ECLI:NL:RBNNE:2026:478

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
18-166868-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994Art. 57 SrArt. 300 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling, diefstal, schuldwitwassen en rijden onder invloed

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor een reeks strafbare feiten gepleegd tussen juli 2024 en juni 2025. De feiten omvatten poging zware mishandeling, mishandeling met zwaar lichamelijk letsel, meerdere diefstallen in vereniging, medeplegen van schuldwitwassen, vernieling van een politievoertuig en twee gevallen van rijden onder invloed van amfetamine en alcohol.

De rechtbank achtte de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van getuigen, forensische rapporten, medische verklaringen en eigen waarnemingen. De mishandeling leidde tot een blijvend zichtbaar litteken bij een slachtoffer, wat als zwaar lichamelijk letsel werd aangemerkt. Verdachte handelde vaak samen met een medeverdachte en maakte gebruik van gestolen voertuigen en kentekenplaten.

De rechtbank hield rekening met de ernst en de veelheid van de feiten, de persoonlijke problematiek van verdachte waaronder ADHD en middelengebruik, en het hoge recidiverisico. De straf bestaat uit 394 dagen gevangenisstraf waarvan 180 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, waaronder opname in een forensisch psychiatrische afdeling en ambulante begeleiding. Daarnaast werd een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 maanden opgelegd.

De rechtbank wees ook schadevergoedingen toe aan slachtoffers en de politie, en gelastte de tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen wegens nieuwe delicten binnen de proeftijd. Verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard voor een ten laste gelegde vernieling wegens het ontbreken van een klacht van het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 394 dagen gevangenisstraf, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en ontzegging rijbevoegdheid voor 12 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-166868-25
ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18-032180-25, 18-036083-25, 18-036781-25, 96-022402-25
en 96-050178-25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 01-282981-23 en 01-319482-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , wonende [adres] ,
thans verblijvende in de [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Hof.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 96-022402-25
hij op of omstreeks 28 juli 2024 te Broek, gemeente De Fryske Marren een voertuig, te weten een bedrijfsauto (bestelauto), heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed (of adem) bij iedere aangewezen stof en alcohol,29 microgram per liter amfetamine en 1,04 milligram per milliliter ethanol bedroeg, in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
Parketnummer 18-032180-25
hij op of omstreeks 15 september 2024 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] één of meermalen te slaan tegen het hoofd, althans het lichaam en/of te schoppen tegen het (scheen)been, althans het lichaam, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een snee in het gezicht en/of een (blijvend) zichtbaar litteken in het gezicht ten gevolge heeft gehad;
Parketnummer 18-036083-25
1
hij in de periode van 1 november 2024 tot en met 2 november 2024 te Hurdegaryp, gemeente Tytsjerksteradiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, kratten, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij in de periode van 1 november 2024 tot en met 2 november 2024 te Hurdegaryp, gemeente Tytsjerksteradiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stroomkabels en/of aansluitstukken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf 2] B.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot
de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
3
hij in de periode van 25 oktober 2024 tot en met 4 november 2024 te Leeuwarden en/of te Heerenveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (van) één of meer voorwerpen, althans een voorwerp, te weten een voertuig (Mercedes Benz) en/of kentekenplaten,
  • de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(en) was of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had en/of
  • heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans gebruik heeft gemaakt terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: een of meer onbekend gebleven personen, in de periode van 25 oktober 2024 tot en met 4 november
2024 te Leeuwarden en/of te Heerenveen, althans in Nederland, (van) één of meer voorwerpen, althans een voorwerp, te weten een voertuig (Mercedes Benz) en/of kentekenplaten
  • de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op die/dat voorwerp(en) was of wie die/dat voorwerp(en) voorhanden had en/of
  • heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans gebruik heeft gemaakt terwijl hij/zij (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf bij en/of tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in de periode van 25 oktober 2024 tot en met 4 november 2024 te Leeuwarden en/of te Heerenveen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven persoon/personen meermalen, althans eenmaal, een gestolen voertuig (Mercedes Benz) en/of (gestolen) kentekenplaten mee te geven en/of ter beschikking te stellen;
Parketnummer 96-050178-25
hij op of omstreeks 1 november 2024 te Leeuwarden een voertuig, te weten een bedrijfsauto (bestelauto), heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 480 microgram amfetamine per liter bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
Parketnummer 18-036781-25
1
hij op 10 januari 2025 te Sneek opzettelijk en wederrechtelijk een politieauto in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan Politie Nederland, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2
hij op 10 januari 2025 te Sneek opzettelijk en wederrechtelijk het huisraad in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of
weggemaakt;
Parketnummer 18-166868-25
hij op of omstreeks 1 juni 2025 te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft verdachte
  • meermalen (met kracht) met een (glazen) fles op/tegen het hoofd en/of tegen het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 3] geslagen en/of
  • (vervolgens) met gebalde vuist en/óf met kracht tegen het hoofd en/of tegen het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 3] geslagen/gestompt en/of
  • (vervolgens) (met geschoeide voet) tegen het hoofd en/of tegen het gezicht, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 3] geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voorvragen

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 18-036781-25
De officier van justitie heeft gevorderd het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde niet-ontvankelijk te verklaren, wegens het ontbreken van een aangifte van [slachtoffer 2] .
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde niet-ontvankelijk te verklaren, wegens het ontbreken van een aangifte van [slachtoffer 2] .
Oordeel van de rechtbank
Parketnummer 18-036781-25
De rechtbank verklaart ten aanzien van het onder feit 2. ten laste gelegde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk, wegens het ontbreken van een klacht van [slachtoffer 2] , de moeder van verdachte.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 96-022402-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Parketnummer 18-032180-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Parketnummer 18-036083-25
Feit 1
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. ten laste gelegde feit.
Feit 2
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 2. ten laste gelegde feit.
Feit 3
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 3. primair ten laste gelegde feit.
Parketnummer 96-050178-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Parketnummer 18-036781-25
Feit 1
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. ten laste gelegde feit.
Parketnummer 18-166868-25
De officier van justitie heeft (partieel) vrijspraak gevorderd ten aanzien van het met gebalde vuist tegen het lichaam slaan dan wel stompen en tegen het lichaam schoppen. Voor het overige ten laste gelegde heeft zij veroordeling gevorderd.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 96-022402-25
De raadsman heeft betoogd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Parketnummer 18-032180-25
De raadsman heeft betoogd dat het meermalen slaan tegen het hoofd en het schoppen tegen het scheenbeen van aangever niet bewezen kan worden. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Bij het verzoek tot schadevergoeding bevindt zich een foto van aangever waarop te zien is dat zijn rechter oog
blauw is en daaronder hechtingen zitten. Verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] verklaren slechts dat aangever een snee op zijn linker wang heeft en daarnaast verklaren zij niets over pijn of letsel aan zijn scheenbeen. Verder blijkt niet uit de ontvangen informatie van de dokterswacht, waar verdachte kort na het incident naartoe is gegaan, dat aangever letsel had aan zijn scheenbeen. Hoewel er in het letselverslag van 27 oktober 2024 wel letsel aan het been van aangever is aangetroffen, betekent dit niet dat verdachte dit heeft gedaan. Er zit immers een lange tijd tussen het incident, de aangifte en het onderzoek door de forensisch arts. Het voornoemde in combinatie met het feit dat aangever heeft verklaard zelf ook geen lieverdje te zijn, maakt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het meermalen slaan tegen het hoofd en het schoppen tegen het scheenbeen van aangever.
De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, want uit de letselrapportage volgt dat de wond na drie weken al genezen was.
De raadsman heeft betoogd dat een eenvoudige mishandeling bewezen kan worden aangezien verdachte aangever één klap tegen het hoofd heeft gegeven.
Parketnummer 18-036083-25
Feit 1
De raadsman heeft betoogd dat het onder 1. ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Feit 2
De raadsman heeft betoogd dat er geen sprake is van verbreking, nu verdachte niet wist dat medeverdachte [medeverdachte] de stroomkabel had doorgeknipt.
De raadsman heeft betoogd dat diefstal in vereniging wettig en overtuigd bewezen kan worden.
Feit 3
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 3. primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte wist niet dat het voertuig gestolen was. Hij dacht dat deze van medeverdachte [medeverdachte] was. Verdachte heeft hierover tegen de politie anders verklaard, maar dit komt omdat hij bang voor [medeverdachte] was. Voorts is het verdachte niet opgevallen dat de kentekenplaten waren verwisseld. Het feit dat er verschillende kentekenplaten in het voertuig lagen, is niet vreemd. Uit het procesdossier volgt namelijk dat [medeverdachte] veel kentekenplaten op zijn terrein had liggen. Gelet hierop wist verdachte niet en kon hij niet redelijkerwijs vermoeden dat het voertuig en de kentekenplaten uit enig misdrijf afkomstig waren.
Parketnummer 96-050178-25
De raadsman heeft betoogd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Parketnummer 18-036781-25
Feit 1
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde feit. Verdachte ontkent en niet kan worden vastgesteld dat het is gegaan zoals de politie heeft opgeschreven. Verdachte had op dat moment blote voeten en zou letsel moeten hebben opgelopen als hij dit had gedaan.
Parketnummer 18-166868-25
De raadsman heeft betoogd dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, met uitzondering van het slaan, stompen of schoppen tegen het hoofd van aangever.

Oordeel van de rechtbank

96-022402-25
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van rijden onder invloed van 11 november 2024, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024203287 van 11 november 2024, inhoudend de verklaring van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
Een deskundigenrapport afkomstig van het Maasstad Ziekenhuis, zaaknummer 923240436088, d.d. 8 augustus 2024 opgemaakt door ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog dr. T.M. Bosch, , opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier.
Parketnummer 18-032180-25
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
De door verdachte ter zitting van 3 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Ik was op 15 september 2024 in Sneek. Ik heb aangever geslagen.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 17 oktober 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024252410 van 4 februari 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik zag dat de man met zijn rechter gebalde vuist tegen mijn rechter kaak aansloeg. Ik
zag dat de man met zijn rechter gebalde vuist op mijn linker kaak sloeg. Vervolgens zag ik dat de man tegen mijn rechterscheenbeen schopte. Uit het niets zag ik dat de man mij met zijn rechter gebalde vuist mij tegen mijn linkeroog aansloeg. Ik ben vervolgens naar het ziekenhuis gebracht. Hier heb ik vijf hechtingen in mijn linkerwang gekregen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 december 2024, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Ik zag dat er op zijn linker wang een snee van ongeveer 3 centimeter zat.
4. Een geneeskundige verklaring, op 22 oktober 2024 opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts in opleiding, voor zover inhoudend, als geneeskundige verklaring van [arts] :
Op de linker wang, circa 2 centimeter onder de buitenste ooghoek is een enkele, bijna horizontaal verlopende lineaire huidontkleuring van circa 2,5 centimeter lengte en circa 1 millimeter hoogte, scherp begrensd. Hier parallel aan, zijn een drietal evenwijdig verlopende matig scherp begrensde, verticale, rode lijnvormige huidafwijkingen zichtbaar met een lengte van circa 3 millimeter en een breedte van circa 1 millimeter zichtbaar. Het betreft een gehecht en genezend huidletsel (litteken).
Op het rechter onderbeen zijn meerdere grillige onscherp begrensde, paarsblauwe huidverkleuringen zichtbaar, wisselend van grootte. Het betreffen onderhuidse bloeduitstortingen.
5. De eigen waarneming van deze rechtbank ter zitting van 3 februari 2026, op de overgelegde afbeelding van [slachtoffer 1] op 2 februari 2026, voor zover inhoudend:
De rechtbank neemt waar dat op de afbeelding een litteken van ongeveer 2 centimeter op de linker wang van aangever is te zien.
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 15 september 2024 in Sneek aangever meermalen tegen het hoofd heeft geslagen en tegen zijn rechter scheenbeen heeft geschopt. Uit de letselverklaring blijkt dat door de klap tegen het hoofd van aangever een litteken op zijn linkerwang is ontstaan. De rechtbank heeft, op basis van de recent aangeleverde afbeelding door aangever, vastgesteld dat het litteken geruime tijd na het incident nog te zien is. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de afbeelding die bij het verzoek tot schadevergoeding is overgelegd, geen aanleiding geeft hieraan te twijfelen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het daarop getoonde letsel bloed onder het oog, een zwelling die op knappen stond en een wond met vijf hechtingen volledig overeenkomt met de verklaring van aangever in zijn aangifte, die ook wordt bevestigd door een huisartsenjournaal. Nu de afbeelding oogt als een zogenoemde selfie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat de foto een gespiegelde weergave van het letsel laat zien. Aangever heeft aan het gevolg van de klap blijvend en ontsierend letsel in zijn gezicht overgehouden. Letsel van deze aard kan volgens de Hoge Raad worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.1 De rechtbank is op grond van het bovengenoemde van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigd bewezen kan worden, omdat er sprake is van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge.
Parketnummer 18-036083-25
Feit 1
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 november 2024, opgenomen op pagina 122 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024300997 van 14 december 2024, inhoudend de verklaring van [naam 1] ;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 2 november 2024, opgenomen op pagina 135 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024300997 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam 1] .
Feit 2
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 3 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik was op 1 november 2024 samen met medeverdachte [medeverdachte] op een bouwplaats in Hardegarijp. Hier heb ik stroomkabels en aansluitstukken weggenomen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 2 november 2024, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024300997 van 14 december 2024, inhoudend als verklaring van [naam 2] :
Bij de uitvoerderskeet trof ik een aansluitstuk, rood van kleur, met nog een stuk kabel eraan. Ik zag dat deze kabel was afgeknipt. De rest van de kabel ontbrak. Ik zag bij een van de complexen dat een andere kabel met een rood aansluitstuk door een kiepraam naar buiten hing. Kennelijk heeft de dader de kabel door het raam getrokken, de twee aansluitstukken ontkoppeld, en deze kabel verder bij de uitvoerderskeet heeft doorgeknipt waar de kabel naartoe liep. Verder zou er aan de weggenomen kabel nog een rood aansluitstuk moeten zitten.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 november 2024, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 3] :
Op vrijdag 1 november 2024, omstreeks 23:15 uur, liep ik het laatste rondje met de hond. Toen ik aan het lopen was zag een dat er een persoon op de bouwplaats van de koopwoningen liep. Ik zag dat hij wat aan het frutselen was, spullen aan het
klaarleggen was zoals het leek. Toen ik weer terugkwam zag ik dat er nu een ander persoon op de bouwplaats van koopwoningen was. Ik zag dat deze persoon kabels in zijn handen had. Ik zag dit aan de dikte en een het aansluitstuk. Dit is van een krachtstroomkabel. Ik zag ineens nu de twee mannen samen op de bouwplaats waren.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 2 november 2024, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Tijdens deze controle troffen wij bij dit voertuig onder andere [medeverdachte] en [verdachte] aan. In het voertuig werd onder andere een stroomkabel met een rode stekker (krachtstroom stekker) gevonden.
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat een getuige verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen heeft gezien op de bouwplaats waar een diefstal werd gepleegd en kort daarna samen zijn aangehouden door de politie in een auto waarin ook de weggenomen goederen werden aangetroffen. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van de diefstal van de stroomkabels en aansluitstukken, waaronder de verbreking. Dat verdachte het doorknippen van de kabels niet zou hebben gezien, zoals door de verdediging is betoogd, acht de rechtbank, mede gelet op de waarnemingen van de getuige en de wisselende verklaringen die verdachte zelf in dit kader op verschillende momenten heeft afgelegd, niet geloofwaardig.
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Feit 3
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 3 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Mijn verklaring bij de politie over het huren van het voertuig klopt niet. Ik heb de bedrijfsauto bij het huis van medeverdachte [medeverdachte] opgehaald.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 28 oktober 2024, opgenomen op pagina 114 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024300997 van 14 december 2024, inhoudend als verklaring van [naam 4] :
Op vrijdag 25 oktober 2024, heeft de chauffeur de auto geparkeerd aan [adres] in Leeuwarden. Het gaat om een bedrijfsauto van het merk Mercedes Benz en type 904.6 Sprinter, wit van kleur en voorzien van het kenteken [kenteken] . Op maandag 28 oktober 2024 zag [naam 5] dat de auto niet meer op de hierboven genoemde locatie stond. De auto is voorzien van een aantal bijzonderheden:
- Op achterklep zit een sticker van een bij in een zwart vierkant.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 7 november 2024, opgenomen op pagina 222 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 8] :
Ik doe aangifte van diefstal van een kentekenplaat. Ik hoorde van de politie dat er een kentekenplaat was aangetroffen, die van Arriva afkomstig was, namelijk kentekenplaat [kenteken] .
Op donderdag 31 oktober 2024 omstreeks 02:00 uur heeft een medewerker, de bus meegenomen. Hij plaatste het voertuig op [adres] te Leeuwarden.
Donderdag 31 oktober 2024 omstreeks 12:30 uur heeft hij de bus verplaatst naar de [adres] te Leeuwarden
Zondagavond 3 november 2024 heeft hij het voertuig geparkeerd aan de [adres] . Bij het verplaatsen is het niet opgevallen dat de kentekenplaat miste.
Op maandag 4 november 2024 omstreeks 13:30 uur kwam de medewerker er achter dat er een kentekenplaat ontbrak. Deze kentekenplaat bevond zich aan de achterzijde van het voertuig.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 november 2024, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Dit voertuig hebben wij gecontroleerd te Leeuwarden. Dit voertuig was aan de achterzijde voorzien van kenteken [kenteken] . Tijdens deze controle troffen wij bij dit voertuig onder andere [medeverdachte] , en [verdachte] aan.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 5 november 2024, opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik zag dat het voertuig aan de voorzijde voorzien was van kenteken [kenteken] . Na controle in de politiebedrijfsprocessen bleek dat dit kenteken niet bij dit voertuig hoorde. Na controle in de politiebedrijfsprocessen bleek dat de Mercedes geregistreerd staat als gestolen. Het kenteken wat origineel bij de Mercedes hoort is [kenteken] . Hiervan is aangifte gedaan. In de aangifte van diefstal voertuig wordt gesproken over een sticker op de achterzijde van het voertuig, op de laadklep. Deze sticker betreft een bij in een zwart vierkant. Collega [verbalisant] hebben de achterkant onderzocht. Wij zagen dat er geen sticker aanwezig was op de laadklep. Echter, rook ik gelijk de lucht van verf wat net was aangebracht/gespoten. Om zeker te zijn van wat ik rook heb ik de laadklep van dichtbij geroken. Bij deze keer wist ik zeker dat de laadklep wit geverfd dan wel gespoten was. Bij nader onderzoek aan de laadklep
zag ik ongeveer in het midden de contouren van een vierkant.
Verder zag ik linksboven van de laadklep, bij het metaal, uitlopers of "druipers" van
witte verf. Ik voelde dat deze nog zacht waren en voelde en zag dat ik deze kon platdrukken.
Bij het opentrekken van de deur aan de rechterzijde van de bak zagen wij een groot aantal ingeklapte kratten. Ik zag dat een paar van de kratten aangetroffen in de bak van de Mercedes overeenkwamen met de videofragmenten van aangifte diefstal. Tevens is op één van deze videofragmenten de laadklep van de Mercedes zichtbaar met daarop het vierkant met de bij. Ik zag dat collega [verbalisant] nog twee kentekenplaten op de bijrijdersstoel vond. Nog een kentekenplaat voorzien van [kenteken] , zoals aan de voorzijde van het voertuig
aangetroffen en kentekenplaat voorzien van [kenteken] . Na onderzoek in de politiebedrijfsprocessen bleek dit kenteken afkomstig te zijn van een voertuig van Arriva.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat gelet op het korte tijdsbestek waarin de verschillende feiten en constateringen hebben plaatsgevonden, het niet anders kan dan dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat de kentekenplaten en het voertuig uit enig misdrijf afkomstig waren en dat het wisselen van de kentekenplaten diende om dat te verhullen. Verdachte heeft zich op 1 november 2024, op meerdere momenten en samen met medeverdachte [medeverdachte] in dit voertuig verplaatst om meerdere diefstallen te plegen. Het voertuig is op die datum rondom het tijdstip van de eerste diefstal in de vroege ochtend waargenomen op camerabeelden en in de daarop volgende nacht bij de aanhouding van beide verdachten. Daarbij werd vastgesteld dat beide keren de kentekenplaten voor en achter verschillend waren en dat beide keren andere kentekens waren geplaatst. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte niet zou hebben gezien dat de kentekenplaten op het voertuig gedurende deze dag zijn verwisseld. Te meer omdat er ook kentekenplaten op de bijrijdersstoel van het voertuig lagen waarin verdachte heeft gereden en gezeten. De rechtbank acht om dezelfde reden het eveneens niet aannemelijk dat hij niet zou hebben vernomen dat de sticker op de achterkant van de Mercedes gedurende diezelfde dag in de tijd tussen beide diefstallen in, is overgeverfd. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte hierover op verschillende momenten wisselend heeft verklaard en ook ter zitting heeft aangegeven dat hij bij de politie een valse verklaring heeft afgelegd om medeverdachte [medeverdachte] in bescherming te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Parketnummer 96-050178-25
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 11 februari 2025, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024300820 d.d. 11 februari 2025, inhoudend de verklaring van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
Een deskundigenrapport afkomstig van het Maasstad Ziekenhuis, zaaknummer 923240629324, d.d. 19 november 2024 opgemaakt door ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog dr. T.M. Bosch, opgenomen op
pagina 31 e.v. van voornoemd dossier.
Parketnummer 18-036781-25
Feit 1
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 10 januari 2025, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025008429 van 7 februari 2025, inhoudend als verklaring van [naam 6] :
Plaats delict: Sneek
Ik ben door mijn collegas op de hoogte gebracht van de vernieling van dit dienstvoertuig. Zij vertelden mij dat het voertuig op vrijdag 10 januari 2025 is vernield. Zij vertelden mij tevens dat zij een aangehouden verdachte [verdachte] naar het genoemde dienstvoertuig
brachten en dat zij hadden gezien dat verdachte eerst het achterlicht kapot schopte en vervolgens een deuk in het rechter achterportier schopte.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 15 januari 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] en [verbalisant] :
Toen wij bij de rechterachterzijde van ons dienstvoertuig waren zagen wij dat [verdachte] met kracht met zijn rechtervoet tegen het rechterachterlicht van ons dienstvoertuig aantrapte. Wij zagen dat het achterlicht stuk ging en het plasticglas hiervan op de grond viel. Wij voelden dat [verdachte] in tegengestelde richting verzet begon te bieden toen wij de achterdeur van het dienstvoertuig wilden openen. Opnieuw zagen wij dat de verdachte zijn rechterbeen omhoog deed en hiermee tegen het dienstvoertuig aankwam. Ons onbekend gebleven of hij dat met zijn knie of met zijn voet deed. Wij zagen dat er een lichte deuk in de rechterachterdeur van ons dienstvoertuig was ontstaan, op de plaats waar hij het voertuig raakte.''
Bewijsoverweging
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 10 januari 2025 het politievoertuig heeft beschadigd door tegen het rechterachterlicht en rechterachterdeur te trappen. De rechtbank is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Parketnummer 18-166868-25
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 juni 2025, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025142781 van 2 juni 2025 inhoudend de verklaring van [naam 7] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 1 juni 2025, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Bewijsoverweging
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte aangever heeft geschopt of met gebalde vuist heeft geslagen of gestompt. Uit de getuigenverklaring van [naam 7] en de beschrijving van de camerabeelden door de politie volgt wel dat verdachte aangever tweemaal met een wijnfles met veel kracht tegen het hoofd heeft geslagen. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit in de zaak met parketnummer 96-022402-25, het feit in de zaak met parketnummer 18-032180-25, de feiten 1., 2. en 3. primair in de zaak met parketnummer 18-036083-25, het feit in de zaak met parketnummer 96-050178-25, feit 1. in de zaak met parketnummer 18-036781-25 en het feit in de zaak met parketnummer 18-166868-25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
Parketnummer 96-022402-25
hij op 28 juli 2024 te Broek, een bestelauto, heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en alcohol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol, 29 microgram per liter amfetamine en 1,04 milligram per milliliter ethanol bedroeg, in elk geval een hoger gehalte dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
Parketnummer 18-032180-25
hij op 15 september 2024 te Sneek, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door [slachtoffer 1] meermalen te slaan tegen het hoofd, en te schoppen tegen het scheenbeen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een blijvend zichtbaar litteken in het gezicht ten gevolge heeft gehad.
Parketnummer 18-036083-25
1.
hij in de periode van 1 november 2024 tot en met 2 november 2024 te Hurdegaryp, tezamen en in vereniging met anderen, kratten, die geheel aan [bedrijf 1] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2.
hij op 1 november 2024 te Hurdegaryp, tezamen en in vereniging met een ander, stroomkabels en aansluitstukken, die geheel aan [bedrijf 2] B.V. toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;
3.
primair
hij in de periode van 28 oktober 2024 tot en met 2 november 2024 te Leeuwarden, tezamen en in
vereniging met anderen, (van) een voertuig (Mercedes Benz) en kentekenplaten,
  • heeft verhuld wie de rechthebbende op die voorwerpen was en
  • voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededaders telkens, redelijkerwijs moesten vermoeden, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Parketnummer 96-050178-25
hij op 1 november 2024 te Leeuwarden een bestelauto, heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 480 microgram amfetamine per liter bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde.
Parketnummer 18-036781-25
1.
hij op 10 januari 2025 te Sneek opzettelijk en wederrechtelijk een politieauto, die geheel aan Politie Nederland, toebehoorde heeft beschadigd.
Parketnummer 18-166868-25
hij op 1 juni 2025 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 3] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen immers heeft verdachte
- meermalen met kracht met een glazen fles tegen het hoofd, van [slachtoffer 3] geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Parketnummer 96-022402-25
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Parketnummer 18-032180-25
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft
Parketnummer 18-036083-25
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking
primair medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd
Parketnummer 96-050178-25
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Parketnummer 18-036781-25
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd
Parketnummer 18-166868-25
poging zware mishandeling
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het feit met parketnummer 96-022402-25, het feit in de zaak met parketnummer 18-032180-25, de feiten 1., 2. en 3. primair met parketnummer 18-036083-25, het feit met parketnummer 96-050178-25, feit 2. met parketnummer 18-036781-25 en het feit met parketnummer 18-166868-25, wordt veroordeeld voor een gevangenisstraf voor de duur van 396 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), met een proeftijd van 3 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering met als toevoeging dat verdachte mee zal werken aan overbruggingszorg.
Ten aanzien van de feiten met parketnummers 96-022402-25 en 96-050178-25 heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor opheffing van de voorlopige hechtenis met ingang vanaf 3 februari 2026, gelet op artikel 67a Wetboek van Strafvordering (Sv).
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur gelijk aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met uitzondering van het alcoholverbod. De raadsman heeft bepleit deze voorwaarde om te zetten naar een alcoholcontrole, want verdachte kan, in tegenstelling tot drugs, om gaan met alcohol.
De raadsman heeft gesteld dat oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 12 maanden passend is.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de reclasseringsrapporten en de Pro Justitia-rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een periode van bijna een jaar schuldig gemaakt aan acht (ernstige) strafbare feiten. De reeks is begonnen op 28 juli 2024 met rijden onder invloed van alcohol en drugs, waarbij verdachte een eenzijdig ongeval op de snelweg heeft veroorzaakt. Ruim anderhalf maand later pleegt verdachte opnieuw een strafbaar feit door een willekeurig slachtoffer, [slachtoffer 1] , te mishandelen door hem in de trein en na een achtervolging ook op het station, te slaan en schoppen. In de nacht van 2 november 2024 is verdachte aangehouden en werd hij verdacht van het plegen van meerdere strafbare feiten, namelijk het plegen van drie diefstallen, witwassen en wederom rijden onder invloed. Verdachte heeft naar aanleiding hiervan een aantal dagen in voorlopige hechtenis gezeten, maar is na vijf dagen weer vrijgelaten. Op 10 januari 2025 krijgt de politie een melding van de moeder van verdachte. Hij zou namelijk helemaal door het lint zijn gegaan en haar huisraad hebben vernield. De politie kwam ter plaatse en troffen in de woonkamer een ravage van vernielde spullen en bloed aan. Naar aanleiding hiervan hebben de agenten verdachte aangehouden en naar het politiebureau overgebracht. Dit ging echter niet zonder enige problemen. Verdachte verzette zich tijdens de aanhouding hevig en heeft tegen het achterlicht en de achterdeur van de politiewagen getrapt waardoor de politieauto werd beschadigd.
Bijna een half jaar later is verdachte zonder enige aanleiding onder invloed van alcohol wederom tegen een willekeurig slachtoffer, [slachtoffer 3] , tekeer gegaan door hem tweemaal met een glazen wijnfles tegen zijn hoofd te slaan.
Verdachte heeft zich twee keer zeer gewelddadig gedragen tegen twee verschillende willekeurige slachtoffers. Door zijn handelen heeft hij een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. De rechtbank overweegt dat dergelijke zinloze geweldsuitspattingen in het openbaar bijdragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Ook moet slachtoffer [slachtoffer 1] door toedoen van verdachte voortaan door het leven met een litteken in zijn gezicht. Daarnaast heeft verdachte door het plegen van meerdere diefstallen en de vernielingen laten zien geen enkel respect te hebben voor andermans eigendommen. Kennelijk heeft hij enkel oog gehad voor eigen financieel gewin ten koste van anderen. Vermogensfeiten treffen bovendien niet alleen de slachtoffers, maar leveren ook voor de maatschappij schade en overlast op. Verder heeft verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan rijden onder invloed. Het is een feit van algemene bekendheid dat de concentratie, waarneming en het reactievermogen negatief worden beïnvloed door het gebruik van verdovende middelen en alcohol.
Verdachte heeft de verkeersveiligheid daarmee twee keer ernstig in gevaar gebracht, getuige ook het eenzijdig ongeval waarbij verdachte ten gevolge hiervan betrokken raakte.
Persoon van verdachte
Volgens de psycholoog die over verdachte in augustus 2025 en januari 2026 heeft gerapporteerd, is er bij hem sprake van zwakbegaafdheid en een ADHD-stoornis in ernstige mate. Deze stoornis beperkt zijn cognitief functioneren. Voorts is er sprake psychotrauma gerelateerde problematiek en middelenproblematiek. Vanuit de ADHD-stoornis is er onder meer sprake van een gebrekkige impulscontrole en aandachtfunctie. Verdachte kan vanuit zijn cognitieve beperkingen snel het overzicht verliezen in situaties. Dit wordt versterkt door problematisch en overmatig middelengebruik. Vanwege aan de trauma gerelateerde problematiek is verdachte sneller geneigd om situaties of intenties als negatief en bedreigend te interpreteren. Zijn copingsvaardigheden schieten daardoor snel tekort en dit kan leiden tot forse (agressieve) impulsdoorbraken. Vanwege het bovenstaande wordt geadviseerd om de vernieling (parketnummer 18-036781-25) en de poging zware mishandeling (parketnummer 18-166868-25) in verminderede mate toe te rekenen. Ten aanzien van de mishandeling (parketnummer 18-032180-25) kan er geen uitspraak worden gedaan over toerekenbaarheid, maar het is voorstelbaar dat de problematiek van verdachte heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het ten laste gelegde. Om de kans op recidive zo veel mogelijk te beperken, wordt ambulante behandeling en begeleiding geadviseerd. In november 2025 is echter gebleken dat een ambulante behandeling ontoereikend is. Het is derhalve voor de psycholoog niet mogelijk om een inschatting van het recidiverisico te maken aangezien het huidige toestandsbeeld van verdachte onduidelijk is. Het is onvoldoende duidelijke welke problematiek ten tijde van het plegen van de delicten het meest op de voorgrond heeft gestaan. Het is van belang dat er meer zicht komt op de etiologie en het beloop van zijn toestandsbeeld. De psycholoog adviseert daarom verdachte enige tijd te monitoren, waardoor er meer inzicht wordt verkregen over de behandel- en zorgbehoefte van hem. Gelet hierop is het niet mogelijk om een advies over de behandelmogelijkheden uit te brengen.
Uit de reclasseringsrapportage van 18 december 2025 is gebleken dat verdachte is aangemeld en geaccepteerd voor een opname in de Forensisch Psychische Afdeling [afdeling] . Een opnamedatum is nog niet bekend. Gezien de ernst van de problematiek en het feit dat een ambulante behandeling is mislukt, lijkt een klinische opname aangewezen. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog, evenals het risico op letsel en onttrekken aan de voorwaarden.
Er wordt geadviseerd een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen en het onvoorwaardelijke deel tenminste te laten duren tot eind februari zodat verdachte hopelijk dan terecht kan in [instelling] .
Straf
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling en rijden onder invloed.
De rechtbank is van oordeel dat een vrijheidsstraf de enige passende straf is, omdat de veelheid van bewezenverklaarde feiten en de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De rechtbank zal een deel van de vrijheidsstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen en om de oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden mogelijk te maken.
Oplegging van een straf zoals bepleit door de verdediging acht de rechtbank niet passend gelet op de ernst van de feiten en de ernst van de problematiek van verdachte.
Alles afwegend komt de rechtbank tot een oplegging van een gevangenisstraf van 394 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De duur van de klinische opname als bijzondere voorwaarde wordt beperkt tot de duur van één jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om een voorwaarde op te nemen met betrekking tot overbruggingszorg.
Gelet op de omstandigheid dat de bewezenverklaarde mishandelingen zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meer personen, in combinatie met de bij de verdachte vastgestelde problematiek en het door de reclassering als hoog ingeschatte recidiverisico overweegt de rechtbank dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan. De rechtbank zal daarom bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De rechtbank acht daarnaast de bijkomende straf van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden passend en geboden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] (parketnummer 18-032180-25), tot een bedrag van 120,00 ter zake van materiële schade en 2.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel;
Politie Eenheid Noord-Nederland (parketnummer 18-036781-25), tot een bedrag van 1.788,93 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen telkens volledig kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van [slachtoffer 1]
De raadsman heeft bepleit de gevorderde materiële schade niet toe te wijzen, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd.
De raadsman heeft bepleit 400,00 aan immateriële schade te toe wijzen, omdat het niet duidelijk is of het litteken in het gezicht van de benadeelde partij is ontstaan door de klap van verdachte.
Ten aanzien van Politie Eenheid Noord-Nederland
De raadsman heeft bepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van [slachtoffer 1] (parketnummer 18-032180-25) Materiële schade
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op 50,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.
Immateriële schade
Naar oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij blijvend letsel heeft opgelopen, te weten een litteken op zijn linker wang.
De rechtbank heeft acht geslagen op de Rotterdamse schaal en daarbij aansluiting gezocht bij categorie
9.2 (
d), minder ernstige littekenvorming. De Rotterdamse schaal bevat een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en biedt concrete aanknopingspunten bij het vaststellen van smartengeld in de rechtspraktijk.
De rechtbank stelt de hoogte van de schadevergoeding van de benadeelde partij naar billijkheid vast op 2.500,00 aan immateriële schade en wijst dit bedrag toe.
De vordering, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 september 2024.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Ten aanzien van Politie Eenheid Noord-Nederland (parketnummer 18-036781-25)
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde.
De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 januari 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Ten aanzien van 01-282981-23
Bij onherroepelijk vonnis van 30 november 2023 van de politierechter in de rechtbank s-Hertogenbosch, is verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 15 december 2023. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 5 februari 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Ten aanzien van 01-319482-23
Bij onherroepelijk vonnis van 13 februari 2024 van de politierechter in de rechtbank s-Hertogenbosch, is verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 30 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 27 februari 2024. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 5 februari 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen tot tenuitvoerlegging moeten worden toegewezen, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd wederom strafbare feiten heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit beide vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat de tenuitvoerleggingen gelet op de geëiste straf niet opportuun zijn. De raadsman heeft subsidiair bepleit beide proeftijden met één jaar te verlengen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van 01-282981-23 en 01-319482-23
Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straffen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 300, 302, 311, 350 en 420quatr van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-036781-25.
Verklaart het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 96-022402-25, het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-032180-25, het onder 1., 2. en 3. primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-036083-25, het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 96-050178-25, het onder 1. ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-036781-25 en het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-166868-25 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 394 dagen.

Bepaalt dat (van) deze gevangenisstraf (
een gedeelte, groot 180 dagen), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
1. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen veertien dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering van het Leger des Heils of werkt hij mee aan huisbezoeken op de locatie van zijn verblijf. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
2. dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd voor de duur van maximaal één jaar, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door Forensisch Psychiatrische Afdeling [afdeling] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek, woonoverlast en/of andere problematiek. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
3. dat aansluitend op de klinische behandeling veroordeelde zich zal laten behandelen door een nader te bepalen instelling voor ambulante forensische psychiatrie, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
4. dat veroordeelde ambulante begeleiding door Humanitas DMH of een soortgelijke zorgverlener aanvaardt, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de ambulante begeleiding.
5. dat veroordeelde aansluitend op de klinische behandeling verblijft - indien dit op dat moment geïndiceerd wordt geacht - in een instelling voor begeleid of beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt. Als veroordeelde zelfstandig gaat wonen, dan werkt hij mee aan ambulante woonbegeleiding en verandert hij niet van adres zonder toestemming van de reclassering.
6. dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen alcohol en drugs gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
7. dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van een opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het hierop uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
Ten aanzien van de benadeelde partij
[slachtoffer 1](parketnummer 18-032180-25),
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 2.550,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderdvijftig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 september 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer 1] voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.550,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 50,00 aan materiële schade en 2.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van de benadeelde partij
Politie Eenheid Noord-Nederland(parketnummer 18-036781-25) feit 2,
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan Politie Eenheid Noord-Nederland te betalen:
  • het bedrag van 1.788,93 (zegge: duizendzevenhonderdachtentachtig euro en drieënnegentig cent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van Politie Eenheid Noord-Nederland aan de Staat te betalen een bedrag van 1.788,93 (zegge: duizendzevenhonderdachtentachtig euro en drieënnegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 17 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

1.290199-23:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Oost-Brabant, locatie s Hertogenbosch van 30 november 2023, te weten: 20 uren taakstraf.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

1.319482-23:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Oost-Brabant, locatie s Hertogenbosch van 13 februari 2024, te weten: 30 uren taakstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Dijkstra voorzitter, mr. R.B. Maring en mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechters, bijgestaan door mr. M.M. Klungel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 februari 2026.
Mr. A. Dijkstra is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.