Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:651

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
18-210730-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetaanranding met voorwaardelijke jeugddetentie en werkstraf

Op 16 augustus 2024 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding door onder de kleding de borst en de venusheuvel van het slachtoffer aan te raken, ondanks herhaalde afwijzing door het slachtoffer.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van het slachtoffer en getuigen, waarbij de verklaringen betrouwbaar en overtuigend werden bevonden ondanks het ontbreken van DNA-bewijs. De verdediging voerde tegenstrijdigheden aan en betwistte het bewijs, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn leeftijd en begeleiding door de jeugdreclassering, en legde een voorwaardelijke jeugddetentie van twee weken met een proeftijd van twee jaar op, naast een werkstraf van 80 uur.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €750 aan het slachtoffer wegens immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De rechtbank wees de vordering van de benadeelde partij volledig toe en legde een schadevergoedingsmaatregel op om betaling te bevorderen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van 2 weken, een werkstraf van 80 uur en een schadevergoeding van €750 aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-210730-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van 19 februari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Bonthuis, advocaat te Haskerdijken.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.R. Posthuma.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te Leeuwarden, althans in Nederland, met een persoon, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
  • zijn, verdachtes, arm om die [slachtoffer] heen te slaan en haar mee te trekken en/of te sleuren, en/of
  • het knijpen, strelen en/of beetpakken van de blote (rechter)borst van die [slachtoffer] door zijn, verdachtes, hand in het shirt van die [slachtoffer] te steken, en/of
  • het strelen en/of aanraken van de blote venusheuvel van die [slachtoffer] door zijn, verdachtes, hand in de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] te steken terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde feit gevorderd. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar en geloofwaardig is. De verklaring van aangeefster wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige 1] en de getuigenverklaring van [getuige 2] . Aangeefster heeft direct na het incident met de politie gesproken en daarbij details van het gebeuren verteld die zij bij haar aangifte heeft herhaald.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van overtuigend bewijs. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 3] tegenstrijdigheden bevatten. Bovendien kunnen de handelingen niet hebben plaatsgevonden, gelet op het korte tijdsbestek tussen het moment waarop aangeefster haar piercing aan verdachte zou hebben laten zien en het moment waarop de medewerkers van Handhaving ter plaatse zijn gekomen. Bovendien kan [getuige 1] aangeefster niet gezien hebben toen zij zou zijn aangerand, omdat zij en verdachte om de hoek en uit het zicht van [getuige 1] en [getuige 3] stonden. Tot
slot is er geen DNA van verdachte aangetroffen op de onderzochte kleding van het slachtoffer, hetgeen een contra-indicatie oplevert.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 30 augustus 2024, opgenomen op pagina 37 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024223461 van 25 juni 2025, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Plaats delict: Leeuwarden Pleegdatum: 16 augustus 2024
Hij
(de rechtbank begrijpt: verdachte)heeft mij meegesleurd naar de andere kant van het station. We stonden toen naast de trap naar de fietsenstalling toe. Hij raakte mijn borst aan en toen heb ik zijn hand weggeslagen. [naam]
(de rechtbank begrijpt: verdachte)zat ook de hele tijd aan de voorkant van mijn broek te trekken. Hij deed weer zijn hand op mijn borst. Toen heb ik weer zijn hand weggedaan en nogmaals verteld dat ik het echt niet wou. Ik heb ook meerdere keren gezegd dat ik het niet wou. Toen deed hij weer hetzelfde dingetje wat hij eerder deed bij mijn broek, dus een beetje naar voren trekken. Deze keer ging hij wat dieper met zijn vinger in mijn broek. Hij raakte iets aan van het schaamgedeelte. Niet mijn vagina of clitoris, maar daar boven nog. Weer heb ik zijn hand weggehaald. Ik had een topje aan en hij gleed uiteindelijk wel met zijn hand in mijn topje. Toen zijn hand in mijn topje gleed, raakte hij mijn tepel aan.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 18 oktober 2024, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
Ik heb gezien dat de verdachte met zijn handen in de trui van [slachtoffer]
(de rechtbank begrijpt: aangeefster [slachtoffer] )is geweest, in haar bh geweest. Ik heb verder gezien dat de handen richting de onderkant gingen. Ik heb gezien dat [slachtoffer] het niet fijn vond. Ik zag dat zij naar mij seinde. Hij had haar meegenomen en toen ik bij haar kwam, zag ik dat hij zijn handen bij [slachtoffer] had wat niet hoort. Pas toen hij haar meenam waar het publiek zo niet kon komen, zag ik dat hij haar op andere plekken aanraakte. Richting de borsten, voorkant en kont.
Bewijsoverweging
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank de ten laste gelegde opzetaanranding wettig en overtuigend bewezen. Dat het onderzoek aan de kleding van aangeefster niet heeft geleid tot een DNA-match met verdachte, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Dat getuige [getuige 1] niet kan hebben gezien wat er gebeurde tussen verdachte en aangeefster, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Aangeefster heeft immers verklaard dat zij toen samen met verdachte naast de trap naar de fietsenstalling stond.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 16 augustus 2024 te Leeuwarden met een persoon, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen heeft verricht, te weten
  • het aanraken van de blote borst van [slachtoffer] door zijn hand in het shirt van [slachtoffer] te steken, en
  • het aanraken van de blote venusheuvel van [slachtoffer] door zijn hand in de broek en onderbroek van [slachtoffer] te steken terwijl hij wist dat bij [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Opzetaanranding.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie passend is als het tot een veroordeling zou komen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding door onder de kleding de borst en de venusheuvel van het slachtoffer aan te raken. Hiermee heeft verdachte een ontoelaatbare en ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. Verdachte heeft er blijk van gegeven enkel oog te hebben gehad voor zijn eigen verlangens en hij heeft het feit dat het slachtoffer aangaf dit niet te willen, telkens genegeerd. Dat het feit ingrijpende gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer blijkt onder meer uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft de strafbare feiten gepleegd toen hij 17 jaar oud was. Uit de justitiële documentatie van 29 december 2025 blijkt dat verdachte weliswaar eerder is veroordeel voor strafbare feiten, maar niet eerder voor een soortgelijk feit.
De rechtbank heeft ook gelet op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 3 februari 2026. Uit het rapport blijkt dat er op dit moment sprake is van toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis in een andere strafzaak. Verdachte woont sinds 30 december 2025 begeleid en heeft dagbesteding. De Raad schat het risico op recidive in als gemiddeld tot hoog. Het recidiverisico wordt lager geschat nu verdachte begeleid wordt door de jeugdreclassering. Volgens de Raad heeft een gebrek aan inzicht en een gebrek aan
sociale-/probleemoplossende vaardigheden bijgedragen aan het delictgedrag. Daarnaast is sprake van een laag intelligentieniveau en een sociaal-emotionele ontwikkelingsachterstand. De Raad acht een jeugddetentie niet wenselijk, gelet op het reeds ingezette begeleidingstraject. Bij een veroordeling adviseert de Raad een geheel onvoorwaardelijke werkstraf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen aan verdachte. Een voorwaardelijke straf zal volgens de Raad geen pedagogische meerwaarde hebben.
Op te leggen straf
Naar het oordeel van de rechtbank doen de eis van de officier van justitie en het advies van de Raad onvoldoende recht aan de ernst van het feit. De rechtbank overweegt hierbij dat het taakstrafverbod, ex artikel 77ma van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van toepassing is en verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk verrichten van ongewenste seksuele handelingen, die veel verder gaan dan een enkele aanraking boven de kleding. Door ingrijpen van de getuige [getuige 1] die Handhaving heeft gewaarschuwd is erger voorkomen. Ondanks de ernst van het feit, zal de rechtbank, gelet op het reeds ingezette begeleidingstraject, geen onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren, alsmede een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen jeugddetentie passend en oplegging daarvan geboden is.
Gelet op het rapport van de Raad, zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarden verbinden aan de voorwaardelijke jeugddetentie. Dat het feit anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden, maakt het oordeel van de rechtbank over de straf niet anders.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 750,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering gematigd dient te worden, gelet op het eigen aandeel van de benadeelde partij.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft 750,00 aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast, als bedoeld in artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank neemt daarbij de aard en ernst van het bewezenverklaarde in aanmerking. Deze brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat sprake is van een persoonsaantasting. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij na het voorval gestopt is met school en onder andere voor deze gebeurtenis behandeling ondergaat.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse schaal en uitspraken in vergelijkbare zaken. Gelet daarop acht de rechtbank de vordering zonder meer billijk. De rechtbank zal dit bedrag niet matigen, zoals door de raadsman is betoogd. Dat er sprake zou zijn van een eigen aandeel van de benadeelde partij is onvoldoende gesteld en in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij dan ook in zijn geheel toe.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Het aantal dagen dat gijzeling kan worden toegepast bepaalt de rechtbank vanwege de toepassing van het jeugdstrafrecht op nul.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over het toegewezen schadebedrag toewijzen vanaf de datum van het ontstaan van de schade. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 241 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

Een jeugddetentie voor de duur van 2 weken.

Bepaalt dat deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 0 dagen.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. van Sloten, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. N.A. Vlietstra en mr.
L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 februari 2026.
Mr. E.P. van Sloten en W. van Goor zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.