ECLI:NL:RBNNE:2026:743

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
18-190172-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling woninginbraken en bezit harddrugs met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor vier woninginbraken gepleegd in Leeuwarden en een andere plaats, alsmede voor het bezit van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs (amfetamine, cocaïne en MDMA). De feiten zijn wettig en overtuigend bewezen verklaard, mede op basis van verklaringen van slachtoffers, proces-verbalen en de eigen bekentenis van verdachte.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van de feiten, de impact op slachtoffers en de maatschappij, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn verslavingsproblematiek en schuldbewuste proceshouding. Verdachte heeft de woninginbraken gepleegd om zijn drugsverslaving te bekostigen en heeft erkend dat hij strikte kaders en abstinentie nodig heeft om gedragsverandering te bewerkstelligen.

De opgelegde straf bestaat uit een gevangenisstraf van 531 dagen, waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, verbonden aan bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante begeleiding en een drugs- en alcoholverbod. Daarnaast is een taakstraf van 180 uren opgelegd. De rechtbank heeft tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan verdachte ten behoeve van een benadeelde partij, waarbij materiële schade is toegewezen en immateriële schade is afgewezen.

De voorlopige hechtenis is opgeheven en verdachte is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade, met de mogelijkheid dat betaling door een medeverdachte hem bevrijdt van de betalingsverplichting.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 531 dagen gevangenisstraf waarvan 360 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 180 uren.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer: 18-190172-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 10 maart 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 februari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Leeuwarden. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 21 april 2025 te Leeuwarden, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan [adres] te Leeuwarden, alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een kluis, sierraden, horloges, herdenkingsmunten, contant geld, koopaktes, volmachten, testamenten, een trouwboekje, paspoorten, vaccinatieboekjes, een sporttas met toebehoren, een Sonos Move speaker, een Indonesische kris in houder en/of zonnebrillen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
2
hij in of omstreeks de periode van 3 mei 2025 tot en met 4 mei 2025 te Leeuwarden, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan [adres] te Leeuwarden, alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, horloges, zilveren gebaksvorkjes, sierraden, contant geld en/of fotocameras met toebehoren, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
3
hij in of omstreeks de periode 9 mei 2025 tot en met 10 mei 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan [adres] , alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), cadeaukaarten, sierraden, manchetknopen, dasspelden, horloges, munten, trouwringen, een horloge box, een portemonnee en/of contant geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
4
hij op of omstreeks 30 april 2025 te [plaats] , in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan [adres] , alwaar hij, verdachte, zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een horloge, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander, toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of
dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel;
5
hij op of omstreeks 30 juni 2025 te Leeuwarden al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten amfetamine, cocaïne en/of MDMA, aanwezig heeft gehad;

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 februari 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d.
25 april 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland van het onderzoek ZEUS/ NN1R025072 d.d. 18 augustus 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
3. een schriftelijk bescheid, te weten een goederenbijlage behorend bij de onder 2 genoemde aangifte, apart opgenomen in het dossier;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d.
4 mei 2025, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] ;
5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.
9 augustus 2025, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend een lijst van gestolen goederen behorend bij de onder bewijsmiddel 4 genoemde aangifte;
6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d.
12 mei 2025, opgenomen op pagina 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] ;
7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 23 mei 2025, opgenomen op pagina 88 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] ;
8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d.
30 april 2025, opgenomen op pagina 154 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] ;
9. een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2025, opgenomen op pagina 161 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] ;
10. een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2025, opgenomen op pagina 116 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] ;
11. een proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2025, opgenomen op pagina 140 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en
[verbalisant] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 21 april 2025 te Leeuwarden in een woning gelegen aan [adres] , alwaar hij zich tegen de wil van de rechthebbende bevond, een kluis, sierraden, horloges, herdenkingsmunten, contant geld, koopaktes, volmachten, testamenten, een trouwboekje, paspoorten, vaccinatieboekjes, een sporttas met toebehoren, een Sonos Move speaker, een Indonesische kris in houder en zonnebrillen die aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;
2
hij in de periode van 3 mei 2025 tot en met 4 mei 2025 te Leeuwarden in een woning gelegen aan [adres] , alwaar hij zich tegen de wil van de rechthebbende bevond, horloges, zilveren gebaksvorkjes, sierraden, contant geld en fotocameras met toebehoren die aan [slachtoffer 3] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
3
hij in de periode 9 mei 2025 tot en met 10 mei 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander in een woning gelegen aan [adres] , alwaar verdachte en zijn mededader zich tegen de wil van de rechthebbende bevonden, cadeaukaarten, sierraden, manchetknopen, dasspelden, horloges, munten, trouwringen, een horloge box, een portemonnee en contant geld die aan [slachtoffer 4] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;
4
hij op 30 april 2025 te [plaats] in een woning gelegen aan [adres] , alwaar hij zich tegen de wil van de rechthebbende bevond, een horloge dat aan [slachtoffer 5] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
5
hij op 30 juni 2025 te Leeuwarden opzettelijk middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten amfetamine, cocaïne en MDMA, aanwezig heeft gehad.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
diefstal in een woning door iemand die zich aldaar tegen de wil van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie komt tot de volgende strafeis:
- een gevangenisstraf voor de duur van 901 dagen waarvan 730 dagen voorwaardelijk met een proeftijd
van 3 jaren met aftrek van het voorarrest;
- aan het voorwaardelijke strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden
overeenkomstig het reclasseringsadvies;
- een taakstraf voor de duur van 180 uren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in zijn pleidooi een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest bepleit. Aan deze straf kan eventueel een voorwaardelijke strafdeel worden toegevoegd. De raadsman heeft zich ten aanzien van de hoogte van dit voorwaardelijke strafdeel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Er zou daarnaast ook nog een taakstraf kunnen worden opgelegd met het oog op vergelding. Dit zou echter een overbelasting van verdachte kunnen vormen gelet op zijn drukke weekprogramma.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het reclasseringsadvies van 19
februari 2026 en het uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 februari 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere woninginbraken in Leeuwarden en [plaats] . Hij is verder in het bezit geweest van een grote hoeveelheid harddrugs. Woninginbraken zijn zeer vervelende en overlast gevende delicten die tijdsintensieve procedures voor opsporing en schadeherstel met zich meebrengen. Ook veroorzaken woninginbraken bij zowel de getroffen bewoners als buurtbewoners en de maatschappij gevoelens van onveiligheid. Uit het dossier is bovendien gebleken dat verdachte persoonlijke en onvervangbare bezittingen van emotionele waarde heeft gestolen. Verdachte heeft vooral aan zijn eigen financieel gewin gedacht om zijn drugsverslaving te bekostigen en zich geen rekenschap gegeven van het nadeel dat hij met zijn handelen aan anderen heeft toegebracht. Hij heeft onder meer bij de buren van zijn ouders ingebroken op wiens huis zijn ouders op dat moment pasten en waarmee zij een goede verstandhouding hadden. Verdachte heeft niet alleen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de buren van zijn ouders, maar door zijn handelen ook zijn ouders in verlegenheid gebracht waardoor de familierelatie is verstoord.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies. Uit verdiepingsdiagnostiek is gebleken dat verdachte binnen een gestructureerde omgeving goed functioneert, maar dat hij moeite heeft met het vasthouden van gedragsverandering zodra de externe structuur wegvalt. De reclassering acht het daarom van belang dat verdachte meer openheid van zaken geeft en op tijd problemen kenbaar maakt, zodat deze problemen tijdig kunnen worden gesignaleerd. Zij heeft verder in haar rapport naar voren gebracht dat verdachte zich in zijn schorsingsperiode tot dusver meewerkend heeft opgesteld. De reclassering schat de kans op herhaling in als gemiddeld. Zij adviseert een straf met daaraan als bijzondere voorwaarden gekoppeld een meldplicht, een ambulante behandeling en een verbod op het gebruik van verdovende middelen en alcohol.
Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij in het verleden telkens amfetamine heeft gebruikt als een vorm van zelfmedicatie tegen de chaos en drukte in zijn hoofd door zijn ADHD. Hij heeft de woninginbraken gepleegd om zijn harddrugverslaving te kunnen bekostigen buiten weten van zijn ex-partner om. Hij werkt op dit moment fulltime als asbestsaneringsmedewerker. Hij wil gaan verhuizen zodat hij zich aan zijn criminele netwerk in Leeuwarden kan onttrekken. Verdachte ziet in dat hij strakke kaders nodig heeft en daarbij volledig abstinent van harddrugs moet blijven om gedragsverandering te kunnen bewerkstelligen. Een eventuele vrijheidsbeneming na een veroordeling betekent voor verdachte het verlies van werk en inkomen. Ook zal een dergelijke straf de reeds geboekte vooruitgang dwarsbomen. Hij is daarom bereid om een taakstraf te verrichten als dat moet. Verdachte heeft zich daarnaast bereid verklaard tot naleving van de geadviseerde voorwaarden.
De strafmaat
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht gelagen op de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten voor woninginbraken en het aanwezig hebben van meer dan 500 gram aan harddrugs. Hieruit volgt als richtsnoer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur. De rechtbank ziet in de schuldbewuste proceshouding van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden aanleiding om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die in duur gelijk is aan het voorarrest, te weten 171 dagen. Een gevangenisstraf van een langere duur gaat naar het oordeel van de rechtbank aan het strafdoel van afschrikking voorbij, nu verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor de delicten. De rechtbank ziet
wel een noodzaak om aan verdachte een stevige waarschuwing mee te geven in de vorm van een forse voorwaardelijke gevangenisstraf gelet op zijn strafrechtelijke verleden. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de ernst van de feiten daarnaast oplegging van een taakstraf rechtvaardigen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 531 dagen waarvan 360 dagen (12 maanden) voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend is. Aan het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden: een meldplicht, een ambulante behandeling en een verbod op het gebruik van verdovende middelen en alcohol. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van 180 uren opleggen.
Het geschorste bevel voorlopige hechtenis zal de rechtbank opheffen.

Benadeelde partij

Ten aanzien van feit 3
[slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 2.520,- aan materiële schade en
400,- aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij toegewezen kan worden met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangegeven dat verdachte bereid is om de gevorderde schade in haar geheel te vergoeden. Hij heeft de vordering daarom niet betwist.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 10 mei 2025.
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet, niet voor toewijzing vatbaar. Dit is niet anders als de verdediging deze vordering niet heeft betwist. De Hoge Raad heeft overwogen dat niet uitgesloten is dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als gevolg van een woninginbraak dermate ingrijpende gevolgen kan hebben gehad dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen
niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is wel vereist dat er vaststellingen omtrent die gevolgen kunnen worden gedaan. Vorenbedoelde aantasting in de persoon ligt niet voor de hand als de nadelige gevolgen (voor zover bekend) enkel uit het verlies van voorwerpen bestaan die een emotionele waarde hebben.1
De benadeelde partij heeft haar vordering van de immateriële schade gegrond op het verlies van bezittingen met een emotionele waarde en een algemene onderbouwing van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De rechtbank kan aan de hand van deze onderbouwing echter niet vaststellen dat bij de benadeelde partij de nadelige gevolgen dusdanig ernstig zijn dat deze een aantasting in de persoon opleveren in de zin van artikel 6:106 BW Pro. De rechtbank zal daarom de vordering voor wat betreft het immateriële deel afwijzen.
Opmerking verdient dat verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij bereid is om de gevorderde schade in haar geheel te vergoeden. Hoewel de vergoeding van de immateriële schade niet rechtens afdwingbaar is, staat het de verdachte vrij om deze gevorderde schade vrijwillig aan [slachtoffer 4] te vergoeden.
Hoofdelijke aansprakelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald of andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2, 3, 4, en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 531 (vijfhonderd en eenendertig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 360 (driehonderdenzestig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende
de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op
3 (drie) jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

1. Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland op het adres [adres] .

Ambulante begeleiding

2. Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als reclassering nodig acht laat behandelen door de forensische polikliniek van Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis en wordt voortgezet bij ingaan van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is tenminste gericht op het delictgedrag en verslavingsproblematiek, teneinde het voorkomen van een
terugval in (hard)drugsgebruik.

Drugs- en alcoholverbod

3. Dat veroordeelde gedurende de proeftijd geen alcohol, harddrugs en/of softdrugs gebruikt. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles die kunnen plaatsvinden door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of
meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het
Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 10 maart 2026.
Ten aanzien van feit 3

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 4] te betalen:
  • het bedrag van 2.520,- (zegge: tweeduizend en vijfhonderdentwintig euro);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor de immateriële schade af.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.520,-
(zegge: tweeduizend en vijfhonderdentwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Joha, voorzitter, mr. M.M. Spooren, en
mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 maart 2026.
Mr. M.E. Joha en mr. M.M. Spooren zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465.