Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2014 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Ten slotte merkt eiseres op, dat zij meerdere bedrijven heeft en voor alle bedrijven meldingen op basis van de Wvp zijn gedaan. Mogelijk zal zij de dieren van een ander bedrijf verplaatsten naar het perceel [adres]. Dit kan ook na 15 januari 2013.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, dient degene die per 15 januari 2013 een pelsdier ingevolge een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wm mag houden en beschikt over huisvestingsplaatsen een melding te doen aan de minister van Economische Zaken.
Op basis van artikel 4 van Pro de Wvp is het verbod in artikel 2 van Pro de Wvp tot 1 januari 2024 niet van toepassing op de in artikel 3 Wvp Pro genoemde persoon, indien hij aan de meldingsplicht heeft voldaan, hij de nertsen houdt in een huisvestingsplaats als bedoeld in de Wvp, hij niet meer nertsen houdt dan het aantal waarvoor hij een milieuvergunning heeft en hij niet meer nertsen houdt dan het aantal huisvestingsplaatsen dat ten behoeve van het houden van dit soort nertsen op het tijdstip van de melding in de nertsenhouderij beschikbaar was. Bovendien moet hij de nertsen houden op dezelfde plaats als waar ze werden gehouden op het tijdstip van de melding, dan wel op een andere plaats, mits op de oude plaats geen sprake meer is van een nertsenhouderij en van de verplaatsing melding is gedaan aan de minister.
Niet in geschil is dat de afstand juist is bepaald en dat er geen geurgevoelige objecten binnen deze afstand zijn gelegen.
De rechtbank verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank van 12 juli 2013, ECLI:RBOBR:2013:2855, in welke uitspraak onder meer het volgende is overwogen:
"De rechtbank stelt voorop dat voor diverse milieuonderdelen die van invloed kunnen zijn op de volksgezondheid wettelijke en beleidsmatige toetsingskaders zijn gevormd, veelal op basis van heersende wetenschappelijke inzichten. Het ligt op de weg van degene die zich op het bestaan van een risico voor de volksgezondheid beroept om, aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten, aannemelijk te maken dat deze toetsingskaders niet toereikend zijn om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen".
In aanmerking nemende dat de Wgv voor het aspect geurhinder het exclusieve toetsingskader biedt, dient verweerder, indien hij van mening is dat het toetsingskader inzake geurhinder niet toereikend is om onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid te voorkomen, dit aan de hand van algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk te maken.
Voor pelsdieren gelden minimumafstanden die wel zijn gekoppeld aan de omvang van het veebestand. In verband met de aanzienlijke geuremissie door pelsdieren, kan niet worden volstaan met een minimumafstand van vijftig dan wel van honderd meter. In deze regeling is in essentie de tabel opgenomen die sinds de Brochure veehouderij en hinderwet uit 1985 wordt gehanteerd. Omdat uit een representatieve steekproef binnen acht gemeenten blijkt dat de meeste geurgevoelige objecten in het verleden moesten worden ingedeeld in ‘categorie I’ of ‘categorie III’, zijn de afstanden overgenomen die behoren bij beide categorieën.”
Uit bovenstaande passages leidt de rechtbank af, dat de op dit moment beschikbare onderzoeksresultaten leiden tot het aanhouden van bepaalde afstanden tussen bedrijven waar pelsdieren worden gehouden en geurgevoelige objecten.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;