Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 april 2014 in de zaak tussen
Vereniging Leefmilieu, te Nijmegen, eiseres,
gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerder
[vergunninghoudster],te Sterksel (hierna: vergunninghoudster), gemachtigde mr. C.G.J.M. Termaat, alsmede
het dagelijks bestuur van Waterschap De Dommel, te Boxtel, gemachtigde: ing. I. Kolker.
Procesverloop
Overwegingen
Naar aanleiding van de inlichtingencomparitie heeft verweerder dit nader onderbouwd met een verwijzing naar categorie 5.3b van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (hierna: de IED-richtlijn). Categorie 5.3b van de IED-richtlijn betreft nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen: i) biologische behandeling; ii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding; iii) behandeling van slakken en as;
iv) behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan. Indien de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de maximale capaciteit voor deze activiteit 100 ton per dag. Aangezien het hier gaat om een nieuwe categorie kan anaërobe vergisting volgens verweerder niet onder categorie 5.3 van bijlage 1 van de IPPC-richtlijn hebben gevallen. Vergunninghoudster heeft zich hierbij aangesloten.
3 jaren nog niet verstreken. Onder de Wabo kan een omgevingsvergunning niet van rechtswege vervallen. De beroepsgrond faalt.
Ingevolge artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo beziet het bevoegd gezag regelmatig of de voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu zijn verbonden, nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.
Ingevolge artikel 2.31, tweede lid, van de Wabo wijzigt het bevoegd gezag de voorschriften van de omgevingsvergunning, als door toepassing van artikel 2.30, eerste lid, blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.