 2020 tot en met 30 juni 2024 (artikel 240b Wetboek van Strafrecht)
een of meer afbeeldingen en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen waarbij [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2004), in elk geval een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en/of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en/of aangeboden en/of vervaardigd en/of verworven en/of in bezit heeft gehad
en/of in de periode van 1 juli 2024 tot en met 6 november 2024 (artikel 252 Wetboek Pro van Strafrecht) een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en/of aangeboden en/of vervaardigd
en/of verworven en/of in bezit heeft gehad
te weten afbeeldingen van seksuele aard waarop te zien is dat
  • die persoon oraal en/of vaginaal wordt gepenetreerd met een penis en/of
  • dat bij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd
en/of
- bij/op het gezicht en/of lichaam van die persoon sperma wordt gespoten
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11-07-2020 tot en met 6-11-2024 te [plaatsnaam] , gemeente De Wolden, in elk geval in Nederland
in de periode van 11 juli 2020 tot en met 30 juni 2024 (artikel 139h Wetboek van Strafrecht)
van een persoon, [slachtoffer 2] ,
een afbeelding van seksuele aard, te weten een of meer video('s), waarop te zien is dat
  • die persoon oraal en/of vaginaal wordt gepenetreerd met een penis en/of
  • dat bij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en/of
  • bij/op het gezicht en/of lichaam van die persoon sperma wordt gespoten
openbaar heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat die openbaarmaking voor die persoon nadelig kon zijn
in de periode van 1 juli 2024 tot en met 6 november 2024 (artikel 254ba Wetboek van Strafrecht) een visuele weergave van seksuele aard te weten een of meer video('s) van een persoon te weten [slachtoffer 2] waarop te zien was dat
  • die persoon oraal en/of vaginaal wordt gepenetreerd met een penis en/of
  • dat bij/op het gezicht en/of het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en/of
  • bij/op het gezicht en/of lichaam van die persoon sperma wordt gespoten
openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [slachtoffer 2] kon zijn.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
In de zaak met parketnummer 18/161505-24
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] betrouwbaar zijn en bovendien steun vinden in het dossier. Voor het geval de rechtbank dit niet bewezen acht, vordert de officier van justitie
veroordeling voor het subsidiair ten laste gelegde feit. Er is geen sprake van een gelijkwaardige relatie waardoor het ontuchtige karakter van de handelingen ontbreekt.
In de zaak met parketnummer 18/130587-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
In de zaak met parketnummer 18/161505-24
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde feit, omdat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] onbetrouwbaar zijn en het bovendien ontbreekt aan steunbewijs voor die verklaringen.
Ook heeft de raadsvrouw verzocht verdachte vrij te spreken van het subsidiair ten laste gelegde feit. Volgens de verdediging zijn de verrichte seksuele handelingen -die verdachte niet ontkent- niet in strijd met de sociaal-ethische norm, zodat de seksuele handelingen geen ontuchtig karakter dragen.
In de zaak met parketnummer 18/130587-25
De raadsvrouw heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit het volgende aangevoerd.
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging ten aanzien van het
vervaardigen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte heeft bekend dat hij samen met aangeefster [slachtoffer 2] het beeldmateriaal in de periode tot uiterlijk december 2022 (beëindiging relatie) heeft vervaardigd, maar dat daarmee geen sprake is van een strafbaar feit. Het vervaardigen is gebeurd met medeweten en instemming van aangeefster [slachtoffer 2] , tijdens hun relatie, waarbij sprake was van een gering leeftijdsverschil.
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken ten aanzien van het
in bezit hebben. Verdachte had het beeldmateriaal met uitdrukkelijke instemming van aangeefster [slachtoffer 2] in zijn bezit en uit het dossier blijkt niet dat verdachte het beeldmateriaal langer dan gedurende de relatie met aangeefster [slachtoffer 2] heeft bewaard.
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken ten aanzien van het
verwerven, omdat verdachte het beeldmateriaal heeft gekregen in een Telegram-groep en deze niet heeft gedownload.
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het
aanbieden, omdat verdachte het beeldmateriaal nooit had doorgestuurd als hij dit niet zelf had gekregen en het beeldmateriaal bovendien niet op eigen initiatief naar getuige [getuige 1] heeft gestuurd.
Tot slot heeft de raadsvrouw aangevoerd dat maximaal twee keer
verspreidenvan het beeldmateriaal in een korte periode van hooguit een week kan worden bewezenverklaard.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak: primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18/161505-24
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer feit 18/161505-24 niet bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Aangeefster [slachtoffer 1] en verdachte hebben -kort gezegd en zakelijk weergegeven- het volgende verklaard. Aangeefster heeft verklaard dat zij door geweld en andere feitelijkheden door verdachte is gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen. Zo zou verdachte haar meermalen hebben geslagen, onder andere tegen haar ribben, haar hebben gebeten, haar kleding hebben uitgetrokken, haar dwingend hebben toegesproken en zijn slaapkamerdeur op slot hebben gedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad seksuele handelingen met aangeefster heeft verricht, maar dat zij dit ook wilde.
Verdachte heeft alle door aangeefster genoemde dwanghandelingen stellig ontkend.
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken bewijstechnisch lastige zaken zijn, omdat het veelal gaat om het woord van de ene tegen het woord van de andere. Dat geldt ook voor deze zaak, waarin aangeefster heeft verklaard dat sprake was van dwang, terwijl verdachte dat heeft ontkend. De vraag is dan ook of er ondanks deze ontkennende verklaring van verdachte voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat sprake is geweest van de door aangeefster gestelde dwang en daarmee van verkrachting.
Artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit kan komen op basis van uitsluitend één getuigenverklaring. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv Pro de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Om tot een bewezenverklaring van het primaire feit te kunnen komen, moet er dus sprake zijn van zogenoemd steunbewijs voor de verklaringen van in dit geval aangeefster. De rechtbank is van oordeel dat dit steunbewijs onvoldoende aanwezig is, en overweegt hiertoe als volgt.
Er zijn in deze zaak een aantal personen als getuige gehoord, te weten [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . Ten aanzien van getuige [getuige 2] , de psycholoog van aangeefster, is de rechtbank van oordeel dat haar verklaring niet als steunbewijs kan gelden. Deze getuige heeft enkel verklaard over wat zij van aangeefster heeft gehoord. Daarmee is deze verklaring van horen zeggen terug te herleiden tot de verklaringen van aangeefster, terwijl voor die verklaring nu juist steun dient te worden gezocht.
Ook de verklaring van [getuige 3] , de huisarts van aangeefster, biedt geen steun aan de verklaring van aangeefster. Gedeeltelijk betreft dit een verklaring van horen zeggen, terug te herleiden tot aangeefster. Daarnaast heeft deze getuige verklaard dat aangeefster een paar dagen na de seksuele handelingen met verdachte bij getuige kwam met een soort griepbeeld en koorts. De rechtbank kan op basis van deze verklaring echter niet vaststellen waardoor deze griepklachten zijn ontstaan en of deze passen bij het scenario van aangeefster dat sprake was van dwang. De getuige heeft bovendien geen uitwendig letsel waargenomen.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat ook de verklaring van [getuige 4] , de vader van verdachte, de verklaring van aangeefster niet ondersteunt. Getuige heeft geen herinneringen aan de bewuste dag.
Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen getuigenverklaringen in het dossier aanwezig zijn die als steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster kunnen gelden.
Aangeefster heeft bij de politie fotos aangeleverd en daarbij aangegeven dat hierop te zien is dat zij blauwe plekken op haar lichaam heeft die het gevolg zijn van de verkrachting. De rechtbank is ten aanzien van deze fotos eveneens van oordeel dat deze niet als steunbewijs kunnen dienen. Het is namelijk niet duidelijk wanneer deze fotos zijn gemaakt, nu deze niet is voorzien van een vervaardigingsdatum.
Verder zitten er chatgesprekken tussen aangeefster en haar moeder en aangeefster en haar nicht in het dossier. De rechtbank is ook hier van oordeel dat deze chatberichten in onvoldoende mate steun bieden aan de verklaring van aangeefster. Een deel van de chatberichten is door aangeefster zelf verstuurd, terwijl nu juist voor haar verklaring steun in een andere bron moet worden gezocht. Het andere deel van de chatberichten is verstuurd door de moeder en nicht van aangeefster, maar bevat geen eigen waarneming van de moeder of nicht ten aanzien van de door aangeefster genoemde dwanghandelingen.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de verklaring van aangeefster onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal. Daarom zal zij verdachte van het primair ten laste gelegde feit vrijspreken.
Veroordeling: subsidiair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18/161505-24Bewijsmiddelen
De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18/161505-24 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van dit feit de redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 3 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Op 20 juni 2020 heb ik op mijn slaapkamer in [plaatsnaam] seks gehad met [slachtoffer 1] . Het begon met strelen over de kleding, daarna eronder. Vervolgens hebben we gezoend en seks gehad. Met seks bedoel ik penetratie met mijn penis in haar vagina. We hadden vanaf begin juni 2020 een relatie met elkaar. [slachtoffer 1] en ik hebben elkaar begin juni 2020 op Terschelling gezien en op 20 juni 2020 hebben wij elkaar nogmaals fysiek gezien. Zij kwam vanaf Terschelling met de boot naar Harlingen en ik heb haar met mijn vader met de auto opgehaald. We zijn naar mijn ouderlijk huis in [plaatsnaam] gegaan. We hadden nog niet eerder seks gehad. Ik had daarvoor al wel vaker seks gehad. [slachtoffer 1] heeft mij in die periode verteld over een vervelende seksuele ervaring met een ex-vriendje. Ik heb haar gezegd dat dat bij mij niet zou gebeuren en dat ik ervoor zou zorgen dat zij weer vertrouwen gaat opbouwen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 januari 2024, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Eenheid Noord-Nederland, Dienst Regionale Recherche met nummer 2023-329191 d.d. 1 mei 2024, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Geboren: [geboortedatum] 2005
Op 20 juni 2020 ging ik naar [verdachte] in [plaatsnaam] . Ik was toen 15 jaar en hij 18 jaar. Op zijn slaapkamer ging hij aan mij zitten, op plekken die ik niet wilde, mijn borsten en vagina zitten. Toen zei ik: “ik wil dat niet”. Daarna is hij wel doorgegaan, tegen mijn zin in. Ik moest hem aftrekken. Ik bleef maar
herhalen dat ik het niet wilde. Hij nam daar geen genoegen mee. Hij zei dat ik oud genoeg was. Toen is hij met zijn geslachtsdeel in mijn vagina gegaan en ging hij op en neer met zijn lichaam. Het was mijn eerste keer. [verdachte] kon weten dat ik de seks niet wilde doordat ik het duidelijk aangaf, meerdere keren, het weerstand geven van het uittrekken van mijn kleding, dat we een week daarvoor een gesprek daarover hadden.
Bewijsoverweging
De verdediging heeft aangevoerd dat de seksuele handelingen niet in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, zodat de seksuele handelingen geen ontuchtig karakter dragen, waardoor verdachte moet worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde feit.
De rechtbank stelt het volgende criterium van de Hoge Raad voorop. Blijkens de wetsgeschiedenis strekt artikel 245 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), zoals aan verdachte subsidiair is ten laste gelegd, tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Artikel 245 Sr Pro beschermt deze jeugdige personen ook tegen verleiding die mede van henzelf kan uitgaan.
Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Een scherpe afgrenzing van dergelijke omstandigheden valt in haar algemeenheid niet te geven. Zoals uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt, heeft de wetgever bij de totstandkoming van artikel 245 Sr Pro in dit opzicht als maatstaf voor ogen gestaan of de desbetreffende seksuele handeling algemeen als sociaal-ethisch is aanvaard.1
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en aangeefster in dit geval wel in strijd zijn met de sociaal-ethische norm en daarmee dus als ontuchtig moeten worden aangemerkt. De rechtbank wijst daarbij op de volgende feiten en omstandigheden.
Begin juni 2020 leerden de toen 15-jarige aangeefster en de toen 18-jarige verdachte elkaar kennen. Op dat moment woonde aangeefster op het eiland Terschelling en verdachte op het vaste land in Friesland. Ze vonden elkaar leuk en kregen een relatie. Eerst kwam verdachte naar aangeefster op Terschelling. De tweede fysieke afspraak was op 20 juni 2020. Aangeefster kwam met de boot naar het vaste land en werd opgehaald door verdachte en zijn vader, waarna zij naar het ouderlijk huis van verdachte zijn gegaan.
Daar hebben zij op de slaapkamer van verdachte seksuele handelingen verricht. De rechtbank overweegt dat aangeefster in de periode voor het ten laste gelegde terughoudend was met lichamelijk contact. Dit volgt zowel uit de verklaring van aangeefster als van verdachte, hoewel zij hier andere redenen voor noemen. Aangeefster heeft zelf verklaard dat vóór 20 juni 2020 nog geen sprake was van zoenen of andere seksuele handelingen met verdachte. Dat wilde zij nog niet, omdat zij zichzelf nog te jong vond. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat aangeefster hem vóór 20 juni 2020 had verteld over een vervelende seksuele ervaring met een ex-vriendje. Daarop heeft verdachte geantwoord dat dit bij hem niet zou gebeuren en dat hij ervoor zou zorgen dat zij weer vertrouwen gaat opbouwen.
Gelet op het leeftijdsverschil tussen verdachte en aangeefster, de terughoudendheid dan wel kwetsbaarheid van aangeefster, het grote verschil in de fase van seksuele ontwikkeling waarin verdachte en aangeefster zich bevonden, de korte periode van de relatie, waarbij op 20 juni 2020 pas de tweede fysieke ontmoeting tussen verdachte en aangeefster was, er niet eerder seksuele handelingen hadden plaatsgevonden en aangeefster meermalen aan verdachte te kennen heeft gegeven dat ze dat niet wilde en de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden bij verdachte thuis waar aangeefster voor het eerst
was, in de beslotenheid van zijn slaapkamer en waar zij niet zomaar naar huis kon aangezien zij met de auto naar de boot moest worden gebracht om weer terug te kunnen naar het eiland, oordeelt de rechtbank dat geen sprake is geweest van gelijkwaardigheid tussen aangeefster en verdachte en dat door verdachte is gehandeld in strijd met de sociaal-ethische norm. In dit geval was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een gezamenlijk experimenteren met seks, hetgeen artikel 245 Sr Pro gelet op de wetsgeschiedenis niet beoogde te verbieden, maar van misbruik door verdachte van aangeefster ter bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. De rechtbank merkt deze seksuele handelingen dan ook aan als ontuchtig, zodat een veroordeling voor dit feit volgt.
Veroordeling: primaire feit in de zaak met parketnummer 18/130587-25Bewijsmiddelen
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18/130587-25 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van dit feit de redengevende feiten en omstandigheden bevatten, zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 3 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
[slachtoffer 2] en ik heb samen filmpjes gemaakt van toen wij seksuele handelingen verrichtten. Zij was toen 16 à 17 jaar oud. Ik heb die filmpjes doorgestuurd naar anderen. Het klopt dat ik op Telegram de gebruikersnaam “ [gebruikersnaam] ” had.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 december 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Eenheid Noord-Nederland, Dienst Regionale Recherche, met nummer NNRBC25031 d.d. 3 april 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :
Plaats delict: [plaatsnaam]
Geboren: [geboortedatum] 2004
[getuige 1] had op 6 november 2024 filmpjes van mij gevonden op Telegram. [getuige 1] heeft mij de filmpjes die op Telegram stonden gestuurd. In totaal waren het tussen de 10 en 12 filmpjes. In het filmpje wat ik heb gezien is dat [verdachte] mij aan de voorkant penetreert. Ik weet dat ik dit ben, omdat ik nog wel weet dat wij het toen samen hebben gedaan en dat hij daar een filmpje van heeft gemaakt. Ik vond dat toen goed. Hij zei toen dat het voor hem zelf bleef en dat hij dat niet ging verspreiden. Ik was 16 of 17 jaar toen dit filmpje werd gemaakt. [verdachte] is mijn ex-partner en wij hadden een relatie van 11 juli 2020 tot 24 december 2022. Ook had [getuige 1] een filmpje waarop ik [verdachte] aftrek en dat [verdachte] klaarkomt in mijn gezicht.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 6 januari 2025, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Ik ben het, anderhalf tot twee maanden geleden, online op Telegram tegengekomen. Ik herkende [slachtoffer 2] op een video en ik heb contact met haar opgenomen. Ik heb gezegd dat ik een naaktfilmpje van haar was tegen gekomen en heb dat filmpje naar haar doorgestuurd. Ik zocht contact met
“ [gebruikersnaam] ” op Telegram en stuurde hem een privé berichtje. Ik heb in totaal een stuk of zes, zeven, filmpjes gekregen. Ik herkende de hele tijd het gezicht van [slachtoffer 2] . Qua seksuele handelingen zag ik pijpen, gewoon neuken, gewoon echt seks.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht bewezen dat verdachte in de periode van 11 juli 2020 tot en met 24 december 2022 het beeldmateriaal heeft vervaardigd en daarna in bezit heeft gehad, totdat de relatie op 24 december
2022 eindigde. Verdachte heeft verklaard de filmpjes rond dat moment te hebben verwijderd. Niet kan worden bewezen dat hij de filmpjes ook na het beëindigen van de relatie in zijn bezit is blijven houden, noch dat hij de filmpjes in de bewezenverklaarde periode zou hebben verspreid.
Verder acht de rechtbank bewezen dat verdachte vervolgens in de periode van 1 juli 2024 tot en met 6 november 2024 het beeldmateriaal (opnieuw) in bezit heeft gehad en heeft verspreid. Verdachte heeft daarnaar gevraagd door de politie verklaard dat het klopt dat hij in een privé chat met getuige [getuige 1] nog meer filmpjes heeft doorgestuurd en dat hij deze in een andere chat had gekregen. De rechtbank leidt hieruit af dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte deze filmpjes in deze periode dus ook in zijn bezit heeft gehad en op verzoek van de getuige vervolgens heeft doorgestuurd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het subsidiaire feit in de zaak met parketnummer 18/161505-24 en het primaire feit in de zaak met parketnummer 18/130587-25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
In de zaak met parketnummer 18/161505-24
hij op 20 juni 2020 te [plaatsnaam] met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2005, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten het
  • brengen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en vervolgens met zijn penis maken van heen- en weergaande bewegingen in de vagina van die [slachtoffer 1] , en
  • aanraken van de bedekte en onbedekte borsten en vagina van die [slachtoffer 1] en
  • laten vastpakken van zijn ontblote penis door die [slachtoffer 1] en zich door die [slachtoffer 1] zogenoemd laten aftrekken.
In de zaak met parketnummer 18/130587-25
hij in de periode van 11 juli 2020 tot en met 6 november 2024 te [plaatsnaam] ,
in de periode van 11 juli 2020 tot en met 24 december 2022 (artikel 240b Wetboek van Strafrecht)
afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2004), was betrokken, heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad
en
in de periode van 1 juli 2024 tot en met 6 november 2024 (artikel 252 Wetboek Pro van Strafrecht)
visuele weergaven van seksuele aard, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] , was betrokken, heeft verspreid en in bezit heeft gehad
te weten afbeeldingen van seksuele aard waarop te zien is dat
  • die persoon oraal en vaginaal wordt gepenetreerd met een penis, en
  • op het gezicht van die persoon sperma wordt gespoten.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

In de zaak met parketnummer 18/130587-25
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging voor
-kort gezegd- het vervaardigen van het beeldmateriaal, omdat het bewezenverklaarde geen strafbaar feit oplevert. Bij de beoordeling daarvan stelt de rechtbank het volgende criterium van de Hoge Raad voorop.
De Hoge Raad stelt dat, mede gelet op de wetsgeschiedenis, moet worden aangenomen dat artikel 240b Sr te ruim is geredigeerd, in die zin dat deze bepaling ook gevallen bestrijkt waarin volgens de wetgeschiedenis strafrechtelijke aansprakelijkstelling achterwege kan of dient te blijven. Relevante factoren voor het bepalen van dergelijke gevallen zouden daarbij in het bijzonder zijn de concrete gedraging van de verdachte, de leeftijd van de betrokkenen, de instemming van de betrokkenen en het ontbreken van enige aanwijzing voor een risico van verspreiding van de afbeelding(en) onder anderen dan de betrokkenen.
Bij deze stand van zaken is het aan de strafrechter om - ook al is voldaan aan alle bestanddelen van artikel 240b Sr - in het soort gevallen dat is genoemd in de wetsgeschiedenis, aan de hand van factoren als hiervoor genoemd, de vraag onder ogen te zien of het gedrag van de verdachte, alle omstandigheden in aanmerking genomen, van dien aard is dat het moet worden gekwalificeerd als het in die bepaling als misdrijf tegen de zeden strafbaar gestelde feit, en ingeval die vraag ontkennend wordt beantwoord, de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging op de grond dat het bewezenverklaarde niet een strafbaar feit oplevert.2
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat de gedragingen van verdachte voor zover deze hebben plaatsgevonden in de periode dat hij een relatie met aangeefster [slachtoffer 2] had niet van dien aard zijn dat deze moeten worden gekwalificeerd als het in artikel 240b Sr als misdrijf tegen de zeden strafbaar gestelde feit. De rechtbank heeft hierbij gelet op het geringe leeftijdsverschil, de instemming van zowel verdachte als aangeefster [slachtoffer 2] bij de vervaardiging, de afspraak dat het beeldmateriaal privé zou blijven wat tijdens deze relatie ook zou zijn gebeurd en het feit dat zij een bestendige relatie hadden. Dit betekent dat de rechtbank verdachte ontslaat van alle rechtsvervolging, op de grond dat het in de periode van 11 juli 2020 tot en met 24 december 2022 vervaardigen (en vervolgens bezitten) van afbeeldingen van seksuele gedragingen, waarbij de minderjarige aangeefster [slachtoffer 2] was betrokken, geen strafbaar feit oplevert.
Wel is de rechtbank van oordeel dat het in de periode van 1 juli 2024 tot en met 6 november 2024 bezitten en verspreiden van visuele weergaven van seksuele aard en onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] , was betrokken, een strafbaar feit oplevert.
Het bewezen verklaarde levert op:
In de zaak met parketnummer 18/161505-24
subsidiair: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;
In de zaak met parketnummer 18/130587-25
primair: het verspreiden en in bezit hebben van een visuele weergave van seksuele aard, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt is betrokken.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primaire feit in de zaak met parketnummer 18/161505-24 en het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18/130587-25 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de volgende strafmaatverweren gevoerd.
De verdediging is van mening dat voor het verspreiden van het beeldmateriaal met aangeefster [slachtoffer 2] een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden moet volgen.
Indien de rechtbank van oordeel is dat het subsidiair ten laste gelegde feit met aangeefster [slachtoffer 1] bewezen kan worden, verzoekt de raadsvrouw om daarvoor een taakstraf van 120 uren op te leggen. Naar het oordeel van de verdediging is het taakstrafverbod niet aan de orde.
De raadsvrouw heeft verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, omdat verdachte dan zijn huis en baan zou verliezen.
Ten aanzien van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden is de verdediging van oordeel dat het van belang is om de meldplicht en de ambulante behandeling op te leggen, omdat verdachte zelf heeft aangegeven hulp te willen. Daarentegen heeft de verdediging zich verzet tegen oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarde “Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik”, omdat hieruit ten onrechte en ongefundeerd het beeld naar voren komt dat verdachte moeite heeft om weg te blijven van kinderporno.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2026 en het rapport van Reclassering Nederland van 26 januari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
In 2020 heeft de toen 18-jarige verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van 15 jaar, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare fase van hun leven, waarin zij nog niet in staat zijn om volledig te begrijpen en te verwoorden wat hun grenzen zijn en zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien. Verdachte is al op de tweede afspraak met het slachtoffer, toen zij voor het eerst bij hem thuis was, overgegaan tot het hebben van seks met het slachtoffer. Verdachte is daarmee volledig voorbijgegaan aan hoe het slachtoffer het opbouwen van lichamelijk contact met verdachte voor zich zag en wilde. Zij wilde het namelijk rustig aan doen. Dit terwijl verdachte haar nog had beloofd om haar geen vervelende seksuele ervaring te geven en haar vertrouwen te laten opbouwen. Daarmee heeft verdachte de lichamelijke integriteit en de seksuele ontwikkeling van het slachtoffer aangetast en verstoord en heeft hij zich enkel laten leiden door zijn eigen verlangens. Gelet op alle omstandigheden had de verdachte meer oog moeten hebben voor de ongelijkwaardigheid binnen hun relatie op dat moment.
In 2024 heeft de toen 22-jarige verdachte zich schuldig gemaakt aan het verspreiden van beeldmateriaal waarop seksuele handelingen van hem met zijn ex-vriendin te zien zijn. Ten tijde van het vervaardigen van dit beeldmateriaal was zijn ex-vriendin minderjarig, zodat verspreiding van dit beeldmateriaal te kwalificeren is als het verspreiden van kinderporno. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de morele en lichamelijke integriteit en privacy van het slachtoffer. De ervaring leert dat het moeilijk is om dergelijke beelden van internet te verwijderen. Bovendien heeft verdachte de beelden doorgestuurd naar onbekende personen, zodat hij geen controle meer heeft over waar deze beelden verder belanden. Het slachtoffer moet leven met de gedachte dat zij niet weet wie deze intieme beelden allemaal hebben gezien of nog krijgen te zien. Door het verspreiden van deze beelden, heeft verdachte ook een bijdrage geleverd aan de kinderporno-markt.
De rechtbank neemt verdachte deze feiten ernstig kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden
De reclassering signaleert dat verdachte over beschermende factoren beschikt. De belangrijkste steunbronnen zijn zijn ouders en zijn vriendin. Verder heeft hij werk, een inkomen en huisvesting en is er geen sprake van problematisch middelengebruik. Verdachte onderkent zijn beperkingen en zijn mentale kwetsbaarheid en staat open voor hulpverlening en begeleiding. Hij is impulsief en niet altijd goed in staat om situaties goed aan te voelen en in te schatten. Daarnaast heeft hij beperkte oplossingsvaardigheden en een rigide denkpatroon. Ook heeft hij (ernstig) depressieve periodes, al dan niet met suïcidale gedachten.
De reclassering ziet aanwijzingen voor seksueel normoverschrijdend gedrag, dat als zorgelijk beschouwd wordt. De risicos op recidive en letsel worden ingeschat als gemiddeld. Het risico op onttrekking aan
voorwaarden wordt ingeschat als laag.
De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: 1) meldplicht, 2) ambulante behandeling en 3) vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik. Verder schrijft de reclassering dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf mogelijk kan leiden tot het verlies van werk en inkomen. Er kan een preventieve werking uitgaan van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Indien een taakstraf wordt opgelegd, dan mag verdachte in staat worden geacht deze uit te kunnen voeren.
Ter terechtzitting van 3 februari 2026 werd duidelijk dat verdachte al consequenties van zijn handelen heeft ondervonden. Naar aanleiding van de verdenking kon verdachte niet meer bij zijn ouders blijven wonen, omdat zijn moeder een gastouderbureau heeft en verdachte niet meer over een verklaring omtrent gedrag beschikte. De rechtbank heeft ter terechtzitting gezien dat dit verdachte veel verdriet doet.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel een flinke onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Daarbij heeft de rechtbank ook gekeken naar de oriëntatiepunten van het LOVS. Gelet op de ouderdom van de feiten, de jonge leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten en het advies van de reclassering, zal de rechtbank daartoe echter niet overgaan. Daarbij heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het gegeven dat verdachte al consequenties van zijn handelen heeft ondervonden, doordat hij niet meer bij zijn ouders kon wonen.
De rechtbank zal wel een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag opleggen, nu het taakstrafverbod aan de orde is. De raadsvrouw heeft daarop verweer gevoerd, maar het verspreiden van kinderporno ex artikel 252 Sr Pro is genoemd in artikel 22b lid 1 onder b Sr. De rechtbank is van oordeel dat zij daarom niet om het taakstrafverbod heen kan.
Daarnaast ziet de rechtbank in het recidiverisico en de ernst van de feiten aanleiding om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en wel voor de duur van 180 dagen. Daaraan zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde meldplicht en ambulante behandeling koppelen als bijzondere voorwaarde. Voor de geadviseerde derde voorwaarde, te weten het vermijden van digitale omgevingen seksueel kindermisbruik, ziet de rechtbank geen aanleiding. De feiten in deze zaak gaan beide over minderjarigen waarmee de jongvolwassen verdachte op dat moment een relatie had. Niet is gebleken dat verdachte actief op zoek is gegaan naar of behoefte heeft aan kinderporno.
Verder is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook op dit moment nog de strafrechtelijke consequenties van zijn handelen moet ervaren. Dit zal de rechtbank doen door middel van het opleggen van een taakstraf van 180 uren.

Benadeelde partij

In de zaak met parketnummer 18/161505-24
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.731,36 ter vergoeding van materiële schade en 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum
waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Primair heeft de verdediging, gelet op de bepleite vrijspraak, verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding te matigen. Ten aanzien van de gevorderde materiële schadevergoeding heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van rechtstreekse schade.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Kosten bezoeken psycholoog
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade voor:
  • het eigen risico zorgverzekering 2024;
  • het eigen risico zorgverzekering 2025, en
  • reiskosten,
voor bezoeken aan de psycholoog, heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair in de zaak met parketnummer 18/161505-24 bewezen verklaarde. De rechtbank is van oordeel dat alle kosten die betrekking hebben op bezoeken aan een psycholoog, rechtstreekse schade zijn, toegebracht door het bewezen verklaarde feit. Dat de benadeelde partij ook kampte met andere problematiek, maakt dit niet anders nu uit de stukken van de psycholoog duidelijk blijkt dat zij is behandeld naar aanleiding van dit feit.
De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 juni 2020.
Kosten bezoeken ziekenhuis
Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast te stellen dat de kosten voor de boot en de autohuur, voor bezoeken aan het ziekenhuis, rechtstreeks het gevolg zijn van het subsidiair in de zaak met parketnummer 18/161505-24 bewezen verklaarde. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Kosten voortijdige beëindiging opleiding
Ten aanzien van de kosten voor het voortijdig beëindigen van de opleiding is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat dit het gevolg is geweest van onderhavig feit. Aanhouding van de zaak om alsnog aan te tonen dat er sprake is van rechtstreekse schade levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vordering voor dit deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Reiskosten vervolg procedure
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de gevorderde reiskosten voor het vervolg van de procedure niet heeft gemaakt. De benadeelde partij was ter terechtzitting van 3 februari 2026 niet aanwezig. De vordering zal dan ook op dit punt worden afgewezen.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair in de zaak met parketnummer 18/161505-24 bewezen verklaarde. De hoogte van de schade wordt naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld op 2.500,00. Hierbij heeft de rechtbank gekeken naar de toepasbare categorieën van de Rotterdamse schaal en hetgeen in dergelijke zaken doorgaans aan immateriële schade wordt toegekend. De rechtbank zal de
vordering tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2020, en het overige gedeelte van de vordering afwijzen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 245 (oud) en 252 (nieuw) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair in de zaak met parketnummer 18/161505-24 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair in de zaak met parketnummer 18/161505-24 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart het primair in de zaak met parketnummer 18/130587-25 ten laste gelegde bewezen, gedeeltelijk (ten aanzien van de periode 11 juli 2024 tot en met 6 november 2024) te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar
en
gedeeltelijk (ten aanzien van de periode van 11 juli 2020 tot en met 24 december 2022) niet te kwalificeren en niet strafbaar zoals voormeld en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
2 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
dat veroordeelde zich binnen 3 werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, locatie [adres] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;
dat veroordeelde zich, zolang de reclassering dat nodig vindt, laat behandelen door de Forensische Polikliniek GGZ Friesland of een door de reclassering te bepalen soortgelijke zorgverlener, gericht op diagnostisch onderzoek, delict-analyse en het opstellen van een terugvalpreventieplan. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.
Ten aanzien van het subsidiaire feit in de zaak met parketnummer 18/161505-24
Wijstde vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] toetot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 3.072,71 (zegge: drieduizend tweeënzeventig euro en eenenzeventig cent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 juni 2020 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de
benadeelde partij[slachtoffer 1]
niet-ontvankelijkis in de vordering voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor kosten voor de boot en de autohuur à 354,65.
Verklaart de
vorderingvan [slachtoffer 1] voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor kosten voortijdige beëindiging opleiding a 654,00
niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wijstde vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor reiskosten vervolg procedure en het overige gedeelte van de gevorderde vergoeding voor immateriële schade a 2.650,00
af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.072,71 (zegge: drieduizend tweeënzeventig euro en eenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2020 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 572,71 aan materiële schade en 2.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. L.F. Beitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 februari 2026.
De griffier en mr. A. Dijkstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4794, r.o. 2.6.
2 HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:213, r.o. 2.6.1. & 2.6.2.