De rechtbank Noord-Nederland heeft op 27 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor meervoudige afpersing, afdreiging en medeplegen van witwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €22.174,40.
Tijdens de terechtzitting van 13 maart 2026 werden de standpunten van de officier van justitie en de verdediging besproken. De verdediging betwistte de toerekening van 80% van het bedrag op de bankrekening van een medeverdachte aan veroordeelde. De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse proces-verbalen van verhoren en bevindingen.
De rechtbank stelde vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit Tikkie-betalingen die slachtoffers onder dwang hebben gedaan, met een totaalbedrag van €25.618, waarvan 80% aan veroordeelde toerekenbaar is. Daarnaast werden bedragen op bankrekeningen van medeverdachten toegerekend. Na aftrek van toegekende materiële schade aan benadeelden (€1.616,00) werd de betalingsverplichting vastgesteld op €20.558,40.
De rechtbank constateerde een overschrijding van de redelijke termijn, maar vond dat dit reeds was gecompenseerd in de strafzaak. De betalingsverplichting aan de staat werd opgelegd, evenals de maximale duur van gijzeling van 411 dagen.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer, waarbij mr. Van der Werff als voorzitter en mr. Venema en mr. Van Sloten als rechters betrokken waren.