ECLI:NL:RBOBR:2013:CA0906
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsurenverlies ondanks looncompensatie
Eiser, werkzaam als leerkrachtondersteuner, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval en kon zijn functie niet meer volledig uitoefenen. Na een wachttijd van 104 weken werd een compensatieregeling uit de CAO Primair Onderwijs van toepassing, waarbij de werkgever een deel van het loonverschil compenseerde. Eiser vroeg meerdere malen een WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd omdat het feitelijke arbeidsurenverlies minder dan vijf uur per week bedroeg.
De rechtbank oordeelt dat de looncompensatie uit de CAO niet gelijkstaat aan een recht op onverminderde loondoorbetaling zoals bedoeld in de WW. Het begrip arbeidsurenverlies moet feitelijk worden beoordeeld aan de hand van daadwerkelijk gewerkte uren in de referteperiode. Uit de polisadministratie bleek dat eiser gemiddeld meer dan 26 uur per week werkte, wat onvoldoende is voor een WW-uitkering.
Verder stelde eiser dat hij door de coulance van zijn werkgever na september 2011 nog vrijwel volledig werd doorbetaald, waardoor er geen sprake was van loonverlies per 1 januari 2012. De rechtbank volgt dit standpunt en concludeert dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsurenverlies wordt ongegrond verklaard.