ECLI:NL:RBNNE:2026:741

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
18-197030-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36d SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling beroving bij pinautomaat en woninginbraak met gevangenisstraf van 15 maanden

Op 28 juni 2025 pleegde verdachte samen met een medeverdachte een beroving bij een pinautomaat in Makkum waarbij het slachtoffer met een vuurwapen werd bedreigd en 1.000 euro werd weggenomen. Daarnaast werd op dezelfde dag een woninginbraak gepleegd in Franeker waarbij een fles wijn werd gestolen.

De rechtbank baseerde haar oordeel op verklaringen van het slachtoffer, een getuige, camerabeelden en een afgeluisterd telefoongesprek waaruit een nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachten bleek. Verdachte bekende de beroving en werd ook op camerabeelden herkend bij de woninginbraak.

De rechtbank achtte beide feiten wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde verdachte tot 15 maanden gevangenisstraf, lager dan de geëiste 30 maanden, vanwege zijn verwarde indruk en het ontbreken van vergeldingsbehoefte bij het slachtoffer. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf gelast.

De rechtbank kende schadevergoedingen toe aan de slachtoffers: 1.000 euro aan het slachtoffer van de beroving en 1.922,26 euro aan het slachtoffer van de inbraak, vermeerderd met wettelijke rente. Verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade samen met medeverdachten. Daarnaast werden bepaalde in beslag genomen goederen onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf en hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor schadevergoeding aan slachtoffers van beroving en woninginbraak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer: 18-197030-25
vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer: 18-269416-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 maart 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling ] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.M. Kamminga, advocaat te Leeuwarden.
Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Kappeyne van de Coppelo.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Makkum, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten bij een pinautomaat op een parkeerplaats aan [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een geldbedrag van 1.000 euro, dat geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, door (met zijn mededaders)
  • naar de (omgeving van) genoemde pinautomaat te rijden, en/of
  • in/met donkere en/of onopvallende en/of gezichtsbedekkende kleding naar die [slachtoffer 1] toe te gaan, en/of
  • een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of in de zij van die [slachtoffer 1] te duwen en/of op het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer 1] te richten, en/of
  • ( daarbij) dreigend de woorden "pinnen" te zeggen en/of te vragen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Makkum, althans in Nederland, op de openbare weg, te weten bij een pinautomaat op een parkeerplaats aan [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 1.000 euro, dat geheel aan die [slachtoffer 1] toebehoorde, door (met zijn mededaders)
  • naar de (omgeving van) genoemde pinautomaat te rijden, en/of
  • in/met donkere en/of onopvallende en/of gezichtsbedekkende kleding naar die [slachtoffer 1] toe te gaan, en/of
  • een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] te tonen en/of in de zij van die [slachtoffer 1] te duwen en/of op het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer 1] te richten, en/of
  • ( daarbij) dreigend de woorden "pinnen” te zeggen en/of te vragen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2
hij op of omstreeks 28 juni 2025 te Franeker, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten aan [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een fles wijn, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen fles wijn onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of
verbreking en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde gedeeltelijke vrijspraak bepleit, in die zin dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het bestanddeel tezamen en in vereniging met anderen plegen van dit feit. Verdachte heeft dit feit alleen gepleegd, er lag geen plan met medeverdachte(n) en er is geen sprake geweest van een gelijkwaardige samenwerking.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen feit 1
De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten het volgende vast.1
Aangever [slachtoffer 1] is op 28 juni 2025 bij een pinautomaat in Makkum beroofd en hij heeft diezelfde dag hiervan aangifte gedaan. Aangever verklaart dat hij bij de pinautomaat arriveerde tegenover de [supermarkt ] te Makkum
(de rechtbank begrijpt [adres] ).Op het moment dat hij zijn pinpas in de automaat had geschoven, zag hij een man. Deze man, die hij hierna verdachte noemt, kwam aan de linkerkant naast aangever staan. Aangever keek opzij en hij zag dat verdachte een voorwerp toonde wat sterk op een vuurwapen leek. Vervolgens voelde aangever dat het vuurwapen in zijn linkerzij werd gedrukt. Aangever voelde zich op dat moment bedreigd. Hij hoorde verdachte zeggen: “pinnen”. Aangever begreep dat verdachte geld van hem wilde. Hij zag dat verdachte het getal 1000 intoetste en dat er briefgeld uit de automaat kwam. Aangever zag dat verdachte het briefgeld pakte. Hij zag verdachte met een tweede persoon gezamenlijk vertrekken. Deze tweede persoon stond telkens op een paar meter afstand van aangever en verdachte vandaan. Aangever verklaart dat verdachte tijdens het pinnen het vuurwapen op een gegeven moment nog naar zijn hoofd en nek heeft gericht.2
Verdachte heeft ter zitting van 24 februari 2025 verklaard dat het klopt dat hij op 28 juni 2025 in Makkum aangever bij een pinautomaat met een pistool heeft bedreigd, terwijl aangever aan het pinnen was. Dit heeft verdachte gedaan om geld af te nemen en hij heeft toen 1.000,- uit de pinautomaat gepakt.
Op 28 juni 2025 is [getuige] als getuige gehoord. Getuige verklaart dat hij zijn kerkgenoot [slachtoffer 1]
(de rechtbank begrijpt: aangever)bij een geldautomaat zag staan. Hij zag dat direct links naast [slachtoffer 1] een man stond. Getuige zag dat de man die naast [slachtoffer 1] stond gezichtsbedekking droeg. Hij zag aan de rechterkant van [slachtoffer 1] nog een man staan zon drie meter van [slachtoffer 1] af. Deze man had ook gezichtsbedekking. Getuige zag dat de man die bij [slachtoffer 1] stond een pistool in zijn hand had. Hij zag dat de man het pistool met de loop in de linkerzij van [slachtoffer 1] drukte. Hij
zag dat de man het pistool in zijn rechterhand had en daarna een stapel 50 euro biljetten in zijn linkerhand.3
Verbalisant [verbalisant] heeft op 28 juni 2025 de camerabeelden van de Geldmaat in Makkum veiliggesteld. Verbalisant heeft de camerabeelden bekeken en vervolgens in een proces-verbaal van bevindingen deze beelden beschreven. Verbalisant zag op deze beelden een tweede man die voor zijn gezicht een doek/sjaal droeg waardoor alleen zijn ogen zichtbaar waren. Hij zag dat deze tweede man achter de aangever en eerste man langs loopt en op enkele meters even bleef staan, waarna hij naar rechts loopt en uit beeld verdwijnt.4
Verbalisant [verbalisant] heeft door middel van een telefoontap op 28 juni 2025 een telefoongesprek tussen [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] afgeluisterd. Verbalisant heeft dit gesprek in een proces-verbaal van bevindingen uitgewerkt en de opvallende delen van het gesprek uitgelicht. Deze zijn hieronder opgenomen voor zover relevant :
[verdachte] : ik geef je wel rugdekking he [medeverdachte 1] : ja dat weet ik vriend []
[verdachte] : vanochtend ook he. Ik heb alles verdeeld met iedereen
[medeverdachte 1] : anders moeten we even een blokje lopen met z'n tweeën met dat speelgoed en dan uh, zo
[verdachte] : maar we hebben wel uh met zijn drieën uh ja bijna duizend euro verdiend he vandaag
[medeverdachte 1] : ja maar ik durf even niet die kant op te gaan nu [verdachte] : hoezo durf je niet
[medeverdachte 1] : nou omdat uh blauw is van die lui uh snap ie
[verdachte] : wat bedoel je
[medeverdachte 1] : ja je weet toch wel. die pettenmannen
[verdachte] : weet je ik ben er bij geweest en heb iedereen deel gegeven5
Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op 29 juni 2025 bij de politie verklaart dat hem werd gevraagd of hij even een ritje wilde doen naar Makkum. Zijn buurman [medeverdachte 1]
(de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1] )en [medeverdachte 1] vriend [naam 1]
(de rechtbank begrijpt: verdachte)vroegen dat. Hij moest ze bij de [supermarkt ] in Makkum afzetten. Zij vroegen [medeverdachte 2] om een straat verderop te gaan staan en ze zeiden dat ze zo weer terug zouden zijn. Ze kwamen daarna rennend terug. Ze zijn in de auto gestapt en ze zeiden vrij gehaast dat [medeverdachte 2] moest gaan rijden. Aan het einde van de rit kwam boven water dat er iets gebeurd was.6
Bewijsoverweging feit 1
De rechtbank is van oordeel dat uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte het feit samen met een medeverdachte heeft gepleegd en dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Aangever [slachtoffer 1] en getuige [getuige] verklaren allebei dat zij een tweede persoon met gezichtsbedekking hebben zien staan. Dit is ook te zien op de beelden. Daarbij wordt in het getapte telefoongesprek gesproken over het met zijn tweeën een blokje om lopen met dat speelgoed, elkaar rugdekking geven net als vanochtend (het moment waarop de overval heeft plaatsgevonden) en dat ze vandaag samen 1.000,-hebben verdiend. De samenwerking wordt verder bevestigd door de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] die verklaart dat [medeverdachte 1] en verdachte hem vroegen om naar Makkum te rijden, waar verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] uit de auto is gestapt en dat ze
daarna samen rennend terug naar de auto zijn gekomen. Het door de raadsman gevoerde verweer dat verdachte dit feit alleen zou hebben gepleegd, wordt weersproken door het bewijs. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte dit feit in vereniging met een ander heeft gepleegd. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het feitencomplex past bij een gekwalificeerde diefstal en zij komt gelet daarop tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde.
Bewijsmiddelen feit 2
[naam 2] heeft op 28 juni 2025 aangifte gedaan namens zijn oom [slachtoffer 2] van een inbraak die heeft plaatsgevonden in de woning van zijn oom in Franeker aan [adres] . [naam 2] verklaart dat zijn oom op 27 juni 2025 omstreeks 22:20 uur de woning heeft afgesloten. Op 28 juni 2025 omstreeks 09:00 uur belde de oom [naam 2] dat er ingebroken was in zijn woning. [naam 2] is naar de woning van zijn oom gegaan en zag dat de loopdeur van de garage opengebroken was. Ook de deur van het kantoortje was opengebroken. Hij vond in het kantoortje een breekijzer dat van de daders moet zijn geweest. Er is een kistje met daarin een fles wijn weggenomen.7
Verbalisant [verbalisant] heeft de camerabeelden van 28 juni 2025 van de woning bekeken en in een proces-verbaal van bevindingen deze beelden beschreven. Op de beelden is te zien dat om 02:25 uur een persoon de garage binnen loopt. Achter deze persoon komt nog een man door de deur de garage binnengelopen. Om 02:36 uur is te zien dat beide personen weer de garage in lopen, waarbij de ene persoon een licht gekleurde kartonnen doos draagt en de andere persoon een tas draagt waarna beiden de garage uitlopen.8
Verbalisant [verbalisant] heeft ook bovengenoemde camerabeelden bekeken en hij herkent de tweede persoon die de woning binnenloopt als [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] . Verbalisant heeft veelvuldig te maken gehad met [verdachte] en kan met zekerheid zeggen dat hij [verdachte] herkent op de beelden.9
Bewijsoverweging feit 2
De rechtbank stelt aan de hand van de bewijsmiddelen vast dat verdachte een van de inbrekers is geweest die in de woning van aangever [slachtoffer 2] heeft ingebroken. Uit het dossier volgt dat een verbalisant aan de hand van camerabeelden die in de woning zijn gemaakt verdachte heeft herkend. De rechtbank acht dit feit daarmee bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde onder 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 28 juni 2025 te Makkum op de openbare weg bij een pinautomaat aan [adres] , tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van 1.000 euro dat aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door met zijn mededader
  • naar de omgeving van genoemde pinautomaat te rijden, en
  • met gezichtsbedekkende kleding naar die [slachtoffer 1] toe te gaan, en
  • een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [slachtoffer 1] te tonen en in de zij van die [slachtoffer 1] te duwen en op het hoofd en/of de keel van die [slachtoffer 1] te richten, en
  • daarbij dreigend "pinnen" te zeggen;
2
hij op 28 juni 2025 te Franeker, tezamen en in vereniging met een ander, in een woning aan [adres] , alwaar verdachte en zijn mededader tegen de wil van de rechthebbende bevonden, een fles wijn die aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair:
diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen;
2. diefstal in een woning door iemand die zich aldaar tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden gevorderd met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een straf gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest met daarbovenop nog twee á drie maanden gevangenisstraf bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 18 december 2025 en het uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 januari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan een beroving bij een geldautomaat waarbij hij het slachtoffer heeft bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op de openbare weg. Een dergelijke beroving is vaak zeer heftig voor een slachtoffer om mee te maken. Dit kan bij slachtoffers leiden tot blijvende gevoelens van angst en onveiligheid. Dat in onderhavige zaak het slachtoffer minder onder de indruk was en verdachte heeft vergeven voor zijn daad, is een omstandigheid die niet aan het gedrag van verdachte te danken is. Een dergelijke beroving is bovendien schokkend voor buurtbewoners en de maatschappij. Zij voelen zich doordat zij dit hebben gezien of hier kennis van krijgen minder veilig op straat.
Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Woninginbraken zijn vervelende en overlast gevende feiten die leiden tot tijdrovende procedures voor schadeherstel en opsporing.
Getroffen bewoners voelen zich hierdoor niet meer veilig in hun eigen woning. Uit de spreekrechtverklaring is ook gebleken dat aangever [slachtoffer 2] zich door deze inbraak een tijd onrustig en onveilig heeft gevoeld.
Verdachte heeft met zijn handelen uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Hij heeft niet stilgestaan bij de nadelige gevolgen die zijn handelen voor anderen heeft gehad.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren onherroepelijk is veroordeeld voor (andersoortige) strafbare feiten. Eerder is hij voor een straatroof tot een lange gevangenisstraf veroordeeld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies. De reclassering ziet het psychosociaal functioneren, middelengebruik en houding van verdachte als problematisch. In een eerder pro justitia-rapportage uit 2016 wordt gesproken over een IQ van 56, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en misbruik van alcohol en drugs. Tevens is in deze rapportage geconcludeerd dat bij verdachte geen sprake is van leerbaarheid. Hoewel deze rapporten zijn verouderd, vindt de reclassering het aannemelijk dat deze stoornissen nog steeds aanwezig zijn. Er wordt door de reclassering een achteruitgang gesignaleerd op het gebied van de verstandelijke vermogens van verdachte en zijn lichamelijke toestand.
De reclassering beschrijft verder dat verdachte ten tijde van deze feiten in een proeftijd liep. Er is vaker sprake geweest van recidive tijdens een proeftijd. De gesprekken vanuit de reclassering met verdachte lijken geen toegevoegde waarde te hebben. De reclassering heeft verder naar voren gebracht dat verdachte wordt begeleid door [instelling ] en dat hij ook dagbesteding heeft bij [instelling ] . Na de detentieperiode kan hij weer terugkeren naar zijn woning en kan de begeleiding en dagbesteding worden opgestart. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht de risicos te beperken of het gedrag te veranderen. Daarnaast adviseert de reclassering de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf waarvoor verdachte in een proeftijd liep.
De strafmaat
De ernst van de feiten rechtvaardigt vanuit het oogpunt van vergelding de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Uit de spreekrechtverklaring van aangever [slachtoffer 1] is echter gebleken dat hij de daders heeft vergeven en dat bij hem geen vergeldingsbehoefte bestaat. Verdachte maakte daarnaast tijdens de zitting een verwarde indruk op de rechtbank. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een lagere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist, waarbij tegelijkertijd is gelet op de landelijke gehanteerde oriëntatiepunten die een lagere gevangenisstraf als richtsnoer hanteren. Dit neemt niet weg dat de bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen.
De rechtbank legt, alles afwegende, aan verdachte een gevangenisstraf op van 15 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

In beslag genomen goederen

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de volgende standpunten ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen goederen:
  • 1 STK handschoen, goednummer: PL0100-2025170926-G1843270 teruggeven aan verdachte;
  • 1 STK computer Acer, goednummer: PL0100-2025170926-G1843293 teruggeven aan [slachtoffer 3] ;
  • 2 STK vals geld, goednummer: PL0100-2025170926-G1843353 onttrekken aan het verkeer;
  • 1 STK luchtbuks, goednummer: PL0100-2025170926-G1842964 onttrekken aan het verkeer;
  • 1 STK luchtbuks, goednummer: PL0100-2025170926-G1842965 onttrekken aan het verkeer.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich aangesloten bij de vordering van de officier van justitie.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal overeenkomstig de vordering van de officier van justitie beslissen.
De rechtbank zal de volgende goederen onttrekken aan het verkeer:
- 2 STK vals geld, goednummer: PL0100-2025170926-G1843353;
- 1 STK luchtbuks, goednummer: PL0100-2025170926-G1842964;
- 1 STK luchtbuks, goednummer: PL0100-2025170926-G1842965,
nu het ongecontroleerde bezit van deze goederen in strijd is met de wet en het algemene belang.
De rechtbank bepaalt dat de volgende goederen moeten worden teruggegeven aan de rechthebbende:
  • 1 STK handschoen, goednummer: PL0100-2025170926-G1843270 aan verdachte;
  • 1 STK computer Acer, goednummer: PL0100-2025170926-G1843293 aan [slachtoffer 3] .

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 1.000,- euro ter vergoeding van materiële schade;
[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 2.172,19 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zich op het standpunt gesteld dat deze toewijsbaar is.
Hij heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] het standpunt ingenomen dat deze toewijsbaar is met uitzondering van de schadepost die ziet op het muntgeld.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de vorderingen niet betwist.
Het oordeel van de rechtbank
Beoordeling van de vordering van [slachtoffer 1]
Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de Rabobank, zonder dat daartoe een verbintenis bestond, uit coulance 1.000,- euro heeft vergoed. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het vorderingsrecht van de benadeelde partij hiermee over is gegaan op de Rabobank.
Als een verzekeraar geld uitkeert aan de verzekerde ter vergoeding van de schade, dan gaan op grond van artikel 7:962 van Pro het Burgerlijk Wetboek de rechten van de verzekerde bij wijze van subrogatie op die van de verzekeraar over. De Rabobank heeft echter 1.000,- euro uitgekeerd zonder dat daaraan een voorafgaande (verzekerings)overeenkomst ten grondslag heeft gelegen. De Rabobank heeft blijkens de
brief de vergoeding aan de benadeelde partij onder een ontbindende voorwaarde uitbetaald. Als de benadeelde partij het bedrag vergoed krijgt na de strafzaak dan moet de benadeelde partij het bedrag weer terugbetalen aan de Rabobank. Niet is gebleken dat de Rabobank een rechtshandeling van een bevrijdende betaling met een overgang van rechten voor ogen heeft gestaan. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat de benadeelde partij zijn rechten als schuldeiser niet heeft overgedragen aan de Rabobank, temeer nu er zich in de stukken geen akte van cessie bevindt. De rechtbank concludeert dat verdachte nog steeds de schade is verschuldigd aan de benadeelde partij. Zij zal deze vordering daarom toewijzen, omdat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit.
Beoordeling van de vordering van [slachtoffer 2]
De rechtbank stelt vast dat de gestelde reparatiekosten een rechtstreeks gevolg zijn van het onder 2 bewezen verklaarde feit en dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Dit is anders bij de gestelde schadeposten die betrekking hebben op de “gestolen pot met twee euromunten” en “de zilveren lepeltjes”. De rechtbank kan aan de hand van het dossier niet vaststellen dat verdachte deze goederen heeft gestolen en dat hij daarmee aansprakelijk is voor deze schade. In het strafdossier wordt namelijk geen enkele vermelding gemaakt van deze goederen. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering van de vergoeding van deze schadeposten niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal dus de vordering tot een bedrag van 1.922,26 euro toewijzen (de reparatiekosten).
De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachten deze al hebben betaald of andersom.
De rechtbank zal bepalen dat de vergoedingen van de schades in beide gevallen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen ten aanzien van alle toegewezen schadevorderingen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 4 april 2024 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden onder parketnummer 18-269416-23, is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 19 april 2024. Daarbij is onder meer als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen. De officier van justitie heeft bij vordering van 28 januari 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke straf. De verdediging heeft zich niet verzet tegen de tenuitvoerlegging.
Nu veroordeelde de bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36d, 36f, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Onttrekt aan het verkeer:
- 2 STK vals geld, goednummer: PL0100-2025170926-G1843353;
- 1 STK luchtbuks, goednummer: PL0100-2025170926-G1842964;
- 1 STK luchtbuks, goednummer: PL0100-2025170926-G1842965.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende:

1 STK handschoen, goednummer: PL0100-2025170926-G1843270 aan de rechthebbende verdachte
[verdachte] ;
1 STK computer Acer, goednummer: PL0100-2025170926-G1843293 aan de rechthebbende aangever
[slachtoffer 3] .
Ten aanzien van feit 1 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1]toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:
  • het bedrag van 1.000,- (zegge: duizend euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.000,-(zegge: duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 2 primair
Wijst de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2]toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
  • het bedrag van 1.922,26 (zegge: negentienhonderd en tweeëntwintig euro en zesentwintig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.922,26 (zegge: negentienhonderd en tweeëntwintig euro en zesentwintig eurocent), vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 28 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 19 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18.269416-23:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Nederland locatie Leeuwarden van 4 april 2024, te weten:
een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. M.E. Joha, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2026.
Mr. M.M. Spooren en mr. M.E. Joha zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. De aangehaalde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde
opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde paginas bevinden zich in het dossier van het onderzoek VARUNI/ NNI R025075, afgesloten op 8 september 2025.
2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 28 juni 2025, p. 145 e.v.
3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 28 juni 2025, p. 153 e.v.
4 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 2 juli 2025, p. 165 e.v.
5 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] d.d. 29 juni 2025, p. 208 e.v.
6 Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 29 juni 2025, p. 61 e.v.
7 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] namens wie [naam 2] d.d. 28 juni 2025, p. 240 e.v.
8 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 30 juni 2025, p. 246 e.v.
9 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant] d.d. 28 juni 2025, p. 251 e.v.