ECLI:NL:RBNNE:2026:477

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
18-323566-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en bedreiging met oplegging tbs met voorwaarden

Op 10 oktober 2024 heeft verdachte in Dokkum zijn zus (slachtoffer 1) aangevallen door haar van de fiets te trekken, haar hoofd meerdere keren tegen de grond te slaan, haar keel met een sjaal en handen dicht te drukken waardoor zij buiten bewustzijn raakte, en haar meerdere malen met een gebalde vuist op het hoofd te slaan. Tevens bedreigde hij haar en haar man (slachtoffer 2) met de dood.

De rechtbank acht de poging tot doodslag en de bedreiging wettig en overtuigend bewezen. Verdachte handelde met opzet, afgeleid uit de doodsbedreigingen en de aard van het geweld. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar vanwege een neurobiologische ontwikkelingsstoornis en gedragsstoornis, maar het recidiverisico is hoog. Daarom legt de rechtbank een gevangenisstraf van 20 maanden en tbs met voorwaarden op, met dadelijke uitvoerbaarheid.

De rechtbank wijst schadevergoedingen toe aan slachtoffer 1 van €5.383,61 (materieel en immaterieel) en aan slachtoffer 2 van €1.000 (immaterieel), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024. Verdachte krijgt een contact- en locatieverbod opgelegd via de tbs-maatregel en de maatregel ex artikel 38z Sr. De voorlopige hechtenis wordt geschorst zodra deze gelijk is aan de strafduur.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf en tbs met voorwaarden wegens poging tot doodslag en bedreiging, met toekenning van schadevergoedingen aan slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-323566-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat te Amsterdam.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Dokkum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
  • die [slachtoffer 1] met kracht van de fiets heeft getrokken, waardoor die [slachtoffer 1] met haar hoofd op de grond is gevallen en/of
  • die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en met haar hoofd op de grond heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] meermalen heen en weer heeft geschud, waardoor die [slachtoffer 1] met haar hoofd de grond heeft geraakt en/of
  • de keel van die [slachtoffer 1] met een sjaal en/of met de handen heeft vastgepakt en/of dichtgedrukt, waardoor die [slachtoffer 1] geen lucht meer kreeg en/of
  • die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist op het hoofd heeft geslagen en/of meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gedrukt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Dokkum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
  • die [slachtoffer 1] met kracht van de fiets heeft getrokken, waardoor die [slachtoffer 1] met haar hoofd op de grond is gevallen en/of
  • die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en met haar hoofd op de grond heeft geslagen en/of die [slachtoffer 1] meermalen heen en weer heeft geschud, waardoor die [slachtoffer 1] met haar hoofd de grond heeft geraakt en/of
  • de keel van die [slachtoffer 1] met een sjaal en/of met de handen heeft vastgepakt en/of dichtgedrukt, waardoor die [slachtoffer 1] geen lucht meer kreeg en/of
  • die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist op het hoofd heeft geslagen en/of meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gedrukt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2.
hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Dokkum, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood" en/of "ik steek je/ [slachtoffer 2] dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en van welke dreigende bewoordingen die [slachtoffer 2] later in kennis is gesteld.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het geweld van verdachte tegen aangeefster heeft in een kort tijdsbestek plaatsgevonden. Daarbij is geen sprake geweest van een langdurende druk op de hals, gebruik van een wapen of voortzetting van het geweld nadat aangeefster weerloos was. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat verdachte gedragingen heeft verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm waren gericht op de dood van aangeefster. Daarnaast lopen de getuigenverklaringen uiteen over de exacte positie van verdachte ten opzichte van aangeefster, de duur en aard van het vastpakken van haar hals en het al dan niet dichtknijpen van haar keel. Uit het letselverslag van 24 oktober 2024 blijkt niet van zodanig letsel aan de hals van aangeefster dat hieruit kan worden afgeleid dat er een aanmerkelijke kans op de dood was. Ook is niets bekend over de gevaarzetting van het handelen van verdachte. Op basis hiervan kan daarom niets worden gezegd over de kans op overlijden van aangeefster.
Gelet op de objectieve medische bevindingen, de wisselende getuigenverklaringen en de context van een impulsieve escalatie kan niet worden bewezen dat verdachte opzet, ook niet in de voorwaardelijke variant, heeft gehad op de dood van aangeefster.
Ten aanzien van het onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank

feit 1 primair: poging tot doodslag

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 10 oktober 2024, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024277987 van 17 oktober 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] :
Plaats delict: Dokkum Pleegdatum: 10 oktober 2024
Ik zag dat de auto vlak voor ons stopte, dit was midden op de weg. Ik zag dat er een manspersoon uitstapte. Ik had eerst niet in de gaten dat deze man mijn broer [verdachte] betrof. Ik
zag dat de man gelijk op mij afstapte. Ik hoorde de man gelijk schreeuwen: "Ik maak je dood", "Ik steek je dood", "Ik steek [slachtoffer 2] dood". Ik zag en voelde dat de man mij directe vastpakte en van mijn fiets aftrok. Ik hoorde dat [verdachte] bleef schreeuwen, hij zei dingen als: "Ik wil mijn geld en als ik het niet krijg, steek ik je dood". Ik voelde en zag dat de man mij bij mijn sjaal vastpakte
.Volgens mij heeft hij mij toen ook met de sjaal in zijn handen een keer hard met mijn hoofd tegen de straat aan geslagen. Toen ik op grond lag, had ik het gevoel dat ik gestikt werd. Dit gevoel kreeg ik doordat mijn sjaal twee kanten op werd getrokken. Ik voelde dat ik geen lucht meer kreeg. Voor mijn gevoel ben ik hierdoor een korte tijd buiten bewustzijn geraakt. Ik voel op dit moment veel pijn aan mijn keel en nek. Het slikken doet mij zeer, ook heb ik moeite met praten. Ook voel ik pijn op mijn achterhoofd.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 oktober 2024, opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
Ik zal dat de manspersoon met een gebalde vuist van boven eenmaal op de vrouw insloeg. Vervolgens ben ik op de man afgestapt en heb ik hem van de vrouw af begeleid. Ik zag dat de man nog meerdere keren probeerde opnieuw naar de vrouw toe te lopen, maar ik heb hem met woorden hiervan kunnen weerhouden.
Na een korte tijd zag ik dat de man richting zijn auto liep, instapte en wegreed. Ik zag na ongeveer een minuut dat de auto met de manspersoon de straat inreed, uitstapte en opnieuw richting de vrouw op de
grond liep. Het lukte mij vervolgens om hem weer met soortgelijke woorden bij mijn heg te laten staan.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 oktober 2024, opgenomen op pagina 74 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Ik zag dat hij met zijn linkerhand, de keel van een vrouw die half liggend op de straat lag, had omvat en dichtkneep. Ik zag dat hij met zijn rechterhand een gebalde vuist had gemaakt. Ik zag dat hij zijn vuist tegen de kaak van de vrouw drukte. Ik hoorde dat de man tegen de vrouw zei: "Ik maak je dood, als het nu niet is dan de volgende keer". Ik schreeuwde tegen de man dat hij de vrouw los moest laten. Ik zag dat hij haar losliet en dat de vrouw op de grond viel. Ze bleef op haar rug liggen. Ik zag dat ze helemaal slap was en dat haar ogen gesloten waren. Ze was buitenbewustzijn. Ik hoorde dat hij bleef schelden in de richting van de vrouw. Ik hoorde dat hij zei: "Ik ga je doodmaken, je bent een dief, je hebt mijn leven kapot gemaakt en ik heb niets van de erfenis gehad". Als ik niet tussen beide was gekomen, denk ik dat hij de vrouw op straat had vermoord. Ik zag dat hij de vrouw heel strak om de keel vasthield. Ik zag dat de vrouw hierdoor geen adem kon halen en hierdoor buitenbewustzijn raakte.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 oktober 2024, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :
Hij sleurde haar van de fiets af. Hij had haar vast en schudde haar een aantal keer hard en ruig heen en weer. Ik hoorde hem roepen: "Ik vermoord je/jullie, je hebt mijn leven kapot gemaakt."
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2024 opgenomen op pagina 51 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Tijdens het overbrengen van verdachte [verdachte] hoorden wij de verdachte zeggen
dat hij zijn zus toevallig tegenkwam en dat hij toen dacht: “Zij is van mij.” Wij hoorden de verdachte zeggen: “Ik snapte nooit waarom iemand een ander zou willen vermoorden, maar nu snap ik dat wel.”
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 12 oktober 2024 opgenomen op pagina 53 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Op 11 oktober 2024 hoorde ik [slachtoffer 2] zeggen dat zijn vrouw niet in staat was om aan de telefoon te komen. Zij kon op dat moment alleen maar fluisteren. Ik hoorde [slachtoffer 2] nog zeggen dat zijn vrouw ook moeite had met slikken op dat moment.
7. Een geneeskundige verklaring, op 22 oktober 2024 opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts in opleiding, voor zover inhoudend, als geneeskundige verklaring van [arts] :
Betrokkene: [slachtoffer 1] .
Datum onderzoek: 15 oktober 2024.
Bij het lichamelijk onderzoek gaf betrokkene aan pijn te hebben aan haar achterhoofd. Daar was een voelbare zwelling van de huid. De rechter voorzijde van de hals, waar de luchtpijp loopt, was pijnlijk bij aanraking en straalde door naar de binnenzijde van de hals. Betrokkene gaf aan meer pijn te hebben aan de binnenzijde van de hals bij een slikbeweging. De stemklank was gering rauw, dan wel gering hees.
Bewijsoverweging
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte aangeefster op 10 oktober 2024 in Dokkum zag fietsen. Hij heeft zijn auto vervolgens midden op de weg gestopt, is uitgestapt en direct naar aangeefster toegelopen. Daarbij heeft hij geschreeuwd dat hij haar dood zou maken. Vervolgens heeft verdachte aangeefster van haar fiets getrokken en haar vastgepakt. Verdachte heeft vervolgens druk uitgeoefend op de hals van aangeefster waardoor zij buiten bewustzijn is geraakt. Nadat aangeefster
buiten bewustzijn was geraakt en op straat lag, bleef verdachte tegen haar zeggen dat hij haar dood ging maken. Omstanders hebben er vervolgens voor gezorgd dat verdachte bij aangeefster weg kwam en tot tweemaal voorkomen dat hij weer naar haar toeging. Na zijn aanhouding heeft verdachte tegen de politie verklaard dat hij toen hij zijn zus zag dacht: “Zij is van mij” en dat hij nu begreep waarom iemand een ander zou vermoorden.
De rechtbank is op grond van de voornoemde vastgestelde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van aangeefster. De rechtbank leidt dit af uit de doodsbedreigingen die verdachte zowel voor, tijdens als na het geweld jegens aangeefster heeft geuit. Daarnaast leidt de rechtbank dit af uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handelingen van verdachte. Met name de verwurgingshandeling van verdachte is een typische geweldshandeling die gericht is op de dood. Daar komt bij dat verdachte de verwurgingshandeling met een dusdanige kracht heeft uitgevoerd, dat aangeefster hierdoor buiten bewustzijn is geraakt en dagen erna nog een hese stem heeft gehad.
De rechtbank zal het onder 1. primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen verklaren.

Feit 2: bedreiging

De rechtbank acht het onder 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 januari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 10 oktober 2024, opgenomen op pagina 41 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024277987 van 17 oktober 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van aangifte van 18 november 2024 met nummer 241118-214-507 van 18 november 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 10 oktober 2024 te Dokkum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,
  • [slachtoffer 1] met kracht van de fiets heeft getrokken, en
  • [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en met haar hoofd op de grond heeft geslagen en/of [slachtoffer 1] meermalen heen en weer heeft geschud, waardoor [slachtoffer 1] met haar hoofd de grond heeft geraakt en
  • de keel van [slachtoffer 1] met een sjaal en/of met de handen heeft vastgepakt en/of dichtgedrukt, waardoor [slachtoffer 1] geen lucht meer kreeg en
- [ [slachtoffer 1] met gebalde vuist op het hoofd heeft geslagen en/of met gebalde vuist tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gedrukt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 10 oktober 2024 te Dokkum, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , door [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je dood" en "ik steek je/ [slachtoffer 2] dood", van welke dreigende bewoordingen [slachtoffer 2] later in kennis is gesteld.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot doodslag
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Motivering van de op te leggen straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden en dat daarnaast aan verdachte de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging) wordt opgelegd.
Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt opgelegd voor de duur van 5 jaren, inhoudende een contactverbod zowel direct als indirect - met aangeefster en haar man en een locatieverbod voor heel Dokkum voor de duur van 5 jaren, met toepassing van de vervangende hechtenis van twee weken voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet, met een maximum van zes maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit om geen tbs op te leggen, omdat dit niet noodzakelijk en niet proportioneel zou zijn. De veiligheid van aangeefster en van derden kan op een minder ingrijpende, maar effectieve wijze worden gewaarborgd door het opleggen van strikte voorwaarden, waarbij eventueel de maatregel van artikel 38z Sr kan worden opgelegd om ook na afloop van de proeftijd naleving te verzekeren. Subsidiair heeft de raadsvrouw gepleit voor oplegging van tbs met voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf en de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsrapport van 9 december 2025 en de Pro Justitia rapportage van psychiater N. van der Weg, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op zijn zus en heeft doodsbedreigingen geuit tegen haar en haar man. Voor wat betreft de doodsbedreigingen aan het adres van de zus van verdachte en de poging doodslag, gaat de rechtbank uit van eendaadse samenloop.
Verdachte en het slachtoffer hebben sinds het overlijden van hun moeder in 2020 onenigheid, over de wijze waarop hun moeder op het einde van haar leven is verzorgd en over de verdeling van de erfenis. Verdachte is van mening dat hij nog recht heeft op een deel van het geld en uit zijn boosheid door middel van het uiten van doodsbedreigingen richting het slachtoffer en haar man. Op 10 oktober 2024 is het conflict ernstig uit de hand gelopen. Het slachtoffer fietste op klaarlichte dag samen met haar nicht door het centrum van Dokkum waarna zij uit het niets werd aangevallen en bedreigd door verdachte. Door ingrijpen van getuigen is verdachte gestopt met zijn handelen en is erger voorkomen. Met zijn handelen heeft verdachte de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer in ernstige matige geschonden. Zij heeft gevreesd voor haar leven door toedoen van haar eigen broer. Daarnaast zijn meerdere omstanders ongewild geconfronteerd met de heftige geweldsuitbarsting van verdachte richting
het slachtoffer. Dergelijke zinloze geweldsuitspattingen in het openbaar dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Uit het spreekrecht dat het slachtoffer ter zitting heeft uitgeoefend, is gebleken hoe groot de gevolgen van het handelen van verdachte voor haar en haar gezin zijn geweest. Zij heeft acht maanden niet kunnen werken vanwege de fysieke en geestelijke gevolgen van het feit: zij durfde niet naar haar werk en leefde voortdurend in angst. Haar man heeft zijn bedrijf verkocht omdat hij er voor zijn vrouw wilde zijn.
De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij met zijn handelen volledig voorbij is gegaan aan de gevoelens en de belangen van het slachtoffer en slechts oog heeft gehad voor zichzelf en zijn eigen gevoelens van frustratie. Hij is hierin zo ver gegaan dat hij heeft geprobeerd zijn zus van het leven te beroven. Dat dit niet is gebeurd, is niet aan verdachte te danken.
Persoon van verdachte
Volgens de psychiater die over verdachte heeft gerapporteerd, is hij zwakbegaafd. Hij heeft een opvallende rigiditeit van denken en overtuigingen en is gesloten. Ook heeft hij een streng rechtvaardigheidsgevoel, kan hij zich moeilijk in anderen verplaatsen en heeft hij moeite met het herkennen en reguleren van zijn emoties. Deze problemen worden door de psychiater geclassificeerd als een andere gespecificeerde neurobiologische ontwikkelingsstoornis. Verder vallen in de persoonlijkheid van verdachte paranoïde trekken op. Ook was er de laatste jaren sprake van forse agressie-regulatieproblematiek. Deze problemen zijn te vatten onder de noemer andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het plegen van de feiten en hebben zijn handelen op dat moment beïnvloed. Geadviseerd wordt om de feiten in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte.
Verdachte heeft weinig beschermende factoren en het risico op recidive wordt ingeschat als matig hoog tot hoog. Een behandeling in het kader van een deels voorwaardelijke straf is eerder geprobeerd en heeft onvoldoende verbetering gegeven. Daarnaast lijkt dit onvoldoende recht te doen aan het recidiverisico en de te verwachten problemen op het vlak van responsiviteit. Volgens de psychiater is oplegging van tbs met dwangverpleging op voorhand niet nodig omdat het risico op direct geweld niet zodanig is dat een zeer hoog beveiligingsniveau noodzakelijk is. Zij adviseert daarom oplegging van tbs met voorwaarden, mits verdachte bereid is zich aan de voorwaarden te houden. Eerder is gebleken dat hij daartoe in staat was.
De reclassering adviseert in haar rapport negatief ten aanzien van oplegging van tbs met voorwaarden aan verdachte. Zij ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risicos te beperken. Er is geen sprake van motivatie tot gedragsverandering, verdachte is nauwelijks leerbaar en er is nog steeds sprake van een zeer vasthoudende opvatting over het onrecht wat hem is aangedaan. Verder overweegt de reclassering dat verdachte in een vorig toezicht op geen enkele wijze heeft laten zien te willen en kunnen werken aan gedragsverandering. Dit maakt dat de reclassering inschat dat verdachte zich niet aan de voorwaarden zal houden. Overigens laat betrokkene de reclassering weten dat als het echt niet anders kan, hij wil meewerken aan voorwaarden, maar dan wel onder zijn eigen voorwaarden.
Als de rechtbank besluit tbs met voorwaarden op te leggen, dan adviseert de reclassering ook de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen. Deze maatregel maakt het mogelijk om voorwaarden na afloop van de tbs met voorwaarden te stellen. De GVM is passend vanwege de ernst en complexiteit van de problematiek van verdachte. Dit maakt dat er volgens de reclassering een grote kans is dat er blijvend en structureel controle nodig blijft na het eindigen van de tbs-maatregel.
De rechtbank neemt voormelde conclusie van de psychiater ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte over. De rechtbank rekent het bewezenverklaarde dan ook in verminderde mate aan verdachte toe.
Maatregel
Tbs met voorwaarden
De rechtbank is, net als de psychiater en de reclassering, van oordeel dat behandeling van verdachte noodzakelijk is om het als hoog ingeschatte recidivegevaar terug te dringen. Gelet op het recidiverisico en de problematiek van verdachte acht de rechtbank, in tegenstelling tot de verdediging, behandeling buiten het kader van tbs niet passend en ontoereikend. Er bestaat dan immers een risico dat verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving, terwijl het gevaar voor herhaling dan nog steeds groot is. Om die reden zal de rechtbank aan verdachte de maatregel van tbs opleggen. De psychiater en de reclassering adviseerden weliswaar verschillend over het opleggen van de maatregel maar de rechtbank volgt in deze het advies van de psychiater en zal aan verdachte tbs met voorwaarden opleggen. Deze stelt dat verdachte in staat wordt geacht zich aan de voorwaarden te houden. Voor zover de rechtbank bekend heeft verdachte zich eerder ook gehouden aan een hem opgelegd contactverbod met zijn zus en zwager.
Het kader van tbs met voorwaarden geeft wat de rechtbank betreft voldoende gelegenheid voor een klinische behandeling en het monitoren van het recidiverisico. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat in geval verdachte de opgelegde voorwaarden niet naleeft alsnog kan worden bevolen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd. In dat geval is de duur van de maatregel, gezien het index-delict, ongemaximeerd.
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van tbs met voorwaarden is voldaan. De poging tot doodslag is een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon en de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist de oplegging van die maatregel. Voorts bestond bij verdachte tijdens het begaan van de delicten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en kan tbs worden opgelegd voor de bewezenverklaarde feiten.
De rechtbank zal, ter bescherming van de samenleving, zowel de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden opleggen als de schorsing van de voorlopige hechtenis bevelen. Deze schorsing gaat in op het moment dat de duur van het voorarrest gelijk is aan de duur van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf. Aan deze schorsing zullen dezelfde voorwaarden worden verbonden als opgelegd bij de maatregel. Het doel is om zeker te stellen dat verdachte de noodzakelijke behandeling krijgt, ook wanneer hij hoger beroep instelt.
Straf
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte tweemaal eerder is veroordeeld voor bedreiging van beide slachtoffers en hij eerder geweld heeft gepleegd tegen de echtgenoot van zijn zus. Daarbij merkt de rechtbank op dat aan hem hiervoor eerder een gebieds- en contactverbod is opgelegd.
De aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen dat een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in de vorm van een gevangenisstraf aan verdachte wordt opgelegd. De rechtbank houdt bij de strafoplegging echter ook rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
Onbekend is wanneer verdachte kan worden opgenomen in een kliniek. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat Dienst Individuele Zaken (DIZ) voor de realisatie van overbruggingszorg een termijn van minimaal vier weken na uitspraak hanteert. De rechtbank houdt rekening met deze termijn. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden,
met aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis, passend en geboden. De rechtbank volgt daarin de eis van de officier van justitie, waarin naar het oordeel van de rechtbank alle factoren die een rol spelen bij de strafoplegging goed zijn gewogen.
De rechtbank is zich ervan bewust dat verdachte op het moment dat dit vonnis wordt uitgesproken, direct onder de regeling van de voorlopige invrijheidsstelling valt. De rechtbank vertrouwt er echter op dat er voldoende tijd (te weten vier weken) is om een plaatsing in een kliniek of ter overbrugging te realiseren voordat verdachte daadwerkelijk voorwaardelijk in vrijheid zou kunnen worden gesteld.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv Pro.
Oplegging maatregel ex artikel 38z Sr
De rechtbank heeft acht geslagen op de hierboven aangehaalde reclasseringsrapportage van 9 december 2025. De door de rechtbank opgelegde maatregel van tbs met voorwaarden zal na maximaal negen jaar eindigen. Het is de vraag of binnen deze tijd de benodigde behandeling van verdachte kan plaatsvinden en of dit, gezien de ook door de rechtbank ter zitting ervaren rigiditeit van verdachte, voldoende resultaat heeft gehad. Risicos ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen kunnen met de tbs met voorwaarden in die zin mogelijk beperkt ondervangen worden.
Gelet hierop acht de rechtbank het noodzakelijk om de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen. De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan, omdat de maatregel wordt opgelegd ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen.
De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde tbs plaatsvinden. Een risicotaxatie van het dan aanwezige recidivegevaar dient in het kader van die beoordeling plaats te vinden.
Geen oplegging van maatregel ex artikel 38v Sr
Gelet op de door de rechtbank aan verdachte op te leggen maatregel van tbs met voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard en op te leggen GVM ex artikel 38z Sr, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarnaast nog aan verdachte een contactverbod- en locatieverbod op te leggen.
Benadeelde partij
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 383,61 ter vergoeding van materiële schade en 6.200,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 747,72 ter zake van materiële schade en 1000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen geheel voor toewijzing vatbaar zijn met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vorderingen van beide benadeelde partijen primair verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de vorderingen te complex zijn gelet op verrekening van de vorderingen in het civiele kader met vorderingen die de verdachte op de benadeelde partijen zou hebben.
Ten aanzien van [slachtoffer 1]
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw subsidiair bepleit deze te matigen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van licht letsel en niet is gebleken dat de benadeelde partij onder behandeling is.
Ten aanzien van [slachtoffer 2]
De raadsvrouw heeft subsidiair bepleit de materiële schadevergoeding af te wijzen. Het verlies van arbeidsvermogen staat niet in rechtstreeks verband met de bedreiging.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding heeft de raadsvrouw subsidiair bepleit deze te matigen. Er is niet gebleken dat de benadeelde partij onder behandeling is voor zijn gestelde geestelijke letsel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt in een vonnis vast of een benadeelde partij voor schadevergoeding in aanmerking komt, en zo ja hoe hoog die schadevergoeding dan is. Of een verdachte een vordering heeft op de benadeelde partij, maakt niet dat de rechtbank het recht op en de hoogte van de schadevergoeding niet kan vaststellen. De rechtbank oordeelt dan ook dat de vorderingen niet te complex zijn en verwerpt het verweer.
Ten aanzien van [slachtoffer 1]
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder 1. primair bewezenverklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet namens verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 10 oktober 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Immateriële schade
Nu de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft geleden, komt zij gelet op artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek reeds daarom in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede de aard van de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Uit de toelichting op de vordering maakt de rechtbank het volgende op. De benadeelde heeft ten gevolge van de aanval van haar broer letsel opgelopen. Dit letsel bestond uit pijn aan haar hals, keel, hoofd en knie. De pijnklachten aan hals, keel en hoofd hebben dagenlang aangehouden. De pijn aan haar knie bleef langer aanhouden, en daarvoor is zij door een arts behandeld en heeft zij enige tijd gebruik gemaakt van een hulpmiddel bij het lopen. De psychische impact uitte zich in slaapproblemen, een voortdurende alertheid en angst. Zij heeft de plaats waar het gebeurd is langere tijd gemeden, omdat zij anders last had van herbelevingen. Dat haar eigen broer haar naar het leven heeft gestaan, maakt de psychische impact des te groter. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat verdachte al eerder is veroordeeld voor het uiten van doodsbedreigingen tegenover de benadeelde en de mishandeling van haar echtgenoot. Uit de poging tot doodslag op haar, is het voor de benadeelde nu duidelijk dat verdachte bereid is de daad bij het woord te voegen.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal. De Rotterdamse schaal bevat een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en biedt aanknopingspunten bij het vaststellen van smartengeld in de rechtspraktijk.
Voor wat betreft de aard en de gevolgen van het lichamelijke letsel ligt aansluiting bij de categorie licht letsel, met een herstelperiode van ongeveer twee tot vier maanden (13, sub (b)) voor de hand. Daarbij hoort een schadevergoeding binnen de bandbreedte van 725,00 - 2.175,00. Ook rekening houdend met een verhoging van 25% in verband met het aangenomen volle opzet van verdachte op de dood van de benadeelde (en dus ook op het toebrengen van lichamelijk letsel), doet een dergelijke schadevergoeding naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van het verwijt dat verdachte gemaakt wordt en de psychische impact daarvan.
Er is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat bij de benadeelde sprake is van geobjectiveerd geestelijk letsel, zoals bedoeld in categorie 14 van de Rotterdamse schaal, zodat daarbij geen aansluiting wordt gezocht. De impact van wat de benadeelde is overkomen, in combinatie met de
aard en de ernst van het door haar opgelopen lichamelijk letsel en hetgeen is bewezen verklaard, sluit nog het meest aan bij de categorieën 17(b) (belaging, ernstig, bandbreedte 2.000,00 - 5.000,00) en 19(b) (Persoonsaantastingen bij bedreigende situaties, meest ernstig, bandbreedte 3.000,00 - 8.000,00).
Naar het oordeel van de rechtbank is alles overziend een schadevergoeding van 5.000,00 billijk, zodat de vordering tot dat bedrag wordt toegewezen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van het hiervoor genoemde schadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 10 oktober 2024 tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van [slachtoffer 2] Materiële schade
De benadeelde partij vordert een vergoeding van verplaatste schade ex artikel 6:107, eerste lid, onder a, Burgerlijk Wetboek. Deze schade bestaat uit het verlies van arbeidsvermogen. Dit is ontstaan omdat de benadeelde partij de dagen na het incident op 10 oktober 2024 bij zijn vrouw, [slachtoffer 1] , wilde zijn. De benadeelde partij heeft daarnaast niet kunnen werken omdat hij met haar mee is geweest naar een onderzoek ten behoeve van het onder 1. primair bewezenverklaarde.
Voor de gederfde inkomsten van de benadeelde partij geldt dat dit geen kosten of schade betreft die [slachtoffer 1] zelf had kunnen vorderen als zij die kosten/schade zelf had gemaakt/geleden. De oorzaak van het lijden van die inkomensschade is dan ook niet gelegen in zorgtaken voor [slachtoffer 1] waarvoor ook een professional had kunnen worden ingeschakeld. Er is dus geen sprake van daadwerkelijke verplaatste schade als bedoeld in 6:107, eerste lid, onder a, BW.
De rechtbank zal de vordering afwijzen.
Immateriële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl deze gepaard ging met een poging doodslag op de eveneens met de dood bedreigde echtgenote van de benadeelde - met zich meebrengt dat de in dit verband relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Het kader voor de beoordeling van de immateriële schade is hetzelfde als hiervoor bij de eerstgenoemde benadeelde beschreven. Ook ten aanzien van deze vordering heeft de rechtbank acht geslagen op de
Rotterdamse schaal.
De rechtbank zoekt aansluiting bij categorie 19(5): bedreiging (art. 285 Sr Pro), waarbij een bedrag tot 1.500,00 wordt genoemd. De rechtbank beoordeelt deze bedreiging als uitermate intens. Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor het met de dood bedreigen en mishandelen van benadeelde, maar ook met de omstandigheid dat de doodsbedreiging jegens de benadeelde gepaard is gegaan met een poging tot doodslag op de echtgenote van benadeelde, waarbij de rechtbank vol opzet heeft aangenomen. De impact zou nog groter zijn geweest, wanneer benadeelde de bedreigingen direct zou hebben gehoord. Daarvan is hier geen sprake. Hij heeft achteraf gehoord wat zijn echtgenote is overkomen en is ervan op de hoogte gesteld dat verdachte ook hem met de dood heeft bedreigd. Alles overziend acht de rechtbank het gevorderde bedrag ( 1.000,00) billijk. De rechtbank wijst de gevorderde immateriële schade dan ook geheel toe.
De rechtbank zal verdachte veroordelen tot betaling van het hiervoor genoemde schadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag, te rekenen vanaf 10 oktober 2024 tot de dag der algehele voldoening.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38, 38a, 38z, 45, 55, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:
1. de veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
2. de veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
3. de veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
4. de veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van veroordeelde vast te stellen;
5. de veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan
aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
  • de veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
  • de veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;
  • de veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
  • de veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
  • de veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;
3. Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum of andere soortgelijke instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien
weken per jaar;
4. de veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
5. de veroordeelde laat zich opnemen in een Forensisch Psychiatrische Afdeling, Forensisch Psychiatrische Kliniek of een soortgelijke instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering en de zorginstelling dat nodig vinden. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het op voorschrift van een psychiater innemen van medicijnen en de controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling, leefregels van de verblijfsinstelling en plaatsing;
6. aansluitend aan zijn klinische behandeling laat de veroordeelde zich behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. Het op voorschrift van een psychiater innemen van medicijnen en de controle daarop kan onderdeel zijn van de behandeling;
7. de veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische behandeling en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
8. de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
9. de veroordeelde zal op geen enkele wijze - direct of indirect - contact opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1965, en [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1967;
10. de veroordeelde zal zich niet ophouden, begeven of vervoeren in Dokkum (Friesland).
Draagt de reclassering op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Schorst de voorlopige hechtenismet ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Aan deze schorsing zijn dezelfde voorwaarden verbonden zoals hiervoor onder 1. tot en met 10. opgenomen bij de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling.
Legt op de
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
Benadeelde partijen
Ten aanzien van feit 1. primair en feit 2.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 5383,61 (zegge: vierduizend driehonderddrieëntachtig euro en eenenzestig cent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 5383,61 (zegge: vijfduizend driehonderddrieëntachtig euro en eenenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 383,61 aan materiële schade en 5.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 51 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 2.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,00 (zegge: duizend), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 1.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.L. Vreugdenhil, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2026.