Oordeel van de rechtbank
96-022402-25
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van rijden onder invloed van 11 november 2024, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024203287 van 11 november 2024, inhoudend de verklaring van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
Een deskundigenrapport afkomstig van het Maasstad Ziekenhuis, zaaknummer 923240436088, d.d. 8 augustus 2024 opgemaakt door ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog dr. T.M. Bosch, , opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier.
Parketnummer 18-032180-25
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
De door verdachte ter zitting van 3 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend: Ik was op 15 september 2024 in Sneek. Ik heb aangever geslagen.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 17 oktober 2024, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024252410 van 4 februari 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik zag dat de man met zijn rechter gebalde vuist tegen mijn rechter kaak aansloeg. Ik
zag dat de man met zijn rechter gebalde vuist op mijn linker kaak sloeg. Vervolgens zag ik dat de man tegen mijn rechterscheenbeen schopte. Uit het niets zag ik dat de man mij met zijn rechter gebalde vuist mij tegen mijn linkeroog aansloeg. Ik ben vervolgens naar het ziekenhuis gebracht. Hier heb ik vijf hechtingen in mijn linkerwang gekregen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 6 december 2024, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :
Ik zag dat er op zijn linker wang een snee van ongeveer 3 centimeter zat.
4. Een geneeskundige verklaring, op 22 oktober 2024 opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts in opleiding, voor zover inhoudend, als geneeskundige verklaring van [arts] :
Op de linker wang, circa 2 centimeter onder de buitenste ooghoek is een enkele, bijna horizontaal verlopende lineaire huidontkleuring van circa 2,5 centimeter lengte en circa 1 millimeter hoogte, scherp begrensd. Hier parallel aan, zijn een drietal evenwijdig verlopende matig scherp begrensde, verticale, rode lijnvormige huidafwijkingen zichtbaar met een lengte van circa 3 millimeter en een breedte van circa 1 millimeter zichtbaar. Het betreft een gehecht en genezend huidletsel (litteken).
Op het rechter onderbeen zijn meerdere grillige onscherp begrensde, paarsblauwe huidverkleuringen zichtbaar, wisselend van grootte. Het betreffen onderhuidse bloeduitstortingen.
5. De eigen waarneming van deze rechtbank ter zitting van 3 februari 2026, op de overgelegde afbeelding van [slachtoffer 1] op 2 februari 2026, voor zover inhoudend:
De rechtbank neemt waar dat op de afbeelding een litteken van ongeveer 2 centimeter op de linker wang van aangever is te zien.
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 15 september 2024 in Sneek aangever meermalen tegen het hoofd heeft geslagen en tegen zijn rechter scheenbeen heeft geschopt. Uit de letselverklaring blijkt dat door de klap tegen het hoofd van aangever een litteken op zijn linkerwang is ontstaan. De rechtbank heeft, op basis van de recent aangeleverde afbeelding door aangever, vastgesteld dat het litteken geruime tijd na het incident nog te zien is. Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de afbeelding die bij het verzoek tot schadevergoeding is overgelegd, geen aanleiding geeft hieraan te twijfelen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het daarop getoonde letsel bloed onder het oog, een zwelling die op knappen stond en een wond met vijf hechtingen volledig overeenkomt met de verklaring van aangever in zijn aangifte, die ook wordt bevestigd door een huisartsenjournaal. Nu de afbeelding oogt als een zogenoemde selfie, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten dat de foto een gespiegelde weergave van het letsel laat zien. Aangever heeft aan het gevolg van de klap blijvend en ontsierend letsel in zijn gezicht overgehouden. Letsel van deze aard kan volgens de Hoge Raad worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.1 De rechtbank is op grond van het bovengenoemde van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigd bewezen kan worden, omdat er sprake is van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge.
Parketnummer 18-036083-25
Feit 1
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 november 2024, opgenomen op pagina 122 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024300997 van 14 december 2024, inhoudend de verklaring van [naam 1] ;
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 2 november 2024, opgenomen op pagina 135 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024300997 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam 1] .
Feit 2
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 3 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik was op 1 november 2024 samen met medeverdachte [medeverdachte] op een bouwplaats in Hardegarijp. Hier heb ik stroomkabels en aansluitstukken weggenomen.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 2 november 2024, opgenomen op pagina 27 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024300997 van 14 december 2024, inhoudend als verklaring van [naam 2] :
Bij de uitvoerderskeet trof ik een aansluitstuk, rood van kleur, met nog een stuk kabel eraan. Ik zag dat deze kabel was afgeknipt. De rest van de kabel ontbrak. Ik zag bij een van de complexen dat een andere kabel met een rood aansluitstuk door een kiepraam naar buiten hing. Kennelijk heeft de dader de kabel door het raam getrokken, de twee aansluitstukken ontkoppeld, en deze kabel verder bij de uitvoerderskeet heeft doorgeknipt waar de kabel naartoe liep. Verder zou er aan de weggenomen kabel nog een rood aansluitstuk moeten zitten.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 november 2024, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 3] :
Op vrijdag 1 november 2024, omstreeks 23:15 uur, liep ik het laatste rondje met de hond. Toen ik aan het lopen was zag een dat er een persoon op de bouwplaats van de koopwoningen liep. Ik zag dat hij wat aan het frutselen was, spullen aan het
klaarleggen was zoals het leek. Toen ik weer terugkwam zag ik dat er nu een ander persoon op de bouwplaats van koopwoningen was. Ik zag dat deze persoon kabels in zijn handen had. Ik zag dit aan de dikte en een het aansluitstuk. Dit is van een krachtstroomkabel. Ik zag ineens nu de twee mannen samen op de bouwplaats waren.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 2 november 2024, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Tijdens deze controle troffen wij bij dit voertuig onder andere [medeverdachte] en [verdachte] aan. In het voertuig werd onder andere een stroomkabel met een rode stekker (krachtstroom stekker) gevonden.
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat een getuige verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen heeft gezien op de bouwplaats waar een diefstal werd gepleegd en kort daarna samen zijn aangehouden door de politie in een auto waarin ook de weggenomen goederen werden aangetroffen. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van de diefstal van de stroomkabels en aansluitstukken, waaronder de verbreking. Dat verdachte het doorknippen van de kabels niet zou hebben gezien, zoals door de verdediging is betoogd, acht de rechtbank, mede gelet op de waarnemingen van de getuige en de wisselende verklaringen die verdachte zelf in dit kader op verschillende momenten heeft afgelegd, niet geloofwaardig.
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Feit 3
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte ter zitting van 3 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Mijn verklaring bij de politie over het huren van het voertuig klopt niet. Ik heb de bedrijfsauto bij het huis van medeverdachte [medeverdachte] opgehaald.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 28 oktober 2024, opgenomen op pagina 114 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024300997 van 14 december 2024, inhoudend als verklaring van [naam 4] :
Op vrijdag 25 oktober 2024, heeft de chauffeur de auto geparkeerd aan [adres] in Leeuwarden. Het gaat om een bedrijfsauto van het merk Mercedes Benz en type 904.6 Sprinter, wit van kleur en voorzien van het kenteken [kenteken] . Op maandag 28 oktober 2024 zag [naam 5] dat de auto niet meer op de hierboven genoemde locatie stond. De auto is voorzien van een aantal bijzonderheden:
- Op achterklep zit een sticker van een bij in een zwart vierkant.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 7 november 2024, opgenomen op pagina 222 e.v. van het voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 8] :
Ik doe aangifte van diefstal van een kentekenplaat. Ik hoorde van de politie dat er een kentekenplaat was aangetroffen, die van Arriva afkomstig was, namelijk kentekenplaat [kenteken] .
Op donderdag 31 oktober 2024 omstreeks 02:00 uur heeft een medewerker, de bus meegenomen. Hij plaatste het voertuig op [adres] te Leeuwarden.
Donderdag 31 oktober 2024 omstreeks 12:30 uur heeft hij de bus verplaatst naar de [adres] te Leeuwarden
Zondagavond 3 november 2024 heeft hij het voertuig geparkeerd aan de [adres] . Bij het verplaatsen is het niet opgevallen dat de kentekenplaat miste.
Op maandag 4 november 2024 omstreeks 13:30 uur kwam de medewerker er achter dat er een kentekenplaat ontbrak. Deze kentekenplaat bevond zich aan de achterzijde van het voertuig.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 november 2024, opgenomen op pagina 42 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Dit voertuig hebben wij gecontroleerd te Leeuwarden. Dit voertuig was aan de achterzijde voorzien van kenteken [kenteken] . Tijdens deze controle troffen wij bij dit voertuig onder andere [medeverdachte] , en [verdachte] aan.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 5 november 2024, opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :
Ik zag dat het voertuig aan de voorzijde voorzien was van kenteken [kenteken] . Na controle in de politiebedrijfsprocessen bleek dat dit kenteken niet bij dit voertuig hoorde. Na controle in de politiebedrijfsprocessen bleek dat de Mercedes geregistreerd staat als gestolen. Het kenteken wat origineel bij de Mercedes hoort is [kenteken] . Hiervan is aangifte gedaan. In de aangifte van diefstal voertuig wordt gesproken over een sticker op de achterzijde van het voertuig, op de laadklep. Deze sticker betreft een bij in een zwart vierkant. Collega [verbalisant] hebben de achterkant onderzocht. Wij zagen dat er geen sticker aanwezig was op de laadklep. Echter, rook ik gelijk de lucht van verf wat net was aangebracht/gespoten. Om zeker te zijn van wat ik rook heb ik de laadklep van dichtbij geroken. Bij deze keer wist ik zeker dat de laadklep wit geverfd dan wel gespoten was. Bij nader onderzoek aan de laadklep
zag ik ongeveer in het midden de contouren van een vierkant.
Verder zag ik linksboven van de laadklep, bij het metaal, uitlopers of "druipers" van
witte verf. Ik voelde dat deze nog zacht waren en voelde en zag dat ik deze kon platdrukken.
Bij het opentrekken van de deur aan de rechterzijde van de bak zagen wij een groot aantal ingeklapte kratten. Ik zag dat een paar van de kratten aangetroffen in de bak van de Mercedes overeenkwamen met de videofragmenten van aangifte diefstal. Tevens is op één van deze videofragmenten de laadklep van de Mercedes zichtbaar met daarop het vierkant met de bij. Ik zag dat collega [verbalisant] nog twee kentekenplaten op de bijrijdersstoel vond. Nog een kentekenplaat voorzien van [kenteken] , zoals aan de voorzijde van het voertuig
aangetroffen en kentekenplaat voorzien van [kenteken] . Na onderzoek in de politiebedrijfsprocessen bleek dit kenteken afkomstig te zijn van een voertuig van Arriva.
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat gelet op het korte tijdsbestek waarin de verschillende feiten en constateringen hebben plaatsgevonden, het niet anders kan dan dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat de kentekenplaten en het voertuig uit enig misdrijf afkomstig waren en dat het wisselen van de kentekenplaten diende om dat te verhullen. Verdachte heeft zich op 1 november 2024, op meerdere momenten en samen met medeverdachte [medeverdachte] in dit voertuig verplaatst om meerdere diefstallen te plegen. Het voertuig is op die datum rondom het tijdstip van de eerste diefstal in de vroege ochtend waargenomen op camerabeelden en in de daarop volgende nacht bij de aanhouding van beide verdachten. Daarbij werd vastgesteld dat beide keren de kentekenplaten voor en achter verschillend waren en dat beide keren andere kentekens waren geplaatst. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte niet zou hebben gezien dat de kentekenplaten op het voertuig gedurende deze dag zijn verwisseld. Te meer omdat er ook kentekenplaten op de bijrijdersstoel van het voertuig lagen waarin verdachte heeft gereden en gezeten. De rechtbank acht om dezelfde reden het eveneens niet aannemelijk dat hij niet zou hebben vernomen dat de sticker op de achterkant van de Mercedes gedurende diezelfde dag in de tijd tussen beide diefstallen in, is overgeverfd. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte hierover op verschillende momenten wisselend heeft verklaard en ook ter zitting heeft aangegeven dat hij bij de politie een valse verklaring heeft afgelegd om medeverdachte [medeverdachte] in bescherming te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Parketnummer 96-050178-25
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van rijden onder invloed d.d. 11 februari 2025, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024300820 d.d. 11 februari 2025, inhoudend de verklaring van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;
Een deskundigenrapport afkomstig van het Maasstad Ziekenhuis, zaaknummer 923240629324, d.d. 19 november 2024 opgemaakt door ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog dr. T.M. Bosch, opgenomen op
pagina 31 e.v. van voornoemd dossier.
Parketnummer 18-036781-25
Feit 1
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 10 januari 2025, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025008429 van 7 februari 2025, inhoudend als verklaring van [naam 6] :
Plaats delict: Sneek
Ik ben door mijn collegas op de hoogte gebracht van de vernieling van dit dienstvoertuig. Zij vertelden mij dat het voertuig op vrijdag 10 januari 2025 is vernield. Zij vertelden mij tevens dat zij een aangehouden verdachte [verdachte] naar het genoemde dienstvoertuig
brachten en dat zij hadden gezien dat verdachte eerst het achterlicht kapot schopte en vervolgens een deuk in het rechter achterportier schopte.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 15 januari 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] en [verbalisant] :
Toen wij bij de rechterachterzijde van ons dienstvoertuig waren zagen wij dat [verdachte] met kracht met zijn rechtervoet tegen het rechterachterlicht van ons dienstvoertuig aantrapte. Wij zagen dat het achterlicht stuk ging en het plasticglas hiervan op de grond viel. Wij voelden dat [verdachte] in tegengestelde richting verzet begon te bieden toen wij de achterdeur van het dienstvoertuig wilden openen. Opnieuw zagen wij dat de verdachte zijn rechterbeen omhoog deed en hiermee tegen het dienstvoertuig aankwam. Ons onbekend gebleven of hij dat met zijn knie of met zijn voet deed. Wij zagen dat er een lichte deuk in de rechterachterdeur van ons dienstvoertuig was ontstaan, op de plaats waar hij het voertuig raakte.''
Bewijsoverweging
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte op 10 januari 2025 het politievoertuig heeft beschadigd door tegen het rechterachterlicht en rechterachterdeur te trappen. De rechtbank is van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Parketnummer 18-166868-25
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 juni 2025, opgenomen op pagina 34 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025142781 van 2 juni 2025 inhoudend de verklaring van [naam 7] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 1 juni 2025, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Bewijsoverweging
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte aangever heeft geschopt of met gebalde vuist heeft geslagen of gestompt. Uit de getuigenverklaring van [naam 7] en de beschrijving van de camerabeelden door de politie volgt wel dat verdachte aangever tweemaal met een wijnfles met veel kracht tegen het hoofd heeft geslagen. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.