ECLI:NL:RBNNE:2026:740

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
18-197037-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 311 SrArt. 312 SrArt. 8 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen beroving, woninginbraken en rijden onder invloed met ongeldig rijbewijs

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte schuldig bevonden aan meerdere strafbare feiten gepleegd tussen oktober 2024 en juni 2025 in Friesland, waaronder medeplegen van een gewelddadige beroving bij een pinautomaat, diverse woninginbraken, het pinnen met gestolen pinpassen en rijden onder invloed van drugs met een ongeldig verklaard rijbewijs.

Het bewijs bestond uit getuigenverklaringen, camerabeelden, telefoontaps, en bekentenissen van verdachte. De rechtbank oordeelde dat verdachte nauw en bewust samenwerkte met medeverdachten, onder meer door het dragen van gezichtsbedekkende kleding en het geven van rugdekking tijdens de beroving. De verdediging voerde vrijspraak aan voor medeplegen, maar dit werd verworpen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 562 dagen op, waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en behandeling in een zorginstelling. Daarnaast werd een rijontzegging van 12 maanden opgelegd. Verdachte is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor toegebrachte schade aan slachtoffers, met toewijzing van schadevergoedingen en wettelijke rente.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 562 dagen gevangenisstraf waarvan 360 voorwaardelijk en 12 maanden rijontzegging wegens medeplegen beroving, woninginbraken en rijden onder invloed met ongeldig rijbewijs.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer: 18-197037-25
ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-409987-24, 96-147212-25 en 96-193281-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 maart 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Leeuwarden.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Kappeyne van de Coppello.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
parketnummer 18-197037-25:
1
hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Makkum , althans in Nederland, op de openbare weg, te weten bij een pinautomaat op een parkeerplaats aan [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van 1.000 euro, dat geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, door (met zijn mededaders)
  • naar de (omgeving van) genoemde pinautomaat te rijden, en/of
  • in/met donkere en/of onopvallende en/of gezichtsbedekkende kleding naar die [slachtoffer 1] toe te gaan, en/of
  • een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of in de zij van die [slachtoffer 1] te duwen en/of op het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer 1] te richten, en/of
  • (daarbij) dreigend de woorden "pinnen" te zeggen en/of te vragen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] , althans een of meer anderen, op of omstreeks 28 juni 2025 te Makkum , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten bij een pinautomaat op een parkeerplaats aan [adres] , een geldbedrag van 1.000 euro dat geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemers aan dat misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door
  • naar de (omgeving van) genoemde pinautomaat te rijden, en/of
  • in/met donkere en/of onopvallende en/of gezichtsbedekkende kleding naar die [slachtoffer 1] toe te gaan, en/of
  • een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of
in de zij van die [slachtoffer 1] te duwen en/of op het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer 1] te richten, en/of
  • (daarbij) dreigend de woorden “pinnen" te zeggen en/of te vragen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 28 juni 2025 te Makkum , althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
  • samen met medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] naar de (omgeving van) genoemde pinautomaat te rijden, en/of
  • gedurende de overval in/met donkere en/of onopvallende en/of gezichtsbedekkende kleding op de uitkijk te staan, en/of
  • na de overval samen met medeverdachte (n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] weg te lopen/rennen en/of in een auto weg te rijden, en/of
  • mee te delen in de buit;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Makkum , althans in Nederland, op de openbare weg, te weten bij een pinautomaat op een parkeerplaats aan [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 1.000 euro, dat geheel aan die [slachtoffer 1] toebehoorde, door (met zijn mededaders)
  • naar de (omgeving van) genoemde pinautomaat te rijden, en/of
  • in/met donkere en/of onopvallende en/of gezichtsbedekkende kleding naar die [slachtoffer 1] toe te gaan, en/of
  • een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of in de zij van die [slachtoffer 1] te duwen en/of op het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer 1] te richten, en/of
  • ( daarbij) dreigend de woorden "pinnen" te zeggen en/of te vragen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 28 juni 2025 te
Makkum , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten bij een pinautomaat op een parkeerplaats aan [adres] , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 1.000 euro, dat geheel aan die [slachtoffer 1] toebehoorde, door
  • naar de (omgeving van) genoemde pinautomaat te rijden, en/of
  • in/met donkere en/of onopvallende en/of gezichtsbedekkende kleding naar die [slachtoffer 1] toe te gaan, en/of
  • een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of in de zij van die [slachtoffer 1] te duwen en/of op het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer 1] te richten, en/of
  • ( daarbij) dreigend de woorden "pinnen" te zeggen en/of te vragen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 28 juni
2025 te Makkum , althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
  • samen met medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] naar de (omgeving van) genoemde pinautomaat te rijden, en/of
  • gedurende de overval in/met donkere en/of onopvallende en/of gezichtsbedekkende kleding op de uitkijk te staan, en/of
  • na de overval samen met medeverdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] weg te lopen/rennen en/of in een auto weg te rijden, en/of
  • mee te delen in de buit;
2
hij op of omstreeks 27 juni 2025 te Franeker, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een laptop en/of twee kratten bier en/of zegels van de [supermarkt 1] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
parketnummer 18-409987-24
1
hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 8 oktober 2024 en 9 oktober 2024 te Franeker, in elk geval in de gemeente Waadhoeke, en/of te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, (te Franeker) A. tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (in/uit een woning/perceel, gelegen aan of bij [adres] )
  • een vaarbewijs en/of
  • een kentekenbewijs (behorende bij motorfiets MJSV88) en/of
  • een bovenvrees (van het merk Makita) en/of
  • een afkortzaag en/of
  • een bankpas (op naam van [slachtoffer 4/slachtoffer 3] en/of
  • een bankpas (van het bedrijf [bedrijf] ) en/of
  • een kentekendocument (behorende bij voertuig Toyota Yaris hybrid) en/of
  • een bankpas (ABN AMRO op naam van [slachtoffer 4] ) en/of
  • een bankpas (Rabobank op naam van [slachtoffer 3] ) en/of
  • een kentekenbewijs (van en aanhanger) en/of
  • een rijbewijs (ten name van [slachtoffer 3] ) en/of
  • een vaarbewijs (ten name van [slachtoffer 3] ) en/of
  • een telefoontoestel (van het merk Samsung) en/of
  • rijbewijs (op naam van [slachtoffer 4] ) en/of
  • een autosleutel (behorende bij een Toyota Yaris) en/of
  • een accuboormachine (van het merk Makita),
in elk geval (telkens) enig goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] en/of haar echtgenoot ( [slachtoffer 3] ), in elk geval aan een ander toebehoorde(n), en/of (te Leeuwarden)(BVH 2024303022)
B. tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (meermalen via pintransacties bij een tankstation [tankstation 1] en/of [tankstation 2] en/of bij winkelbedrijf [winkel] ) (telkens) een hoeveelheid geld, te weten,
  • 32.50 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 1] en/of
  • 40.01 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 2] en/of
  • 43.60 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 1] en/of
  • 50.00 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 3] en/0f
  • 20.00 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 3] en/of
  • 20.00 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 4] ,
in elk geval (telkens) enig goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] en/of haar echtgenoot ( [slachtoffer 3] ), in elk geval (telkens) aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen voornoemde goederen en/of dat (gepinde) geld onder zijn bereik heeft gebracht, ten aanzien van onder A. door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of ten aanzien van B. door middel van een valse sleutel, te weten (een) eerder door verdachte en/of verdachtes mededader(s) weggenomen bankpas(sen);
2
hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Leeuwarden, in elk geval in de gemeente Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (via een of meer pinbetaling(en) en/of aankoop (van telkens 50/ 47.12 euro) van een Paysafecard en/of Paysafe prepaid code bij het tankstation
" [tankstation 1] ") (telkens) een hoeveelheid geld, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), (telkens) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) dat/die (gepinde) geld en/of een of meer Paysafecard(s) en/of Paysafe prepaid code(s) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht, door middel van een valse sleutel, te weten een eerder door verdachtes mededader weggenomen, althans een gestolen, creditcard, althans pinpas/betaalkaart;
parketnummer 96-147212-25
1
hij op of omstreeks 24 maart 2025 te Menaam, gemeente Waadhoeke een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en/of cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 160 microgram amfetamine per liter en/of 170 microgram cocaïne per liter bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;
2
hij op of omstreeks 24 maart 2025 te Menaam, gemeente Waadhoeke terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Nijlan, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;
parketnummer 96-193281-25
1
hij, op of omstreeks 2 april 2025 te Dronryp, gemeente Waadhoeke een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een of meer in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten een of meerdere stof(fen) behorende tot de groep van amfetamine-achtigen (te weten amfetamine en/of MDMA en/of MDA) en/of cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 143 microgram van een of meerdere stof(fen) behorende tot de groep van amfetamine-achtigen en/of 32 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;
2
hij, op of omstreeks 2 april 2025 te Dronryp, gemeente Waadhoeke terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, De Terp, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
parketnummer 18-197037-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.
parketnummers 18-409987-24, 96-147212-25 en 96-193281-25
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat bij het onder 1 A van parketnummer 18-409987-24 ten laste gelegde alleen het wegnemen van de afkortzaag kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 18-197037-25
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit voor het onder 1 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit het dossier volgt niet dat er vooraf een gezamenlijk plan is geweest voor deze beroving. Dit volgt ook niet uit de tapgesprekken, want die zijn van na dit feit. Hetgeen medeverdachte [medeverdachte 2] daarover heeft verklaard is onvoldoende betrouwbaar. Medeverdachte [medeverdachte 2] weet niet hoe het is gegaan. Hiervoor verwijst de raadsman naar de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris op 21 januari 2026. Verdachte heeft enkel van een afstandje gezien wat medeverdachte [medeverdachte 1] deed en is bovendien eerder weggegaan dan medeverdachte [medeverdachte 1] . Hij heeft niet op de uitkijk gestaan. Verdachte heeft alleen meegedeeld in de buit, maar hiermee heeft verdachte geen bijdrage geleverd aan de totstandkoming van het feit.
De raadsman heeft zich voor het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
parketnummer 18-409987-24
De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte enkel de afkortzaag heeft weggenomen. Verdachte dient voor de andere genoemde goederen in de tenlastelegging vrijgesproken te worden.
De raadsman heeft voor het onder 2 ten laste gelegde zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
parketnummers 96-147212-25 en 96-193281-25
De raadsman heeft met betrekking tot het ten laste gelegde onder deze dagvaardingen zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank

parketnummer 18-197037-25

Bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten het volgende vast.1
Aangever [slachtoffer 1] is op 28 juni 2025 bij een pinautomaat in Makkum beroofd en hij heeft diezelfde dag hiervan aangifte gedaan. Aangever verklaart dat hij bij de pinautomaat arriveerde tegenover de [supermarkt 2] te Makkum
(de rechtbank begrijpt [adres] ).Op het moment dat hij zijn pinpas in de automaat had geschoven zag hij een manspersoon. Deze manspersoon, die hij hierna verdachte noemt, kwam aan de linkerkant naast aangever staan. Aangever keek opzij en hij zag dat verdachte een voorwerp toonde wat sterk op een vuurwapen leek. Vervolgens voelde aangever dat het vuurwapen in zijn linkerzij werd gedrukt. Aangever voelde zich op dat moment bedreigd. Hij hoorde verdachte zeggen: “pinnen”.
Aangever begreep dat verdachte geld van hem wilde. Hij zag dat verdachte het getal 1000 intoetste en dat er briefgeld uit de automaat kwam. Aangever zag dat verdachte het briefgeld pakte. Hij zag verdachte met een tweede persoon gezamenlijk vertrekken. Deze tweede persoon stond telkens op een paar meter afstand van aangever en verdachte vandaan. Aangever verklaart dat verdachte tijdens het pinnen het vuurwapen op een gegeven moment nog naar zijn hoofd en nek heeft gericht.2
Op 28 juni 2025 is [getuige] als getuige gehoord. Getuige verklaart dat hij zijn kerkgenoot [slachtoffer 1]
(de rechtbank begrijpt: aangever)bij een geldautomaat zag staan. Hij zag dat direct links naast [slachtoffer 1] een man stond. Getuige zag dat de man die naast [slachtoffer 1] stond gezichtsbedekking droeg. Hij zag aan de rechter kant van [slachtoffer 1] nog een man staan zon drie meter van [slachtoffer 1] af. Deze man had ook gezichtsbedekking. Getuige zag dat de man die bij [slachtoffer 1] stond een pistool in zijn hand had. Hij zag dat de man het pistool met de loop in de linkerzij van [slachtoffer 1] drukte. Hij zag dat de man het pistool in zijn rechterhand had en daarna een stapel 50 euro biljetten in zijn linkerhand.3
Verbalisant [verbalisant] heeft op 28 juni 2025 de camerabeelden van de Geldmaat in Makkum veiliggesteld. Verbalisant heeft de camerabeelden bekeken en vervolgens in een proces-verbaal van bevindingen deze beelden beschreven. Verbalisant zag op deze beelden een tweede man die voor zijn gezicht een doek/sjaal droeg waardoor alleen zijn ogen zichtbaar waren. Hij zag dat deze tweede man achter de aangever en eerste man langs loopt en op enkele meters even bleef staan, waarna hij naar rechts loopt en uit beeld verdwijnt.4
Verdachte heeft ter terechtzitting van 24 februari 2026 verklaard dat hij de persoon is die achter medeverdachte [medeverdachte 1] staat.5
Verbalisant [verbalisant] heeft door middel van een telefoontap op 28 juni 2025 een telefoongesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 1] en [verdachte] afgeluisterd. Verbalisant heeft dit gesprek in een proces-verbaal van bevindingen uitgewerkt en de opvallende delen van het gesprek uitgelicht. Deze zijn hieronder opgenomen voor zover relevant :
[medeverdachte 1] : ik geef je wel rugdekking he [verdachte] : ja dat weet ik vriend []
[medeverdachte 1] : vanochtend ook he. Ik heb alles verdeeld met iedereen
[verdachte] : anders moeten we even een blokje lopen met z'n tweeën met dat speelgoed en dan uh, zo
[medeverdachte 1] : maar we hebben wel uh met zijn drieën uh ja bijna duizend euro verdiend he vandaag
[verdachte] : ja maar ik durf even niet die kant op te gaan nu [medeverdachte 1] : hoezo durf je niet
[verdachte] : nou omdat uh blauw is van die lui uh snap ie
[medeverdachte 1] : wat bedoel je
[verdachte] : ja je weet toch wel. die pettenmannen
[medeverdachte 1] : weet je ik ben er bij geweest en heb iedereen deel gegeven 6
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op 29 juni 2025 bij de politie verklaart dat hem werd gevraagd of hij even een ritje wilde doen naar Makkum . Zijn buurman [verdachte]
(de rechtbank begrijpt: verdachte)en [verdachte] vriend [naam 2]
(de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] )vroegen dat. Hij moest ze bij de [supermarkt 2] in Makkum afzetten. Zij vroegen [medeverdachte 2] om een straat verderop te gaan staan en ze zeiden dat ze zo weer terug zouden zijn. Ze kwamen daarna rennend terug. Ze zijn in de auto gestapt en ze zeiden vrij gehaast dat [medeverdachte 2] moest gaan rijden. Aan het einde van de rit kwam boven water dat er iets gebeurd was.7
Bewijsoverweging feit 1
De betrouwbaarheid van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]
De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] onbetrouwbaar is. Hij heeft hiervoor verwezen naar de verklaring van [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris van 21 januari 2026. De rechtbank zal echter uitsluitend uitgaan van de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 2] bij de politie heeft afgelegd, omdat deze één dag na de beroving is afgelegd en de rechtbank geen reden ziet om aan de betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen.
Beoordeling van het bewijs
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] aangever [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en vervolgens het uit de pinautomaat gepinde briefgeld heeft weggenomen. Ook kan worden vastgesteld dat er een tweede persoon in de buurt stond van aangever [slachtoffer 1] toen hij werd beroofd. Dit blijkt uit zowel de verklaring van aangever [slachtoffer 1] als die van getuige [getuige] . Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij deze tweede persoon is. Echter heeft hij daartegenover gesteld dat hij geen weet had van de plannen van medeverdachte [medeverdachte 1] en dat hij er zelf ook van is geschrokken. Hij heeft een trui voor zijn gezicht gedaan en is daarna gelijk doorgelopen naar de auto.
Verdachte wordt primair verweten dat hij als medepleger betrokken is bij deze beroving van aangever [slachtoffer 1] . De rechtbank ziet zich gelet hierop voor de vraag gesteld of verdachte als medepleger kan worden aangemerkt.
Voor het bewijs van betrokkenheid als medepleger is vereist dat uit de bewijsstukken volgt dat er een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen is geweest. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie de feitelijke handelingen heeft verricht.8
De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte 1] . De rechtbank acht hiervoor redengevend dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] aangever [slachtoffer 1] heeft benaderd met gezichtsbedekkende kleding. Het dragen van gezichtsbedekking kleding duidt op een duidelijke intentie om de eigen identiteit te verhullen en is karakteristiek aan voorbedacht crimineel handelen. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte om een andere reden kleding voor zijn gezicht had. Daarbij komt dat het delict midden in de zomer op een zonnige dag is gepleegd. De rechtbank neemt verder in aanmerking de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] . Uit deze verklaring volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] vrienden van elkaar zijn, dat zij samen [medeverdachte 2] hebben gevraagd om hen naar Makkum te brengen en dat zij allebei rennend terugkwamen naar de auto.
Bovendien duidt het getapte telefoongesprek tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen beiden. In dit gesprek wordt gesproken over met zijn tweeën een blokje om lopen met dat speelgoed, dat ze die ochtend samen 1.000,- hebben verdiend en elkaar die ochtend rugdekking hebben gegeven. Ook heeft verdachte meegedeeld in de buit.
De verklaring van verdachte dat hij vooraf geen kennis had van de plannen van medeverdachte [medeverdachte 1] en dat hij toevallig op het strafbare handelen van zijn medeverdachte is gestuit en met verbazing stond te kijken, valt niet te rijmen met de bevindingen in het dossier. Zo komt deze verklaring van verdachte niet overeen met wat op de beelden is te zien. De rechtbank acht deze verklaring daarom ongeloofwaardig. Zij zal verdachte als medepleger van deze beroving van aangever [slachtoffer 1] aanmerken. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het feitencomplex passend is bij een gekwalificeerde diefstal en komt alles overziend tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde.
Bewijsmiddelen feit 2
De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 juni 2025, opgenomen op pagina 261 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland van het onderzoek VARUNI/ NNI R025075
d.d. 8 september 2025, inhoudend de verklaring van [naam 3] die namens [slachtoffer 2] aangifte heeft gedaan.
parketnummer 18-409987-24
De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijbehorende bijlage goederen, opgenomen op pagina 396 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024276320 d.d. 4 december 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] en een lijst van gestolen goederen;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.10 oktober 2024, opgenomen op pagina 412 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 oktober 2024, opgenomen op pagina 306 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] ;
een naar wettelijke proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 november 2024, opgenomen op pagina 365
e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .
Gedeeltelijke vrijspraak feit 1
Verdachte heeft bekend dat hij samen met een ander in de woning van aangever [slachtoffer 4] is geweest en daar een afkortzaag heeft weggenomen. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk. Zij zal verdachte vrijspreken voor de andere weggenomen goederen die in de tenlastelegging zijn opgenomen.

parketnummer 96-147212-25

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 9 april 2025, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met het nummer PL0100-2025075348-1 d.d. 9 april 2025, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet Pro 1994 d.d. 24 maart 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met het nummer PL0100-2025075348-7, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

parketnummer 96-193281-25

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid,
tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 6 mei 2025, opgenomen op pagina 4 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025084598-1, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal artikel 9 Wegenverkeerswet Pro 1994 d.d. 6 mei 2025, opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-20250084626-1, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
parketnummer 18-197037-25
1
hij op 28 juni 2025 te Makkum op de openbare weg, te weten bij een pinautomaat aan [adres] , tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van 1.000 euro, dat geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door met zijn mededader
  • naar de omgeving van genoemde pinautomaat te rijden, en
  • met gezichtsbedekkende kleding naar die [slachtoffer 1] toe te gaan, en
  • een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 1] te tonen en in de zij van die [slachtoffer 1] te duwen en op het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer 1] te richten en
  • daarbij dreigend "pinnen" te zeggen;
2
hij omstreeks 27 juni 2025 te Franeker, tezamen en in vereniging met een ander, een laptop en twee kratten bier en zegels van de [supermarkt 1] die aan [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
parketnummer 18-409987-24
1
hij in de periode van 8 oktober tot en met 9 oktober 2024 te Franeker en te Leeuwarden,
A. tezamen en in vereniging met een ander, uit een woning gelegen aan [adres] een afkortzaag die aan [slachtoffer 4] en/of haar echtgenoot [slachtoffer 3] , toebehoorde(n),
en
tezamen en in vereniging met anderen meermalen via pintransacties bij een tankstation [tankstation 1] en [tankstation 2] en bij [winkel] te Leeuwarden telkens een hoeveelheid geld, te weten,
  • 32,50 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 1] en
  • 40,01 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 2] en
  • 43,60 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 1] en
  • 50,00 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 3] en
  • 20,00 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 3] en
20,00 euro van rekeningnummer [rekeningnummer 4] ,
dat aan [slachtoffer 4] en/of haar echtgenoot [slachtoffer 3] toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) het weg te nemen goed en dat (gepinde) geld onder hun bereik hebben gebracht, ten aanzien van onder A. door middel van inklimming en ten aanzien van B. door middel van een valse sleutel, te weten door te pinnen met eerder door zijn mededader weggenomen bankpassen;
2
hij op 10 oktober 2024 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander, via pinbetalingen telkens geld dat aan [slachtoffer 5] en/of [slachtoffer 6] , toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader via het gepinde geld PaysafeCards onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een eerder door mededader weggenomen creditcard;
parketnummer 96-147212-25
1
hij op 24 maart 2025 te Menaam een auto heeft bestuurd, na gebruik van in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stoffen vermelde meetbare stoffen 160 microgram amfetamine per liter en 170 microgram cocaïne per liter bedroeg, telkens zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;
2
hij op 24 maart 2025 te Menaam, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor categorie B ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg Nijlân als bestuurder een motorrijtuig (auto) van die categorie heeft bestuurd;
parketnummer 96-193281-25
1
hij op 2 april 2025 te Dronryp een auto heeft bestuurd na gebruik van in artikel 2 van Pro het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine, MDMA en cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van Pro genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof vermelde meetbare stof 143 microgram van meerdere stoffen behorende tot de groep van amfetamine-achtigen en 32 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, telkens zijnde hoger dan de in artikel 3 van Pro het genoemd Besluit bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde.
2
hij op 2 april 2025 te Dronryp, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor categorie B ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg De Terp een motorrijtuig (auto) van die categorie heeft bestuurd.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
parketnummer 18-197037-25
diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen;
diefstal door twee verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
parketnummer 18-409987-24
1. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming
en
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
2. diefstal door twee verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
parketnummer 96-147212-25
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
parketnummer 96-193281-25
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie komt tot de volgende strafeis:
  • een gevangenisstraf voor de duur van 201 dagen met aftrek van het voorarrest;
  • een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met een proeftijd van 3 jaren;
  • met aan deze voorwaardelijke straf verbonden de bijzondere voorwaarden overeenkomstig het
reclasseringsadvies;
- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest bepleit. Hij heeft om een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf verzocht van 6 maanden met de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen ontzegging van de rijbevoegdheid aan verdachte dient te worden opgelegd, omdat verdachte al een rijontzegging heeft en deze daarom geen meerwaarde heeft. Subsidiair is het verzoek ten aanzien van de rijontzegging om deze voorwaardelijk aan verdachte op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 5 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan een beroving bij een geldautomaat waarbij medeverdachte [medeverdachte 1] het slachtoffer heeft bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de openbare weg. Een dergelijke beroving is vaak zeer heftig voor een slachtoffer om mee te maken. Dit kan bij slachtoffers leiden tot blijvende gevoelens van angst en onveiligheid. Dat in onderhavige zaak het slachtoffer minder onder de indruk was en verdachte heeft vergeven voor zijn daad, is een omstandigheid die niet aan het gedrag van verdachte te danken is. Een dergelijke beroving is bovendien schokkend voor buurtbewoners en de maatschappij. Zij voelen zich doordat zij dit hebben gezien of hier kennis van krijgen minder veilig op straat.
Verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan meerdere (woning)inbraken en het pinnen met gestolen pinpassen. Dit zijn vervelende en overlast gevende feiten die leiden tot tijdrovende procedures voor schadeherstel en opsporing. Slachtoffers worden op kosten gejaagd, doordat zij zich in veel gevallen genoodzaakt voelen om preventieve maatregelen te treffen. Ook veroorzaken inbraken onrust en gevoelens van onveiligheid in de eigen woning bij zowel slachtoffers als buurtbewoners die hier kennis van krijgen.
Verdachte heeft zich ten slotte meerdere keren schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van drugs en het rijden met een ongeldig rijbewijs. Hij heeft hiermee de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en zich daarbij niets aangetrokken van het feit dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard en hij dus helemaal niet mocht rijden.
Verdachte heeft al met al met zijn handelen uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Hij heeft enkel stilgestaan bij zijn eigen belangen en zich geen rekenschap gegeven van de nadelige gevolgen
en het gevaar van zijn handelswijze voor anderen.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor vermogensdelicten en verkeersfeiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies. De reclassering heeft naar voren gebracht dat verdachte al langdurig verslaafd is aan verschillende soorten drugs. Zij maakt melding van ADHD/ADD en een licht verstandelijke beperking bij verdachte. Verdachte is hierdoor beïnvloedbaar. Verdachte heeft ook een traumatische jeugd gehad wat ook nu nog een zwaar negatief effect op zijn leven heeft. De voorlopige hechtenis van verdachte is op 15 januari 2026 geschorst en verdachte is opgenomen op een forensisch psychiatrische afdeling (hierna: FPA) te [plaats]. Er wordt ingezet op traumabehandeling middels EMDR en behandeling voor middelenafhankelijkheid. De curator van verdachte draagt zorg voor de praktische en financiële zaken en er wordt onderzocht of verdachte een zorgindicatie kan krijgen (VG7).
De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden waarmee de behandeling kan worden voortgezet. Zij acht het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet wenselijk, omdat hiermee de klinische behandeling wordt doorkruist.
Verdachte heeft aangegeven dat het goed gaat in de kliniek. Hij wil eerst zijn traject in de FPA afronden. Hij wil daarna een zorgmachtiging krijgen en beschermd gaan wonen. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot naleving van de bijzondere voorwaarden.
De strafmaat
De ernst van de feiten rechtvaardigt vanuit het oogpunt van vergelding de oplegging van een gevangenisstraf. Uit de spreekrechtverklaring van aangever [slachtoffer 1] is echter gebleken dat hij de daders heeft vergeven en dat bij hem geen vergeldingsbehoefte bestaat. Daarnaast is naar voren gekomen dat verdachte momenteel wordt behandeld in een FPA te [plaats]. Het is in het belang van het voorkomen van recidive en van een goede strafrechtspleging om niet met een veroordeling deze behandeling te dwarsbomen door verdachte opnieuw met een gevangenisstraf zijn vrijheid te ontnemen. De rechtbank zal daarom aan verdachte een gevangenisstraf opleggen die in duur gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest. Echter zal de rechtbank wel aan verdachte een flinke waarschuwing meegeven in de vorm van een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal een lagere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, omdat dit beter aansluit bij de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten die de rechtbank hanteert. Ten slotte zal de rechtbank aan verdachte de gevorderde rijontzegging opleggen, omdat verdachte herhaaldelijk de verkeersregels heeft overtreden.
De rechtbank komt, alles afwegende, tot de oplegging van de volgende straffen:
- een gevangenisstraf voor de duur van 562 dagen waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd
van 3 jaren met aftrek van het voorarrest;
- met aan dit voorwaardelijk strafdeel verbonden de bijzondere voorwaarden overeenkomstig het
reclasseringsadvies;
- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
parketnummer 18-197037-25
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van 1.000,- euro ter vergoeding van materiële schade;
parketnummer 18-409987-24
2. [ [slachtoffer 4] tot een bedrag van 2.413,65 ter vergoeding van materiële schade en 500,- euro ter vergoeding van de proceskosten.
2. [ [slachtoffer 5] tot een bedrag van 4.800,- ter vergoeding van materiële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
parketnummer 18-197037-25
De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zich op het standpunt gesteld dat deze toewijsbaar is.
parketnummer 18-409987-24
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] alleen toewijsbaar is voor de schadeposten die betrekking hebben op de gepinde geldbedragen die bij elkaar opgeteld 206,11 bedragen. Deze vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Hij heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] het standpunt ingenomen dat deze vordering toewijsbaar is voor zover de schadeposten betrekking hebben op de gepinde geldbedragen. Deze vordering dient voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 18-197037-25
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de Rabobank de schade van de benadeelde partij [slachtoffer 1] reeds heeft vergoed. De Rabobank dient dus verdachte voor deze schade aan te spreken. Deze vordering is daarom niet toewijsbaar.
parketnummer 18-409987-24
De raadsman heeft zich met betrekking tot de benadeelde partij [slachtoffer 4] op het standpunt gesteld dat alleen de gepinde bedragen toewijsbaar zijn. Hetzelfde standpunt geldt ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 5] .
Het oordeel van de rechtbank
parketnummer 18-197037-25
Beoordeling van de vordering van [slachtoffer 1]
Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de Rabobank, zonder dat daartoe een verbintenis bestond, uit coulance 1.000,- euro heeft vergoed. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het vorderingsrecht van de benadeelde partij hiermee over is gegaan op de Rabobank.
Als een verzekeraar geld uitkeert aan de verzekerde ter vergoeding van de schade, dan gaan op grond van artikel 7:962 van Pro het Burgerlijk Wetboek de rechten van de verzekerde bij wijze van subrogatie op die van de verzekeraar over. De Rabobank heeft echter 1.000,- euro uitgekeerd zonder dat daar een voorafgaande (verzekerings)overeenkomst aan ten grondslag heeft gelegen. De Rabobank heeft blijkens de brief de vergoeding aan de benadeelde partij onder een ontbindende voorwaarde uitbetaald. Als de benadeelde partij het bedrag vergoed krijgt na de strafzaak dan moet de benadeelde partij het bedrag weer terugbetalen aan de Rabobank. Niet is gebleken dat de Rabobank een rechtshandeling van een bevrijdende betaling met een overgang van rechten voor ogen heeft gestaan. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat de benadeelde partij zijn rechten als schuldeiser niet heeft overgedragen aan de Rabobank, temeer nu er zich in de stukken geen akte van cessie bevindt. De rechtbank concludeert dat verdachte nog steeds de schade is verschuldigd aan de benadeelde partij. Zij zal deze vordering daarom toewijzen met vermeerdering van de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening, omdat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
parketnummer 18-409987-24
Beoordeling van de vordering van [slachtoffer 4]
De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met anderen de gestolen bankpassen heeft gebruikt om daarvan geldbedragen van in totaal 206,11 van de bankrekening van de benadeelde partij af te schrijven. Dit bedrag is met bankafschriften onderbouwd. De rechtbank zal de vordering voor dit bedrag toewijzen, inclusief de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening.
De rechtbank zal het gevorderde bedrag door het verlies van de weggenomen afkortzaag niet toewijzen. Ter onderbouwing zijn notas overlegd van nieuw aangeschafte gereedschappen. De schade bestaat echter uit de economische waarde die de weggenomen gereedschappen als gebruikte goederen nog hadden.
Daarover is niets bekend.
De gevorderde vergoeding van de kosten voor herstel van de braakschade is niet onderbouwd en kan niet worden toegewezen.
De rechtbank zal de vordering voor zover het betreft de hiervoor niet toegewezen schadeposten niet-ontvankelijk verklaren, omdat de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan
ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering voor dit deel daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het verzoek tot vergoeding van een bedrag van 500,- aan proceskosten voor zo begrijpt de rechtbank tijdverzuim voor het regelen en aanvragen van passen en documenten, is niet toewijsbaar. Deze kosten kunnen naar vast civiel recht niet aangemerkt worden als kosten gemaakt ten behoeve van het indienen van de vordering tot schadevergoeding. Deze kosten kunnen ook niet worden aangemerkt als rechtstreekse schade omdat niet vaststaat dat het gaat om een feitelijk en aantoonbaar bedrag aan gederfd inkomen of gederfde omzet.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald, en andersom.
Beoordeling van de vordering van [slachtoffer 5]
De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met een ander de weggenomen creditcard heeft gebruikt om daarvan het geldbedrag van 150,- af te schrijven. De rechtbank zal de vordering voor dit bedrag toewijzen, inclusief de wettelijke rente tot aan de dag van algehele voldoening.
Ten aanzien van de overige gevorderde schade beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel en proceskostenveroordeling
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen ten aanzien van alle toegewezen schadevorderingen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 176 en 179 Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

parketnummer 18-197037-25
Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
parketnummers 18-409987-24, 96-147212-25 en 96-193281-25
Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 562 (vijfhonderd en tweeënzestig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 360 (driehonderd en zestig) dagenniet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van
de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 (drie) jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:
Meldplicht bij reclassering
1. Veroordeelde meldt na het ingaan van de proeftijd zich bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe, waar en wanneer veroordeelde zich moet melden. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde zal de aanwijzingen van de reclassering opvolgen.

Opneming in een zorginstelling

2. Veroordeelde laat zich opnemen in een forensische klinische behandelsetting of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname is op 15 januari 2026 gestart. De opname duurt maximaal een jaar. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

Ambulante behandeling

3. Veroordeelde laat zich, na de klinische behandeling, ambulant behandelen door forensische ambulante instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na de klinische behandeling. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

4. Veroordeelde verblijft in een forensische begeleide woonvorm of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start na de klinische behandeling. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Dagbesteding

5. Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur.

Aflossing schulden

6. Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Beheersing middelengebruik
7. Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of
meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de duur van 12 maanden.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 10 maart 2026.

parketnummer 18-197037-25, feit 1 primair

Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1]toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 1.000,- (zegge: duizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,-(zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
parketnummer 18-409987-24, feit 1
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 4]toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 4] te betalen:
  • het bedrag van 206,11 (zegge: tweehonderdenzes euro en elf eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 206,11 (zegge: tweehonderdenzes euro en elf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 2 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
parketnummer 18-409987-24, feit 2
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 5]toe en veroordeelt verdachte, hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 5] te betalen:
  • het bedrag van 150,- (zegge honderdvijftig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van
deze uitspraak alsnog zal maken, tot op heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte, hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat te betalen een bedrag van 150,-(zegge: honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2024 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 1 dag kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. M.E. Joha, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2026.
Mr. M.M. Spooren en mr. M.E. Joha zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. De aangehaalde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde paginas bevinden zich in het dossier van het onderzoek VARUNI/ NNI R025075, afgesloten op 8 september 2025.
2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 28 juni 2025, p. 145 e.v.
3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 28 juni 2025, p. 153 e.v.
4 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 2 juli 2025, p. 165 e.v.
5 Het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 24 februari 2026.
6 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 29 juni 2025, p. 208 e.v.
7 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 29 juni 2025, p. 61 e.v.
8 HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, r.o. 3.1.