Appellanten ontvingen vanaf 2010 bijstand, die het college introk en terugvorderde over ruim zeven jaar wegens het niet melden van een stuk grond in het buitenland en contant geld dat bij een doorzoeking werd aangetroffen.
De Raad oordeelt dat het stuk grond in de te beoordelen periode een waarde had van circa €7.200, wat onder het vrij te laten vermogen viel, en dat het contante geld pas op de dag van de doorzoeking tot het vermogen behoorde. Hierdoor kan de intrekking en terugvordering slechts over die ene dag plaatsvinden. De boete wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt omgezet in een waarschuwing.
Verder wordt de aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag afgewezen omdat het vermogen in de referteperiode het vrij te laten vermogen overschreed. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellanten.