ECLI:NL:RBNNE:2026:74

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
18.205210.24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor mensenhandel en verkrachting met ernstige bedreigingen en geweld

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in Groningen uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van mensenhandel en verkrachting. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar. De zaak betreft de uitbuiting van een jonge vrouw, die verliefd was op de verdachte, maar uiteindelijk onder druk en bedreiging met geweld gedwongen werd tot seksuele handelingen en criminele activiteiten. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar waren en ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder chatberichten en getuigenverklaringen. De verdachte en zijn medeverdachte hebben de aangeefster herhaaldelijk bedreigd met geweld, haar gedwongen om grote bedragen te betalen en haar in haar vrijheid ernstig beperkt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in vereniging en medeplegen van verkrachting. De vordering van de benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen, waarbij de rechtbank een schadevergoeding van € 38.602,26 heeft toegewezen, bestaande uit materiële en immateriële schade. De rechtbank heeft ook een contactverbod opgelegd voor de duur van vijf jaar.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.205210.24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum ] 1993 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 en 17 december 2025. Het onderzoek is gesloten ter terechtzitting van 14 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij, (op een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 april 2023 tot en met 26 maart 2024 te Assen en/of Heerenveen en/of Groningen, althans in Nederland, meerdere malen, althans eenmaal, tezamen en in verenging met anderen, althans alleen,
(A) (mevrouw) [slachtoffer] , (telkens)
  • door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkheid (en), en/of
  • door dreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkheid (en), en/of
  • door afpersing en/of fraude en/of misleiding, en/of
  • door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, en/of
  • door misbruik van een kwetsbare positie, heeft
  • geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van (criminele en/of seksuele) uitbuiting van die ander, (sub 1) en/of
  • gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, (sub 4),
(B)
- ( (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de (criminele en/of seksuele) uitbuiting van een ander, te weten (mevrouw) [slachtoffer] , (sub 6),
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
  • een relatie met die [slachtoffer] begonnen en/of onderhouden en/of gehad, en/of
  • (meermalen) een vuurwapen op die [slachtoffer] gericht en/of tegen haar hoofd gezet en/of haar met vuurwapens en/of messen bedreigd en/of gedreigd die [slachtoffer] neer te schieten en/of haar vingers af te knippen en/of die [slachtoffer] (anderszins) bedreigd, en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) bij de keel gepakt en/of (met een vuurwapen) (in het gezicht) geslagen en/of aan haar haren getrokken en/of geschopt en/of op de grond gegooid en/of een stoot met de elleboog gegeven en/of gebeten en/of geduwd en/of (anderszins) geweld tegen haar gebruikt, en/of
  • die [slachtoffer] voorgehouden dat verdachte(n) contacten hadden bij de politie, en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) vernederd en/of uitgelachen, en/of
  • tegen die [slachtoffer] geschreeuwd en/of gescholden en/of boos en/of agressief gereageerd, en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) voorgehouden dat ze het bezit van verdachte(n) was, en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) opgedragen haar huis niet uit te gaan en/of haar livelocatie te delen en/of die [slachtoffer] (ongevraagd) (op haar werk) opgezocht en/of (daarmee) die [slachtoffer] in haar bewegingsvrijheid belemmerd, en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) opgedragen geen contact te hebben met familie en/of vrienden en/of telefoonnummers van vrienden te verwijderen, en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) toestemming laten vragen om (onder meer) naar de sportschool te gaan en/of om naar mensen toe te gaan en/of naar feestjes te gaan en/of bepaalde kleding te dragen en/of aan te schaffen, en/of
  • (meermalen) de telefoon van die [slachtoffer] gecontroleerd, en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) cocaïne en/of (andere) drugs (voor eigen gebruik door die [slachtoffer] ) gegeven en/of verstrekt, en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) (wanneer ze niet luisterde) boetes (variërend van meer dan 1.000,- tot 10.000,-) laten betalen en/of termijnen gesteld voor terugbetaling en/of voorgehouden dat geld moest worden betaald en/of een schuld moest worden terugbetaald, en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) (dure) goederen voor verdachte(n) laten kopen, en/of
  • gedreigd de ouders en/of vrienden van die [slachtoffer] dood te maken en/of de stamboom van die [slachtoffer] uit te moorden wanneer boetes niet werden betaald en/of ze zou praten, en/of
  • die [slachtoffer] voorgehouden dat (een gedeelte van) de boetes kon worden terugbetaald door seks te
hebben met verdachte en/of mededader(s), en/of het plegen van (bankhelpdeks en/of marktplaats)fraude, en/of
  • die [slachtoffer] bewogen en/of aangezet tot het plegen van (bankhelpdesk en/of markplaats)fraude en/of die [slachtoffer] verhuurd en/of uitgeleend aan anderen ten behoeve van het plegen van fraude, en/of
  • die [slachtoffer] opdracht en/of instructies gegeven om (bankhelpdesk en/of markplaats)fraude te plegen, en/of die [slachtoffer] in contact heeft gebracht met [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 4] ten behoeve van het plegen van (bankhelpdesk en/of marktplaats)fraude, en/of
  • aangegeven dat die [slachtoffer] niet kon stoppen met het plegen van (bankhelpdesk en/of markplaats)fraude omdat boetes moesten worden terugbetaald en/of verdachte(n) investeringen in die [slachtoffer] hadden gedaan en die moesten worden terugverdiend, en/of
  • (meermalen) door die [slachtoffer] met (bankhelpdesk en/of markplaats)fraude verdiend gelden in ontvangst genomen en/of afgepakt en/of ingenomen en/of door die [slachtoffer] laten afstaan,
  • (meermalen) boos op die [slachtoffer] gereageerd omdat niet genoeg geld werd verdiend en/of boetes niet (snel genoeg) werden terugbetaald, en/of
  • die [slachtoffer] voorgehouden dat ze meer geld moest verdienen en/of wanneer ze niet meer geld zou verdienden ze werkzaamheden in de prostitutie moest verrichten, en/of
  • die [slachtoffer] bewogen toe te staan dat een kluis in haar woning werd geplaatst ten behoeve van het bewaren van (drugs)geld en/of een vuurwapen en/of een verfbom, en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) opgedragen en/of aangezet en/of gedwongen seks te hebben met verdachte en/of mededader(s) en/of [medeverdachte 2] , en/of seksuele handelingen te verrichten bij verdachte en/of mededader(s) en/of [medeverdachte 2] , en/of
  • die [slachtoffer] (meermalen) bewogen filmpjes te maken van seksuele handelingen die ze voor verdachte(n) moest uitvoeren, (zulks) terwijl die [slachtoffer] :
  • (zelf) drugs gebruikte en/of drugsverslaafd was, en/of
  • bang en/of angstig voor verdachte en/of zijn mededaders was, en/of (aldus) terwijl die [slachtoffer] zich in een kwetsbare positie bevond en/of (zulks) terwijl die [slachtoffer] zich niet kon onttrekken aan het psychische overwicht dat hij, verdachte, en/of mededader(s), op die [slachtoffer] had, en/of
  • waartegen die [slachtoffer] zich niet durfde en/of kon verzetten, en/of
  • waaraan die [slachtoffer] zich niet kon onttrekken;
2.
hij, (op een of meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 3 januari 2024 tot en met 26 maart 2024, althans in de periode 1 april 2023 tot en met 26 maart 2024, te Assen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten:
  • het (meermalen) vastpakken van [slachtoffer] en/of het op de grond en/of op de bank duwen van die [slachtoffer] en/of het/iets tegen het hoofd duwen van die [slachtoffer] , en/of
  • het uitkleden van [slachtoffer] , en/of
  • het tegen die [slachtoffer] zeggen dat ze het toch nooit zou winnen en moest ophouden zich te verzetten en/of te zeggen "ik wil je geen pijndoen maar je moet leren luisteren”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking, en/of
  • het (meermalen) (met een riem) slaan op het lichaam en/of de geslachtsdelen van [slachtoffer] , en/of
  • het op de grond en/of het in (directe) de omgeving rondom die [slachtoffer] slaan met een riem en/of zweep en/of kussen en/of andere goederen, en/of
  • het opdragen aan [slachtoffer] stil te zitten en/of op haar knieën te zitten met de billen richting verdachte(n), en/of
  • een riem om de nek van [slachtoffer] te doen, en/of [slachtoffer] hiermee over het bed heen te trekken, en/of
  • tegen [slachtoffer] te zeggen dat ze haar benen moest spreiden en/of [slachtoffer] vast te houden en/of vervolgens (meermalen) tegen (de vagina) van [slachtoffer] te slaan, en/of
  • (aldus) een zodanige situatie gecreëerd dat [slachtoffer] zich niet kon verzetten tegen nader genoemde seksuele handelingen, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , te weten het
brengen van de penis van verdachte en/of mededader(s) in de mond en/of vagina van die [slachtoffer] en/of het brengen van een (grote) dildo en/of haarborstel en/of kleerhanger en/of andere goederen in de vagina van die [slachtoffer] .

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding onder feit 1 partieel nietig moet worden verklaard ten aanzien van het vijfde gedachtestreepje, te weten het “die [slachtoffer] (meermalen) vernederd en/of uitgelachen, en/of”, omdat de begrippen uitlachen en vernederen te onduidelijk zouden zijn en nadere toelichting behoeven.
De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is en niet in strijd is met artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De rechtbank overweegt dat de begrippen vernederen en uitlachen voldoende feitelijk zijn en dat uit de tenlastelegging in combinatie met de inhoud van het dossier, voldoende blijkt waartegen verdachte zich moet verdedigen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en verklaart de dagvaarding geldig, zodat deze inhoudelijk kan worden beoordeeld.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 en 2. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) betrouwbaar zijn en worden ondersteund door voldoende andere bewijsmiddelen, waaronder getuigenverklaringen en chatberichten tussen aangeefster, verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van feiten 1 en 2. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn en dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aangeefster (zelf) te mogen horen bij de rechter-commissaris, nu hij daartoe nog geen redelijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad, hetgeen een schending van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM) met zich meebrengt. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van aangeefster onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen.
Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat onvoldoende is gebleken van een samenwerking of overleg tussen verdachte en [medeverdachte 3] om te kunnen spreken van medeplegen.
Tevens heeft de raadsman verzocht de pleegperiode in te korten.
Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman voorts gewezen op inconsistenties als het gaat om het moment waarop een verkrachting in maart 2024 zou hebben plaatsgevonden. De data en tijden waarover getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) verklaarde komen niet overeen met de camerabeelden van 22 maart 2024.
Verdachte heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de uitbuiting en verkrachting van aangeefster. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij een affaire met aangeefster heeft gehad, maar dat haar verklaringen niet het hele verhaal zijn. Hij stelt dat hij niet veel contact met haar had, dat hij haar berichten amper las en maar beperkt reageerde omdat hij druk was met zijn eigen gezin. Verdachte heeft weliswaar geldbedragen van aangeefster ontvangen, maar dit betrof telkens geld dat zij van hem had geleend.
Oordeel van de rechtbank
De betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster
Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster is van belang of deze consistent en logisch zijn. Hierbij acht de rechtbank tevens van belang of de verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen.
De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster consistent en logisch. Aangeefster verklaart zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris praktisch hetzelfde. Haar verklaringen worden bovendien ondersteund door (een weergave van) chatgesprekken die aangeefster gedurende de ten laste gelegde periode met regelmaat voerde met hulpverleningsinstantie FIER. Daarnaast komen de gebeurtenissen waarover zij heeft verklaard terug in door haar overgelegde fragmenten uit haar dagboek.
De rechtbank constateert voorts dat de verklaringen van aangeefster zeer gedetailleerd zijn en veel elementen bevatten die authentiek overkomen. Zo wijst de rechtbank bijvoorbeeld op passages waarin aangeefster verklaart dat de keren dat verdachte en [medeverdachte 3] zeiden dat ze van haar hielden meer waard was dan de keren dat ze haar pijn deden en dat ze ondanks alles wat haar werd aangedaan toch lang verliefd bleef op verdachte. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster te twijfelen, temeer nu zij op diverse punten worden ondersteund door onder meer chatberichten tussen aangeefster, verdachte en medeverdachte.
De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster dan ook betrouwbaar en zal deze als bewijsmiddel gebruiken.
Beoordeling van feit 1: mensenhandel
Juridisch kader mensenhandel
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Dit artikel staat in titel XVIII, de titel die ziet op de misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. Uit de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie over dit wetsartikel volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Uitbuiting moet daarbij beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop; dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke of geestelijke integriteit en vrijheid. De in artikel 273f Sr verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen die deel uitmaken van artikel 273f Sr.
De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de artikel 273f, eerste lid, Sr, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling of de te verrichten activiteit, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de verdachte wordt behaald.1 De rechtbank ziet deze elementen
als communicerende vaten: een beperkt gewicht van de ene factor kan worden gecompenseerd door een groter gewicht van de andere factoren. Zo zal er in het geval van prostitutiewerkzaamheden - gelet op de aard van het werk en de forse inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer - in het geval van gebruik van enig dwangmiddel en enig financieel gewin bij de verdachte al snel sprake zijn van uitbuiting.
Voor oogmerk van uitbuiting is vereist dat het handelen van verdachte, naar hij of zij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus gewild gevolg meebracht dat de ander door hem of haar werd of zou kunnen worden uitgebuit.
Tot slot overweegt de rechtbank dat instemming van het slachtoffer met de uitbuiting niet in de weg staat aan een bewezenverklaring wanneer er sprake is van gebruik van dwangmiddelen.
Vaststelling van de feiten
De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de feitelijke gang van zaken - kort samengevat - vast als het gaat om de voor uitbuiting relevante omstandigheden.
In 2023 ontmoetten aangeefster, verdachte en [medeverdachte 3] elkaar in een tattooshop, waarna aangeefster en verdachte contact hielden. Aangeefster raakte verliefd op verdachte. Hij was lief voor haar en ze hadden elke dag seks. Aangeefster vertelde verdachte over de nare relatie met haar drugsverslaafde ex-vriend en verdachte beloofde haar tegen die ex-vriend te beschermen.
Na enkele weken wilde verdachte dat aangeefster ook seks had met [medeverdachte 3] . Dat wilde aangeefster niet, waarna er ruzie ontstond. Verdachte kwam bij aangeefster langs met een pistool en zette het pistool op haar hoofd. Hij zei haar dat ze een boete moest betalen, anders zou hij haar vingers eraf knippen. Aangeefster koos ervoor om de boete te betalen. Toen ze de volgende dag aangaf geen contact meer met hem te willen, zei verdachte dat ze zich aan de afspraak moest houden en een boete van 1.500,00 moest betalen. Aangeefster ging dit bedrag voor hem pinnen. Omdat de daglimiet was bereikt bij de pinautomaat, moest ze het resterende bedrag overmaken aan de moeder van verdachte. Deze overboeking was op 1 juni 2023.
Verdachte ging zich opstellen als baas van aangeefster. Ze moest hem aanspreken met “meneer”, moest doen wat hij wilde en moest toestemming vragen als ze naar anderen wilde, wat regelmatig werd geweigerd. Verdachte zei dat aangeefster zijn bezit was en ze mocht niet met andere jongens praten.
Verdachte en [medeverdachte 3] hadden een trio met aangeefster. Toen verdachte minder tijd voor aangeefster had, zei hij dat ze seks met alleen [medeverdachte 3] moest hebben, wat ook gebeurde. Aangeefster moest ook naar [medeverdachte 3] luisteren. Aangeefster was er inmiddels achter dat verdachte getrouwd was, maar verdachte hield haar voor dat zijn huwelijk alleen zakelijk was. Aangeefster hield hoop dat als zij naar hem luisterde, dat hij voor haar zou kiezen en dat dingen beter zouden worden.
Aangeefster werd echter door zowel verdachte als [medeverdachte 3] mishandeld en bedreigd. Verdachte bedreigde en sloeg haar meermalen met een pistool. [medeverdachte 3] bedreigde haar met een mes.
Ook dreigde verdachte om haar familie iets aan te doen. Verdachte en [medeverdachte 3] hadden de sleutel van de woning van aangeefster en brachten in de zomer van 2023 een kluis met drugs, een tas met geld en een wapen onder in haar woning.
Verdachte en [medeverdachte 3] legden aangeefster allebei boetes op. Op enig moment had aangeefster
17.000,00 aan boetes betaald aan verdachte en [medeverdachte 3] . Ook kocht ze dure kleding, schoenen, brillen en boksbeugels voor hen.
Omdat de opgelegde boetes hoger waren dan het salaris van aangeefster, regelde verdachte dat aangeefster kon “werken” voor kennissen van hem. Ze moest zich ziekmelden bij haar eigen werk en ging bankhelpdeskfraude plegen met medeverdachte [medeverdachte 1] . Aangeefster kreeg drugs van verdachte en [medeverdachte 3] . Op het laatst gebruikte ze elke dag drugs om wakker te blijven. In januari 2024 overhandigde aangeefster 10.000,00 aan [medeverdachte 3] . Ze maakte een opname van de overdracht met haar telefoon. In februari 2024 werd aangeefster door verdachte meegenomen naar een hotel voor een afspraak met medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ). Daarbij werd [medeverdachte 4] gevraagd of hij aangeefster naar seksafspraken wilde brengen en zou [medeverdachte 4] voor 500,00 seks met aangeefster mogen hebben. Hier ging [medeverdachte 4] niet op in. Wel pleegde aangeefster later samen met hem marktplaatsoplichtingen.
Aangeefster kreeg steeds hogere boetes opgelegd en verdachte en [medeverdachte 3] dreigden om haar auto in te nemen en haar familie dood te maken als ze die niet betaalde. Getuige [getuige 1] verklaarde dat ze aangeefster steeds verder zag afglijden. Getuige [getuige 2] zag dat aangeefster steeds magerder werd en een ingevallen gezicht had. Medeverdachte [medeverdachte 4] omschreef aangeefster als “zwaar aan de coke”. In maart 2024 zochten verdachte en [medeverdachte 3] aangeefster op haar werk op. Toen ze de boetes niet meer kon betalen, vreesde aangeefster in de prostitutie te belanden en zag de geen uitweg meer.
Op 26 maart 2024 grijpt hulpverleningsinstantie Fier in en wordt aangeefster naar een veilige plek gebracht, waarmee de situatie tot een einde komt.
In reactie op de verklaring van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte stelt dat aangeefster niet het hele verhaal vertelt. Hoe het hele verhaal precies zou luiden en welke (andere) uitleg er is voor de dwingende en dreigende berichten die hij aan aangeefster stuurde, verklaart hij echter niet. Met betrekking tot de door hem ontvangen geldbedragen van aangeefster stelt hij dat dit terugbetalingen van leningen waren. De rechtbank constateert echter dat in chatgesprekken tussen hem en aangeefster meermalen wordt gesproken over boetes. Als aangeefster noemt dat zij al “17k aan boetes” heeft gekregen, spreekt verdachte dit niet tegen, maar zegt hij dat het haar eigen schuld is. De stelling van verdachte dat hij zijn aandacht niet bij (berichten van) aangeefster had omdat hij druk was met zijn eigen gezin, ziet de rechtbank weersproken in de frequentie en inhoud van de chatberichten. Zo wisselde verdachte in een periode van drie weken ruim 5.000 berichten met aangeefster. Ook was verdachte zeer concreet in zijn bewoordingen aan haar, zowel in chatberichten als in een door aangeefster opgenomen gesprek. Zo geeft hij aan dat hij werk voor haar heeft geregeld, en als aangeefster vraagt of ze later mag betalen, dreigt hij met een extra boete, scheldt hij haar uit voor mafkees en maakt hij haar duidelijk dat hij degene is die de beslissingen neemt.
Conclusie ten aanzien van feit 1
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of op basis van bovenstaand feitencomplex en met inachtneming van het geschetste juridische kader van mensenhandel kan worden bewezen dat verdachte aangeefster heeft uitgebuit, al dan niet samen met [medeverdachte 3] .
De rechtbank constateert met betrekking tot de aard en duur van de diensten en werkzaamheden dat aangeefster gedurende ongeveer tien maanden boetes moest betalen aan en goederen moest kopen voor verdachte en [medeverdachte 3] . Daarnaast heeft ze drugs en een wapen voor hen bewaard en heeft ze criminele activiteiten verricht voor kennissen van verdachte, waarbij ze telkens strafrechtelijk gezien risico
liep.
Ten aanzien van de beperkingen voor aangeefster constateert de rechtbank dat zij fors werd mishandeld, werd bedreigd met wapens en haar geld moest inleveren. Hoewel aangeefster een betaalde baan had, slonk haar spaarrekening van mei 2023 tot en met maart 2024 van 8.800,00 naar 342,53 in een jaar tijd. Aangeefster moest haar locatie delen, mocht niet naar feestjes of sport en werd dus ernstig in haar vrijheid beperkt. Vriendin [getuige 1] en buurvrouw [getuige 2] zagen aangeefster achteruitgaan en vermageren. Daarbij acht de rechtbank ook tekenend dat [getuige 1] verklaarde dat aangeefster aanvankelijk overstuur vertelde over wat er met haar gebeurde, maar dat aangeefster op enig moment geen emotie meer toonde en vertelde niets meer te voelen.
Met betrekking tot het economische voordeel voor verdachte overweegt de rechtbank dat verdachte en [medeverdachte 3] meer dan 17.000,00 van aangeefster hebben ontvangen.
Alles bij elkaar opgeteld is de rechtbank van oordeel dat sprake was van uitbuiting.
Daarbij heeft verdachte gebruik gemaakt van de dwangmiddelen geweld, bedreiging met geweld, misleiding, afpersing, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.
Voor het bewijs van door "misbruik" handelen is toereikend dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat tenminste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake was. Aangeefster kwam uit een langdurige nare relatie met haar drugsverslaafde ex-vriend, waarbij ook seksueel misbruik van haar werd gemaakt. Aangeefster was hiervoor al in contact met hulpverleningsinstantie FIER. Ze had verdachte verteld over de situatie met haar ex-vriend en verdachte had aangegeven haar tegen haar ex-vriend te zullen beschermen. Bovendien wist verdachte dat aangeefster verliefd op hem was en alles voor hem deed, al dan niet na gebruik van of dreiging met geweld.
Door onder de genoemde omstandigheden - kort gezegd - aangeefster telkens boetes te laten betalen, criminele activiteiten te laten verrichten en hiervan te profiteren heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan de mensenhandel zoals ten laste gelegd onder feit 1, sub-onderdelen 1, 4 en 6.
De rechtbank acht plegen in vereniging met [medeverdachte 3] bewezen. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, deels bestaand uit een gezamenlijke uitvoering. Verdachte en [medeverdachte 3] traden naar aangeefster toe veel samen op, maar wisselden elkaar ook af. Toen verdachte een bepaalde periode fysiek afstand van aangeefster had genomen, nam [medeverdachte 3] voor hem waar en moest aangeefster nog steeds maandelijks een boete aan verdachte betalen.
Voor inkorting van de pleegperiode - zoals verzocht door de raadsman - ziet de rechtbank geen aanleiding, nu verdachte van het begin tot het eind van de pleegperiode bij aangeefster betrokken is geweest, alsmede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het medeplegen.
Beoordeling van feit 2: verkrachting
De rechtbank constateert dat aangeefster - kort gezegd - heeft verklaard dat zij in maart 2024 door verdachte en [medeverdachte 3] samen is verkracht. Verdachte en [medeverdachte 3] ontkennen dat dit is gebeurd en er waren geen andere personen aanwezig bij de door aangeefster geschetste situatie.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad2 leidt de rechtbank af dat volgens artikel 342 lid 2 Sv het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige - in dit geval aangeefster. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen.
Hoewel er buiten aangeefster geen getuigen zijn die over de verkrachting verklaren uit eigen waarneming, ziet de rechtbank voldoende steun voor de verklaring van aangeefster als het gaat om de door haar naar voren gebrachte feiten en omstandigheden. De rechtbank wijst daartoe op de verklaring van getuige [getuige 1] en de chatgesprekken tussen aangeefster en zowel verdachte als [medeverdachte 3] , zoals opgenomen in de bijlage met bewijsmiddelen.
[getuige 1] verklaarde - kort gezegd - dat aangeefster haar in maart rond etenstijd belde en aangaf dat “de grote en kleine vriend” (de rechtbank begrijpt: verdachte en [medeverdachte 3] ) zouden komen. Later die avond belde aangeefster [getuige 1] huilend op. Ze liet via haar telefoon zien dat haar huis vies was en dat haar lamp stuk was. [getuige 1] ging naar aangeefster toe en zag dat zij peper in haar haar en een rode striem in haar hals had. Ook zag ze dat er rijst en peper in de woning lag. Aangeefster vertelde dat ze haar hard op haar kont hadden geslagen en een riem om haar hals hadden gedaan tot ze sterretjes zag. Toen was aangeefster maar gaan liggen en had gedacht: "Doe dan maar”. Ook hadden ze haar toilet verstopt.
Dat aangeefster door verdachte en [medeverdachte 3] op haar billen is geslagen en dat zij rijst in haar woning hebben gestrooid volgt tevens uit chatberichten die aangeefster met Fier voerde op 22 maart 2024, maar ook uit chatgesprekken tussen verdachte en aangeefster. Aangeefster stuurt op 25 maart 2024 namelijk aan zowel verdachte als [medeverdachte 3] Snapchatberichten over striemen op haar billen, waarop door hen niet verbaasd of ontkennend wordt gereageerd.
Gelet op de mate van steun voor de omstandigheden waaronder de door aangeefster beschreven verkrachting plaatsvond en het waarnemen van emoties en letsel bij aangeefster kort daarna acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte 3] aangeefster hebben
mishandeld en vervolgens - gelet op de omstandigheden onmiskenbaar tegen haar wil - seks met haar hebben gehad, en aldus hebben verkracht.
De raadsman heeft gewezen op inconsistenties met betrekking tot het moment dat deze gebeurtenis plaatsvond. Uit de verklaring van [getuige 1] kan worden afgeleid dat [getuige 1] in haar telefoon zag dat ze op 22 maart 2024 rond 21:00 uur overstuur werd gebeld door aangeefster, waarna [getuige 1] naar aangeefster toe ging en de reeds beschreven situatie aantrof. Uit camerabeelden kan worden afgeleid dat verdachte en [medeverdachte 3] op 22 maart 2024 omstreeks 17:56 uur bij de woning aankwamen en omstreeks 18:08 uur de woning verlieten. Dit past zowel qua duur als qua moment op de dag niet bij de verklaring van [getuige 1] .
De rechtbank kan dit betoog volgen, maar meent op basis van de verklaringen en chatgesprekken van aangeefster en de camerabeelden dat het niet anders kan zijn dan dat [getuige 1] (of de verbalisant) zich heeft vergist in de datum.
Op de camerabeelden is te zien dat verdachte en [medeverdachte 3] tijdens hun bezoek aan de woning op 22 maart 2024 een wit-met-zwarte tas van de keten Rituals bij zich droegen. Dat past bij de verklaring van aangeefster inhoudend dat verdachte en [medeverdachte 3] haar op 22 maart 2024 cadeautjes brachten in een Rituals-tas.3 Aangeefster heeft daarover verklaard dat dit niet het hetzelfde bezoek was als het bezoek waarbij verdachte en [medeverdachte 3] haar mishandelden, seks met haar hadden en rijst in haar huis strooiden; dat laatste bezoek was namelijk eerder.4
Uit het verslag van de chatgesprekken tussen aangeefster en hulpverleners van Fier volgt dat aangeefster op 22 maart 2024 op drie momenten contact had met Fier. Tijdens het eerste contactmoment vertelt aangeefster eerst hoe haar dag verliep en zegt dat “de baas en zijn compagnon” in de avond kwamen. Ze beschrijft het bezoek waarbij de mishandeling en verkrachting plaatsvonden. Aan het eind van het gesprek zegt ze dat ze gaat slapen en wenst de hulpverlener nog een fijne avond.
Als start van het tweede contactmoment die dag schrijft de hulpverlener “Wat brengt je hier vanmiddag”. Over het derde contactmoment wordt gezegd dat dit aan het eind van de avond was. Tijdens dit contactmoment vertelt aangeefster dat verdachte en [medeverdachte 3] cadeaus hebben langsgebracht omdat zij bijna jarig is.5
Gelet op deze volgorde en op de inhoud van de gesprekken kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat het bezoek met de mishandeling en verkrachting op de (late) avond van 21 maart 2024 heeft plaatsgevonden en dat aangeefster vervolgens na 00:00 uur - en dus op 22 maart 2024 - hierover heeft gechat met Fier.
De rechtbank ziet zich gesterkt in deze opvatting door hetgeen aangeefster vertelde over de afsluiting van het bezoek. Bij vertrek zou verdachte haar namelijk geld hebben willen geven voor haar aanstaande verjaardag, wat door aangeefster werd geweigerd omdat ze wilde dat hij iets voor haar zou kopen. Dit past precies bij de camerabeelden van 22 maart 2024 waarop te zien is dat verdachte en [medeverdachte 3] met een Rituals-tasje naar de woning van aangeefster gingen.
De rechtbank zal 21 maart 2024 dan ook hanteren als pleegdatum. Voor verkrachtingen op andere momenten ziet de rechtbank geen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van aangeefster
De rechtbank wijst af het voorwaardelijke verzoek om aangeefster te horen bij de rechter-commissaris en zelf vragen te mogen stellen. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging reeds een redelijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om aangeefster te ondervragen en dat het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM niet is geschonden. Dat het horen van aangeefster middellijk - namelijk via de rechter-commissaris - is geweest en niet rechtstreeks, doet daar niet aan af. De vragen die de raadsman aan haar wilde stellen zijn op voorhand bij de rechter-commissaris aangeleverd en zijn ook gesteld en beantwoord. Daarna heeft de rechter-commissaris de raadsman nog de mogelijkheid geboden om aanvullende vragen te stellen. Dat de rechter-commissaris voor deze methode heeft gekozen om aangeefster bij het verhoor zo min mogelijk te belasten, acht de rechtbank zeer begrijpelijk. Dit is immers verzocht en geadviseerd door de betrokken hulpverlening, maar ook uit het dossier volgt voldoende dat het gaat om een kwetsbare en angstige aangeefster, alleen al gelet op het feit dat zij langere tijd in het stelsel beveiligen en bewaken heeft gezeten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 1 april 2023 tot en met 26 maart 2024 te Assen en Heerenveen en Groningen, tezamen en in verenging met een ander,
(A) mevrouw [slachtoffer] , telkens
  • door dwang en geweld en
  • door dreiging met geweld en een andere feitelijkheid, en
  • door afpersing en misleiding, en
  • door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, en
  • door misbruik van een kwetsbare positie,
heeft
  • geworven en vervoerd met het oogmerk van criminele en seksuele uitbuiting van die ander, (sub 1) en
  • gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4), (B)
  • opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de criminele uitbuiting van een ander, te weten mevrouw [slachtoffer] , (sub 6),
immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader:
  • een relatie met die [slachtoffer] begonnen en onderhouden en gehad, en
  • meermalen een vuurwapen op die [slachtoffer] gericht en tegen haar hoofd gezet en haar met een vuurwapen en een mes bedreigd en gedreigd die [slachtoffer] neer te schieten en haar vingers af te knippen en die [slachtoffer] anderszins bedreigd, en
  • die [slachtoffer] meermalen bij de keel gepakt en met een vuurwapen geslagen en aan haar haren getrokken en geschopt en op de grond gegooid en een stoot met de elleboog gegeven en gebeten en geduwd en anderszins geweld tegen haar gebruikt, en
  • die [slachtoffer] voorgehouden dat verdachte contacten had bij de politie, en
  • die [slachtoffer] vernederd en uitgelachen, en
  • tegen die [slachtoffer] geschreeuwd en gescholden en boos en agressief gereageerd, en
  • die [slachtoffer] voorgehouden dat ze het bezit van verdachte was, en
  • die [slachtoffer] meermalen opgedragen haar huis niet uit te gaan en haar livelocatie te delen en die [slachtoffer] ongevraagd op haar werk opgezocht en daarmee die [slachtoffer] in haar bewegingsvrijheid belemmerd, en
  • die [slachtoffer] opgedragen geen contact te hebben met familie en vrienden en telefoonnummers van vrienden te verwijderen, en
  • die [slachtoffer] toestemming laten vragen om naar de sportschool te gaan en om naar mensen toe te
gaan en naar feestjes te gaan en bepaalde kleding te dragen en aan te schaffen, en
  • meermalen de telefoon van die [slachtoffer] gecontroleerd, en
  • die [slachtoffer] meermalen drugs voor eigen gebruik door die [slachtoffer] gegeven en verstrekt, en
  • die [slachtoffer] meermalen boetes variërend van meer dan 1.000,- tot 10.000,- laten betalen en termijnen gesteld voor betaling en voorgehouden dat geld moest worden betaald en een schuld moest worden betaald, en
  • die [slachtoffer] meermalen dure goederen voor verdachten laten kopen, en
  • gedreigd de ouders van die [slachtoffer] dood te maken en de stamboom van die [slachtoffer] uit te moorden wanneer boetes niet werden betaald en/of ze zou praten, en
  • die [slachtoffer] voorgehouden dat een gedeelte van de boetes kon worden betaald door seks te hebben met verdachte en/of mededader, en het plegen van bankhelpdesk- en marktplaatsfraude, en
  • die [slachtoffer] bewogen en aangezet tot het plegen van bankhelpdesk- en markplaatsfraude en
  • die [slachtoffer] in contact gebracht met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] ten behoeve van het plegen van bankhelpdesk- en marktplaatsfraude, en
  • aangegeven dat die [slachtoffer] niet kon stoppen met het plegen van bankhelpdesk- en markplaatsfraude omdat boetes moesten worden betaald en verdachte investeringen in die [slachtoffer] had gedaan en die moesten worden terugverdiend, en
  • meermalen door die [slachtoffer] met bankhelpdesk- en markplaatsfraude verdiende gelden in ontvangst genomen en door die [slachtoffer] laten afstaan,
  • meermalen boos op die [slachtoffer] gereageerd omdat niet genoeg geld werd verdiend en boetes niet snel genoeg werden betaald, en
  • die [slachtoffer] voorgehouden dat ze meer geld moest verdienen en wanneer ze niet meer geld zou verdienen ze werkzaamheden in de prostitutie moest verrichten, en
  • die [slachtoffer] bewogen toe te staan dat een kluis in haar woning werd geplaatst ten behoeve van het bewaren van drugs, geld en een vuurwapen, en
  • die [slachtoffer] gedwongen seks te hebben met verdachte en mededader en
  • die [slachtoffer] bewogen filmpjes te maken van seksuele handelingen die ze voor verdachte of de mededader moest uitvoeren,
zulks terwijl die [slachtoffer] :
  • zelf drugs gebruikte en
  • bang voor verdachte en zijn mededader was, en/
aldus terwijl die [slachtoffer] zich in een kwetsbare positie bevond en terwijl die [slachtoffer] zich niet kon onttrekken aan het psychische overwicht dat verdachte en mededader op die [slachtoffer] had, en
  • waartegen die [slachtoffer] zich niet durfde en/of kon verzetten, en
  • waaraan die [slachtoffer] zich niet kon onttrekken;
2.
hij op 21 maart 2024 te Assen tezamen en in vereniging met een ander, door geweld, te weten:
  • het vastpakken van [slachtoffer] en het op de grond en op de bank duwen van die [slachtoffer] en iets tegen het hoofd duwen van die [slachtoffer] , en
  • het uitkleden van [slachtoffer] , en
  • het met een riem slaan op het lichaam van [slachtoffer] , en
  • een riem om de nek van [slachtoffer] te doen, en [slachtoffer] hiermee over het bed heen te trekken, en
  • aldus een zodanige situatie gecreëerd dat [slachtoffer] zich niet kon verzetten tegen nader genoemde seksuele handelingen, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , te weten het brengen van de penis van verdachte en mededader in de mond en/of vagina van die [slachtoffer] en het brengen van een haarborstel of kleerhanger in de vagina van die [slachtoffer] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Mensenhandel, in vereniging gepleegd, meermalen gepleegd.
Medeplegen van verkrachting.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. Tevens is gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een contactverbod met aangeefster voor de duur van vijf jaren en een locatieverbod ten aanzien van de adressen van de ouders en opa en oma van aangeefster. Deze adressen zijn niet ter zitting genoemd, maar per mail aan de rechtbank toegestuurd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft met betrekking tot het locatieverbod aangevoerd dat hij hier geen verweer op kan voeren nu de adressen onbekend zijn bij de verdediging. De raadsman heeft geen bezwaar tegen de oplegging van een contactverbod met aangeefster. De raadsman heeft verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportages van onder meer 10 december 2025, het trajectconsult van 15 oktober 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 december 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich samen met een medeverdachte schuldig gemaakt aan de uitbuiting en verkrachting van een jonge vrouw die verliefd op hem was. Aanvankelijk was verdachte lief voor het slachtoffer, maar na enkele weken wilde hij dat ze seks had met de medeverdachte, bedreigde hij haar met een vuurwapen en dwong hij haar om geldbedragen te betalen.
Verdachte maakte het slachtoffer volledig ondergeschikt aan hem. Zij moest hem en de medeverdachte aanspreken met “meneer”, moest naar hen luisteren en moest haar huis ter beschikking stellen voor de opslag van een kluis, drugs, geld en wapens. Ze moest haar locatie delen en verdachte of de medeverdachte vragen om toestemming om ergens heen te mogen - die ze doorgaans niet kreeg.
Verdachte en de medeverdachte vernederden het slachtoffer en mishandelden haar op sadistische wijze. Zo wijst de rechtbank erop dat aangeefster van verdachte en de medeverdachte moest blaffen als een hond en dat aangeefster moest tellen hoe vaak ze haar sloegen. Uiteindelijk hebben verdachte en de medeverdachte aangeefster ook gezamenlijk verkracht.
Dit zijn zeer ernstige feiten waarmee verdachte op een grove wijze inbreuk heeft gemaakt op de psychische en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer aanvankelijk in de waan liet dat hij een relatie met (alleen) haar had en later dat hij bij zijn vrouw weg zou gaan, om vervolgens samen met de medeverdachte op grove wijze misbruik van haar te maken. Hier ging het slachtoffer uiteindelijk zowel financieel, fysiek als mentaal aan onderdoor. Uit de stukken volgt dat zij bijna anderhalf jaar in het stelsel bewaken en beveiligen heeft gezeten, nog steeds onder behandeling is voor psychische klachten en nog een lange weg te gaan heeft.
Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat uit het oogpunt van normhandhaving en vergelding een onvoorwaardelijke gevangenisstaf van langere duur op zijn plaats is. Het uitgangpunt voor strafoplegging voor verkrachting is volgens de LOVS-oriëntatiepunten een gevangenisstraf van 24 maanden. Voor mensenhandel in de zin van financiële uitbuiting bestaan geen oriëntatiepunten. Wel weegt de rechtbank mee dat sprake was van een kwetsbaar slachtoffer als bedoeld in artikel 273f Sr lid 3 onder 2. Het slachtoffer kwam uit een langdurige relatie waarin ze haar drugsverslaafde ex-vriend haar sloeg en seksueel misbruikte. Zij hunkerde naar liefde en veiligheid, die verdachte haar aanvankelijk ook beloofde te bieden.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren passend en geboden. De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis dan ook af.
Tevens zal de rechtbank een contactverbod met aangeefster opleggen voor de duur van vijf jaren met op straffe van overtreding per overtreding zeven dagen vervangende hechtenis. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het gevorderde locatieverbod niet kan worden opgelegd, nu de verdediging hier geen verweer tegen heeft kunnen voeren. nu de adressen onbekend zijn bij de verdediging. De raadsman heeft geen bezwaar tegen de oplegging van een contactverbod met aangeefster.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 38.918,51 ter vergoeding van materiële schade en 40.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Namens de benadeelde partij heeft mr. Elzinga verzocht om hoofdelijkheid te bepalen ten aanzien van de materiële kosten die verdachte en [medeverdachte 3] gezamenlijk hebben veroorzaakt. Ten aanzien van de individuele materiële schade (bestaand uit alleen door verdachte opgelegde boetes en alleen door verdachte ontvangen goederen) en de immateriële schade heeft de raadsvrouw uitdrukkelijk verzocht om geen hoofdelijkheid te bepalen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde belkosten, de kosten van de auto en de lening. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk in haar vordering te worden verklaard met betrekking tot deze posten, nu deze onvoldoende zijn onderbouwd. De factuurdatum van de auto is gelegen in de pleegperiode, toen stond aangeefster nog in contact met verdachten. Dit kan dus niet de auto zijn waarmee ze onbekend voor verdachten wil blijven.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de gevorderde materiële schade ten aanzien van de auto niet ontvankelijkheid dient te worden verklaard, nu dit geen rechtstreekse schade betreft.
Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsman aangevoerd dat deze schade onvoldoende is onderbouwd, nu de op de behandeling van aangeefster betrekking hebbende stukken uit privacyoverwegingen zozeer zijn zwartgelakt dat dit niet meer te volgen is. Voorts is gebleken dat aangeefster ook problemen ervaart vanuit haar vorige relatie, waardoor de schade lastiger te beoordelen is. Beoordeling van deze post zou een onevenredige belasting van het strafrecht opleveren.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade die alleen van verdachte wordt gevorderd heeft geleden
( 11.815,00 aan boetes en 4.764,15 aan voor verdachte gekochte goederen) en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet of onvoldoende is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 maart 2024.
Ten aanzien van de gezamenlijk van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3] gevorderde materiële schade - overweegt de rechtbank als volgt. Met betrekking tot de kosten voor gas en licht
( 13,92), het eigen risico van de zorgverzekering (tweemaal 385,00), beltegoed voor een prepaid telefoon ( 88,94), de huur ( 1.150,25), is geen verweer gevoerd. Ten aanzien van deze kosten is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering zal
daarom op deze punten hoofdelijk worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 26 maart 2024.
Ten aanzien van de kosten van de aanschaf van de nieuwe auto is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. Het zou gaan om een auto waarvan verdachten het kenteken niet zouden kennen en waarin aangeefster zich dus veilig zou voelen, maar uit de ter onderbouwing overgelegde factuur volgt dat het gaat om auto die is aangeschaft in november 2023, en dus middenin de pleegperiode, toen aangeefster nog veel contact had met verdachte.
Ten aanzien van de kosten voor het afkopen van het internetabonnement en de aanschaf van een nieuwe deurcilinder is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak van deze gemaakte kosten onvoldoende is onderbouwd. Omtrent de deurcilinder overweegt de rechtbank dat op het moment van aanschaf aangeefster niet meer in haar woning verbleef en zowel verdachte als [medeverdachte 3] zich in voorlopige hechtenis bevonden. Ten aanzien van de kosten voor een nieuwe telefoon is de rechtbank eveneens van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. De overgelegde factuur ziet op de aanschaf van een telefoon op 15 juni 2024, terwijl de oude telefoon van aangeefster al op 26 maart 2024 in beslag is genomen. Niet duidelijk is geworden of aan de politie is verzocht om de ten behoeve van onderzoek overgelegde oude telefoon terug te geven aan aangeefster.
Ten aanzien van de afgesloten lening bij [naam bedrijf] is de rechtbank van oordeel dat deze post onvoldoende is onderbouwd. De aangekondigde nadere onderbouwing is niet gekomen en uit het dossier lijkt te volgen dat deze lening is gebruikt voor de aanschaf van een auto, waarmee een rechtstreeks verband met de ten laste gelegde feiten ontbreekt.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren met betrekking tot de voorgaande posten.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat gelet op de aard van de feiten evident is dat aangeefster in haar persoon is aangetast en immateriële schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde, onverlet haar mogelijke reeds bestaande psychische problematiek. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal, specifiek de categorie mensenhandel en verkrachting, oordeelt de rechtbank dat een vergoeding van 20.000,- billijk is. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2024. Nu de schade is toegebracht door verdachte en [medeverdachte 3] samen, ziet de rechtbank geen aanleiding om - zoals verzocht namens de benadeelde partij - af te zien van hoofdelijkheid.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering van immateriële schade.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38v, 47, 57, 242 en 273f van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van vijf jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum ] 1999 te Assen.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Ten aanzien van feit 1 en 2:
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een totaalbedrag van 38.602,26 , waarvan een deel hoofdelijk en een deel individueel, zoals hierna te bepalen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 22.023,11 (zegge: tweeëntwintigduizenddrieëntwintig euro en elf eurocent);
  • de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 26 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij individueel toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte, om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 16.579,15 (zegge: zestienduizendvijfhonderdnegenenzeventig euro en vijftien eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 22.023,11 (zegge: tweeëntwintigduizenddrieëntwintig euro en elf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 2.023,11 aan materiële schade en 20.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 131 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of zijn mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Legt aan verdachte individueel de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 16.579,15 (zegge: zestienduizendvijfhonderdnegenenzeventig euro en vijftien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 107 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.B. Maring, voorzitter, mr. H. Eising en mr. M.M. Spooren, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 januari 2026.
Mrs. Eising en Spooren zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 (Chinese Horeca), HR 24 november 2015,
3 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster d.d. 6 mei 2024, opgenomen op p.130 e.v. van het
dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRCC24005 CHIP, d.d. 30 december 2024.
4 Het verhoor van aangeefster bij de rechter-commissaris d.d. 24 november 2025.
5 Een overig bescheid, te weten een uitdraai van chatgesprekken tussen aangeefster en
hulpverleningsinstantie Fier, opgenomen op p. 344 t/m 346 van het voornoemde het dossier.