ECLI:NL:RBNNE:2026:82

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
LEE 25/774
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor regionale opvanglocatie COA in Leeuwarden

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in de zaak over de omgevingsvergunning voor een regionale opvanglocatie voor het COA in Leeuwarden, waar maximaal 450 asielzoekers en statushouders gehuisvest zouden worden. De rechtbank heeft de beroepen van eisers onder 1 en 3 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belanghebbenden zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eisers onder 2, die wel belanghebbenden zijn, hebben hun beroep verloren. De rechtbank oordeelde dat de omgevingsvergunning niet in strijd was met de verleende verklaring van geen bedenkingen en dat het college bevoegd was om de vergunning te verlenen. De rechtbank heeft ook geconstateerd dat er procedurele gebreken waren, maar deze zijn gepasseerd op grond van artikel 6:22 van de Awb, omdat eisers niet in hun belangen zijn geschaad. De rechtbank heeft het college veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers onder 2 en het griffierecht aan hen te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht
locatie Groningen
zaaknummers: LEE 25/774, 25/919 en 25/1042
uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 15 januari 2026 in de zaak tussen
1. [eisers]in [plaats], eisers onder 1,
(gemachtigde: mr. F. Krol-Postma),
2. [eisers]in [plaats], eisers onder 2,
(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),
3. [eisers]in [plaats], eisers onder 3,
(gemachtigde: D. de Vries-de Groot),
gezamenlijk aangeduid als eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, het college,
(gemachtigden: mr. J.J. Hengst en K.I. Thoma).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1. [vergunninghoudster]., gevestigd te [plaats], vergunninghoudster,
(gemachtigde: [naam]),
2. [derde-belanghebbende], gevestigd te [plaats], derde-belanghebbende,
(gemachtigde: R. van Duffelen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de omgevingsvergunning voor het realiseren van een Regionale Opvanglocatie (ROL) met 45 woningen voor het COA op de percelen aan [adres] (de percelen) in Leeuwarden.
1.1.
Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld. [1] Ook hebben eisers onder 1 en eisers onder 2 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. [2]
1.3.
De voorzieningenrechter heeft op de zitting van 8 juli 2025 in overleg met partijen besloten om met de behandeling van de verzoeken om voorlopige voorziening te wachten tot de zitting van de meervoudige kamer op 9 oktober 2025.
1.4.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
1.5.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft een deskundigenadvies uitgebracht, gedateerd 28 augustus 2025. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Bij brief van 15 september 2025 heeft de StAB aanvullend gereageerd.
1.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 oktober 2025 gelijktijdig op een zitting behandeld met het beroep onder het procedurenummer LEE 25/989. Eisers zijn in persoon verschenen. Eisers onder 1 en eisers onder 2 zijn daarin bijgestaan door hun gemachtigden. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en door B. Kroese en Y. de Jong. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en E.M. Zwanenburg. Derde-belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.
In de zaak met het procedurenummer LEE 25/989 wordt apart uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de verleende omgevingsvergunning aan de hand van de gronden die eisers hebben aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers onder 1 en eisers onder 3 niet-ontvankelijk. Het beroep van eisers onder 2 is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.1.
De voor de beoordeling van het verzoek belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3.2
Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht. [3]
Feiten
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.1.
Vergunninghoudster heeft op 15 december 2023 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het realiseren van een ROL bestaande uit 45 woningen, met maximaal 450 bewoners, voor het COA op de percelen bij het college ingediend.
De aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:
- bouwen;
- handelen in strijd met de regels van de ruimtelijke ordening.
4.2.
De raad van de gemeente Leeuwarden (de raad) heeft op 11 maart 2024 besloten een ontwerp-verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven.
4.3.
Het college heeft een ontwerpbesluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning genomen. Dit ontwerpbesluit heeft vanaf 21 maart 2024 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen om eenieder in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen.
4.4.
Eisers hebben bij het college een zienswijze ingediend in reactie op het ontwerpbesluit.
4.5.
Het college heeft een “reactie- en antwoordnota zienswijzen” opgesteld.
4.6.
De raad heeft op 4 december 2024 besloten om een vvgb af te geven voor de realisatie van het plan.
4.7.
Het college heeft bij het bestreden besluit van 14 januari 2025 aan vergunninghoudster de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
Zijn eisers belanghebbende bij het besluit?
5. Het college stelt zich op het standpunt dat eisers geen van allen kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is naar de mening van het college geen sprake van gevolgen van enige betekenis voor de fysieke leefomgeving van eisers. Daarbij acht het college van belang dat het uitzicht voor eisers gelet op de afstand en de al aanwezige tussenliggende bebouwing, niet of nauwelijks zal veranderen. Het college wijst er bovendien op dat de ROL geen milieubelastend object is dat onevenredig veel geluid-, stof-, trilling-, licht-, emissie- of geurhinder voor het omliggende woonmilieu veroorzaakt. De huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden van eisers worden niet beperkt als gevolg van dit besluit. Parkeer- en verkeersoverlast is ook niet te verwachten. De ROL wordt niet ontsloten via het Troelstrapark. De verkeersaantrekkende werking van de ROL is lager dan de huidige tuincentrumfunctie. Parkeren kan op eigen terrein worden opgelost, aldus het college. De ROL wordt niet ontsloten via het Troelstrapark. Verder acht het college van belang dat de ROL voorziet in de huisvesting van mensen met een vergelijkbaar dag- en nachtritme als de bewoners van de omliggende woonfuncties.
5.1.
Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
5.2.
Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [4] volgt het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het moet daarbij gaan om gevolgen van enige betekenis. [5] Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene zo klein zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis zijn.
5.3.
De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de belanghebbendheid van eisers de afstand van de ROL tot hun percelen als uitgangspunt moet worden genomen. [6] De percelen waarop eisers onder 1 wonen, liggen hemelsbreed ongeveer 150 meter van het plangebied van de ROL. Voor eisers onder 3 is dat ongeveer 190 meter van het plangebied. Vanwege de tussenliggende bebouwing en bomen is er vanaf de percelen van eisers onder 1 en eisers onder 3 geen of nauwelijks zicht op het plangebied. Met het college is de rechtbank van oordeel dat het, gelet op deze afstand en de aard en de omvang van het vergunde gebruik, niet aannemelijk is dat eisers onder 1 en eisers onder 3 gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de beroepen van eisers onder 1 en eisers onder 3 niet-ontvankelijk zijn. Dit brengt bovendien met zich dat er geen aanleiding bestaat om de door eisers onder 1 verzochte voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
5.4.
Het beroep van eisers onder 2 is naar het oordeel van de rechtbank wel ontvankelijk. Eisers onder 2 hebben zicht op het plangebied van de ROL. Voor een aantal eisers in deze groep geldt dat hun percelen direct grenzen aan het plangebied. De andere eisers in deze groep wonen allen op een afstand van tussen de 50 meter en 100 meter van het plangebied. Daarbij komt dat het gelet op de relatief korte afstand en de aard en het vergunde gebruik, aannemelijk is dat eisers onder 2 ruimtelijke gevolgen zullen ondervinden van de verlening van de omgevingsvergunning. Aannemelijk is dat het aantal verkeersbewegingen te voet vanwege de realisering van de ROL aanzienlijk toeneemt en dat het daardoor drukker wordt op de voetpaden en trottoirs in de woonomgeving van eisers.
Was het college bevoegd om de gevraagde vergunning te verlenen?
6. Eisers onder 2 betogen dat de verleende omgevingsvergunning afwijkt van de vvgb en dat de vergunning daarom is verleend in strijd met artikel 2.27 van de Wabo. Het college heeft in een raadsbrief van 7 mei 2024 aangegeven dat de ROL tijdelijk is. Volgens eisers heeft het college daarmee de raad voorgespiegeld dat de beoogde planologische afwijking tijdelijk is, voor de duur van maximaal 15 jaar. De verleende vergunning ziet echter niet op een tijdelijke opvanglocatie.
De rechtbank begrijpt hieruit dat eisers zich op het standpunt stellen dat het college niet bevoegd was de gevraagde vergunning te verlenen omdat gelet op artikel 2.27, eerste lid van de Wabo in combinatie met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) er geen toereikende vvgb was verleend.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning niet in strijd met de vvgb is verleend. In de brief aan de raad waar eisers naar verwijzen, staat ook dat er permanente woningen worden gebouwd die na afloop van de ROL omgevormd kunnen worden tot reguliere woningen. Verder wijst het college erop dat in paragraaf 2.2 van de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht dat door op deze manier te bouwen, een hogere beeld- en woonkwaliteit kan worden gerealiseerd in vergelijking met tijdelijke huisvesting. Over de duur dat op het terrein een ROL zal zijn gevestigd moet nog een nadere overeenkomst worden gesloten met het COA. In het raadsvoorstel van 16 juli 2024 is daarom ook niet gevraagd om het verlenen van een vvgb voor een tijdelijke omgevingsvergunning.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het raadsvoorstel en de vvgb dat deze is afgegeven voor een ROL met 45 woningen, zonder dat daaraan een termijn is verbonden. Het college was daarom bevoegd om de gevraagde vergunning te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
Procedurele gebreken
7. Eisers onder 2 betogen dat het college in strijd met het bepaalde in artikel 3:44, eerste lid, van de Awb heeft nagelaten aan eisers mededeling te doen van het bestreden besluit. Ook ontbreken bij de ter inzage gelegde stukken via de website ‘Regels op de kaart’ de vvgb en de zienswijzenota.
7.1.
Niet in geschil is dat het college in strijd met artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb heeft verzuimd aan eisers kennis te geven van het besluit tot vergunningverlening door het besluit aan hen toe te zenden. Evenmin is in geschil dat het college in strijd met artikel 3.11, eerste lid, van de Awb heeft nagelaten de vvgb en de zienswijzennota (ook) digitaal ter inzage te leggen.
7.2
Het college stelt dat belanghebbenden door de procedurele gebreken niet in hun belangen zijn geschaad. De omwonenden zijn middels een nieuwsbrief op de hoogte gesteld van het besluit tot vergunningverlening. Verder benadrukt het college dat bij de bekendmaking van het besluit alle stukken fysiek ter inzage zijn gelegd. Ook zijn de ontbrekende stukken alsnog per mail aan eisers verzonden.
7.3.
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat eisers onder 2 door de gebreken niet zijn benadeeld. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de procedurele gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
Welke regels gelden er bij afwijken van het bestemmingsplan?
8. Niet in geschil is dat het realiseren de ROL met 45 woningen voor het COA op de percelen in Leeuwarden in strijd is met het bestemmingsplan “Leeuwarden - Buitengebied” dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.
8.1.
Het college heeft voor de verlening van de omgevingsvergunning toepassing gegeven aan artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, in samenhang met de artikelen 2.10 en 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de Wabo.
8.2.
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en hij moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [7]
Is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd?
9. Eisers onder 2 voeren aan dat op zienswijzen van eisers over richtafstanden voor geluid, geur en fijnstof geen afdoende reactie is gegeven. Volgens deze eisers ontbreekt een onderbouwde berekening van het langtijdgemiddelde- en maximale geluidniveau. Ook wordt volgens hen ten onrechte aansluiting gezocht bij de normen in het Activiteitenbesluit en blijkt bovendien uit metingen ter plaatse dat die normen aanzienlijk worden overschreden. Ook betogen zij dat het plan niet uitvoerbaar is omdat de woningen niet in gebruik kunnen worden genomen vanwege onaanvaardbare geluidoverlast en stof- en geurhinder.
9.1.
Volgens het college stuit deze grond af op het relativiteitsvereiste. Eisers doen beroep op een norm die niet strekt tot de bescherming van hun eigen belangen, maar tot bescherming van de belangen van toekomstige ROL-bewoners dan wel het belang van de vliegbasis om niet belemmerd te worden door de aanwezigheid van de ROL.
9.2.
De rechtbank is met het college van oordeel dat deze grond afstuit op het relativiteitsvereiste. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een rechtsregel of een rechtsbeginsel, als deze regel of dit beginsel kennelijk niet bedoeld is voor de bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De regels ten aanzien van geluid, geur en fijnstof waar eisers zich op beroepen kunnen alleen een rol spelen als eisers zich daarop zouden beroepen ter bescherming van hun eigen woon- en leefklimaat. Dat is niet het geval
9.3
Het maakt daarbij geen verschil dat eisers zich niet alleen rechtstreeks beroepen op de normen voor geluid, geur en fijnstof maar daarnaast aanvoeren dat niet adequaat is gereageerd op zienswijzen en dat het plan niet uitvoerbaar is. Wanneer de schending van ingeroepen materiële normen niet tot vernietiging van een besluit kan leiden, geldt dat ook voor een door appellant gestelde schending van procedurele normen of formele beginselen van behoorlijk bestuur. Dat volgt uit rechtspraak van de Afdeling. [8]
9.4
Omdat deze grond niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden, ziet de rechtbank af van een inhoudelijke bespreking daarvan. [9]
Is het plan financieel uitvoerbaar?
10. Eisers onder 2 betogen dat het bouwplan economisch niet uitvoerbaar is. In de aanloop naar het bestreden besluit is door vergunninghoudster telkens gesteld dat dit plan alleen financieel haalbaar is, als naast de 45 woningen voor de ROL ook 27 andere woningen voor andere doelgroepen kunnen worden gebouwd.
10.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in een aanvraag om omgevingsvergunning beschouwd dient te worden of een plan economisch uitvoerbaar is voor de gemeente (publieksgeld). In een anterieure overeenkomst is vastgelegd dat de kosten voor de uitvoering van het project worden gedragen door de aanvrager. Het plan is daarmee economisch uitvoerbaar.
13.2.
De rechtbank overweegt dat een betoog dat een project niet uitvoerbaar is, omdat het financieel-economisch niet haalbaar, alleen een reden is om een besluit te vernietigen als het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd. [10] Anders dan het college stelt is daarbij niet van belang in hoeverre sprake is van publieke financiering. In wat eisers onder 2 hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan financieel niet uitvoerbaar is.
Zijn de woningen ruimtelijk goed ingepast?
11. Eisers onder 2 wijzen erop dat de bebouwing van de ROL achter het bebouwingslint van de Troelstraweg wordt gesitueerd en dat de gemeente bouwaanvragen in deze zogenaamde tweede bebouwingslijn eerder heeft geweigerd. Volgens eisers is onvoldoende gemotiveerd waarom bebouwing in deze tweede bebouwingslijn nu wel stedenbouwkundig aanvaardbaar zou zijn. Verder wordt met deze omgevingsvergunning volgens eisers in strijd met de gemeentelijke beleidskaders buiten bestaand bebouwd gebied bebouwing toegevoegd. Ook is volgens eisers sprake van strijd met de gemeentelijke woonvisie omdat er geen voorzieningen aanwezig zijn in de nabijheid van de opvang, dan wel deze niet binnen een kwartier bereikbaar zijn.
11.1.
Het college verwijst in reactie op deze grond naar de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag. In paragraaf 2.3 van de ruimtelijke onderbouwing is volgens haar gemotiveerd waarom het plan ruimtelijk goed is ingepast. Verder is volgens het college in overeenstemming met de gemeentelijke beleidskaders wel sprake van bestaand stedelijk gebied. Het perceel is al grotendeels bebouwd en op de onbebouwde delen is bouw van kassen mogelijk.
11.2.
Deze grond slaagt niet. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.
11.2.1.
Het woonbeleid dat gold ten tijde van het bestreden besluit is het “Afwegingskader woningbouw Gemeente Leeuwarden” uit 2016.
11.2.1.
In de ruimtelijke onderbouwing staat beschreven dat het bouwen in de tweede lijn door het meer informele en verscholen karakter in een rustige setting met zicht op de groene omgeving de woningen geschikt maakt als opvanglocatie. Vanuit het bestaande lint (aan de Troelstraweg) in zuidelijke en westelijke richting wordt ingezet op een overgang van onbebouwd naar open gebied volgens het principe van onbebouwd, licht bebouwd, dichter bebouwd die de bestaande situatie nu ook kent. Verder wordt er in de ruimtelijke onderbouwing op gewezen dat de laanbeplanting naast de Kampweg een ‘structuurdrager’ is. De bestaande lanen worden aangevuld met nieuw groen om een beschutte en gezonde omgeving te creëren die een voortzetting vormt van de inrichting van het aansluitende deel van de vliegbasis. [11]
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarmee voldoende gemotiveerd dat bij het bouwen in de tweede lijn sprake is van goede ruimtelijke ordening. Dat, zoals eisers stellen, eerder aanvragen voor bouwen in de tweede lijn zouden zijn afgewezen is onvoldoende onderbouwd, laat staan dat de rechtbank kan beoordelen in hoeverre het daarbij ging om vergelijkbare ontwikkelingen en op welke wijze die in de aanvraag ruimtelijk werden onderbouwd.
11.2.2.
Met het college is de rechtbank van oordeel dat bij de ruimtelijke ontwikkeling sprake is van herstructurering van bouwgronden binnen bestaand stedelijk gebied. In zoverre past de ontwikkeling in het gemeentelijk woonbeleid.
11.2.3.
In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de woningen nabij bestaande voorzieningen liggen omdat binnen de bebouwde kom wordt gebouwd. De rechtbank acht deze motivering voldoende, temeer omdat het woonbeleid alleen stelt dat woningen nabij voorzieningen moeten worden gebouwd. Anders dan eisers stellen staat in het woonbeleid geen concrete norm voor de reisduur tot de voorzieningen.

Conclusie en gevolgen

12. Uit overweging 5.3. volgt dat de beroepen van eisers onder 1 en eisers onder 3 niet-ontvankelijk zijn.
12.1.
Uit overweging 7.3. volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:44, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb en met artikel 3.11, eerste lid van de Awb, maar dat de rechtbank aanleiding ziet om deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Verder volgt uit de overwegingen dat het beroep van eisers onder 2 ongegrond is.
12.1.
Gelet op overweging 7.3. ziet de rechtbank aanleiding om het college op grond van artikel 8:75 van de Awb in de proceskosten van eisers onder 2 te veroordelen. Onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kunnen deze kosten worden begroot op € 1.868,- (beroepschrift 1 punt en het verschijnen ter zitting 1 punt; waarde per punt € 934,-; gewicht van de zaken: gemiddeld) in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verder ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het college het door eisers onder 2 betaalde griffierecht van € 194,- aan hen dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen van eisers onder 1 en eisers onder 3 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eisers onder 2 ongegrond;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers
onder 2;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers onder 2 moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, voorzitter, mr. C.S. Schür en
mr. G. Knuttel, leden, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
De griffier De voorzitter
Afschrift verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:81
1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
(…).
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. (…),
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.
(…).
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. (…),
b. (…),
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12,
(…),
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Artikel 2.20a
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit waarvoor voor het verlenen van de omgevingsvergunning een verklaring vereist is als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, wordt de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd indien de verklaring is geweigerd.
Artikel 2.27
1. In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist,
2. (…),
3. De verklaring kan slechts worden gegeven of geweigerd in het belang dat in de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur is aangegeven,
4. Het bestuursorgaan dat de verklaring geeft, bepaalt daarbij dat aan de omgevingsvergunning de daarbij aangegeven voorschriften die nodig zijn met het oog op het belang, bedoeld in het derde lid, worden verbonden,
5. (…).
Besluit omgevingsrecht
Artikel 6.5 Afwijken bestemmingsplan of beheersverordening
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.
2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
3. De gemeenteraad kan categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
4. (…).

Voetnoten

1.Het beroep van eisers 1 is geregistreerd onder procedurenummer LEE 25/774, het beroep van eisers 2 onder procedurenummer 25/919 en het beroep van eisers 3 onder procedurenummer 25/1042.
2.De verzoeken om voorlopige voorziening van eisers onder 1 en eisers onder 2 zijn geregistreerd onder de procedurenummers LEE 25/2002 en 25/2038.
3.Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3012.
5.Uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737.
6.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:718.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4264.
8.Zie de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, en specifiek voor uitvoerbaarheid rechtsoverweging 10.31.
9.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:900.
10.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:340.
11.Zie pagina 9 en 10 van de ruimtelijke onderbouwing