De rechtbank Noord-Nederland heeft op 27 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het voorhanden hebben van vijf vuurwapens en bijbehorende munitie. Het ten laste gelegde feit betrof het bezit van meerdere omgebouwde gaspistolen en alarmpistolen, allen van categorie III volgens de Wet wapens en munitie, op of omstreeks 29 mei 2025 te Emmen.
De rechtbank achtte het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van de bekennende verklaring van verdachte en diverse proces-verbalen van bevindingen. Verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.
Verdachte voerde aan dat hij de wapens ter zelfbescherming had aangeschaft vanwege bedreigingen en een schietincident waarbij hij zelf werd beschoten. De rechtbank oordeelde echter dat het bewapend opzoeken van de confrontatie met bedreigers geen zelfverdediging was, maar een bewuste keuze die strafverzwarend werkt. Ook werd meegewogen dat verdachte het feit pleegde tijdens een lopende proeftijd voor een eerdere vuurwapenveroordeling.
Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden en de strafrechtelijke oriëntatiepunten, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 36 maanden op, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest had doorgebracht. De straf zal volledig in een penitentiaire inrichting worden uitgevoerd totdat voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk is.