Eiser werd door de politie aangehouden op verdenking van drugshandel waarbij contant geld werd aangetroffen in zijn auto en woning. Het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden trok daarop zijn bijstandsuitkering over twee periodes in en vorderde deze terug. Eiser betwistte dit en stelde dat het college onvoldoende bewijs had geleverd dat het geld van hem was en afkomstig uit drugshandel.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht aannam dat het contante geld in het bezit van eiser was, maar niet aannemelijk had gemaakt dat dit geld al op 1 januari 2024 tot zijn vermogen behoorde. Het vermoeden van drugshandel was onvoldoende om de bewijslast te dragen. Ook over de periode juli 2024 was het college niet geslaagd in het aannemelijk maken dat het bedrag van € 3.000 als inkomen moest worden aangemerkt en dat eiser geen recht op bijstand had.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept de primaire besluiten tot intrekking en terugvordering, met uitzondering van de dagen 9 en 10 juli 2024 waarvoor het college een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.