Eiser was afdelingshoofd bij de gemeente Eindhoven en werd geschorst en ontslagen wegens het meenemen van documenten uit het gemeentehuis. Verweerder stelde dat deze documenten eigendom van de gemeente waren en dat het meenemen ernstig plichtsverzuim vormde. De rechtbank stelde vast dat een deel van de documenten het persoonlijk archief van eiser betrof, waarvan een groot deel teruggegeven was.
De rechtbank vond dat verweerder onvoldoende feiten had aangevoerd om het verwijt van ongeoorloofd ten eigen bate meenemen te staven. Sommige stukken waren algemeen van aard en niet privacygevoelig. Hoewel eiser stukken met persoonsgegevens thuis had, achtte de rechtbank zijn intentie integere en vergelijkbaar met thuiswerkende ambtenaren die ook privacygevoelige gegevens meenemen.
Wel oordeelde de rechtbank dat eiser transparanter had moeten handelen en zijn intenties duidelijker aan verweerder had moeten melden. Dit plichtsverzuim was echter van veel geringere ernst en rechtvaardigde niet het opgelegde ontslag. Het beroep werd gegrond verklaard, het ontslagbesluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen dat past bij de ernst van het plichtsverzuim. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.