ECLI:NL:RBOBR:2014:4645

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
31 juli 2014
Publicatiedatum
29 juli 2014
Zaaknummer
AWB-13_4938
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:24 AwbArt. 2:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens onvoldoende specifieke procesmachtiging

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser via een gemachtigde beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing door de Minister van Veiligheid en Justitie. De gemachtigde overhandigde een standaardprocesmachtiging die echter te ruim en algemeen was geformuleerd, waardoor niet duidelijk was dat hij eiser in deze specifieke zaak vertegenwoordigde.

De rechtbank heeft de gemachtigde verzocht een meer specifieke volmacht te overleggen binnen een gestelde termijn, maar deze is niet ontvangen. De gemachtigde voerde aan dat er geen vormvereisten zijn en dat de rechtbank niet in de bevoegdheid van de volmacht mag treden, maar de rechtbank liet dit in het midden.

Gezien het grote aantal zaken dat de gemachtigde heeft ingediend en de onduidelijkheid over de vertegenwoordiging, oordeelde de rechtbank dat een specifieke volmacht noodzakelijk is. Omdat deze niet werd aangeleverd, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een voldoende specifieke procesmachtiging.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
Zaaknummer: SHE 13/4938

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2014 in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,
en
de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Op 26 juli 2013 heeft [persoon A] namens [eiser] bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) bezwaar gemaakt tegen een beslissing van de CVOM van 18 juni 2013.
Op 12 september 2013 heeft [persoon A] verweerder, in verband met het uitblijven van een beslissing op bezwaar, in gebreke gesteld.
Op 18 oktober 2013 heeft [persoon A], beweerdelijk namens [eiser], bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing. Daarbij heeft hij verzocht verweerder een dwangsom op te leggen en de hoogte van de verbeurde dwangsom vast te stellen.
Van de zijde van verweerder is geen verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1.
Ingevolge artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2.
Uit de memorie van toelichting (
Kamerstukken II1988/89, 21221, 3, p. 49 (MvT) bij het met artikel 8:24 van Pro de Awb corresponderende artikel 2:1 van Pro de Awb volgt dat uit een machtiging voldoende duidelijk moet zijn tot hoever de bevoegdheid van de gemachtigde zich uitstrekt.
3.
[persoon A] heeft een op 23 april 2013 door eiser ondertekende machtiging ingezonden. De tekst van de volmacht luidt als volgt:
“Hierbij machtig ik, [eiser] (…), [persoon A], [opdrachtnemer] en door deze gemachtigde medewerkers, gevestigd te Zoeterwoude (hierna: Opdrachtnemer), om zich te laten vertegenwoordigen in procedures tegen boetes, parkeerbelasting, gemeentelijke belastingen en woz-aanslagen. Ondergetekende machtigt Opdrachtnemer om alle handelingen te ondernemen die Opdrachtnemer hiertoe nodig acht (Bijvoorbeeld: Het uitvoeren van informatieverzoeken in het kader van de Wob). De machtiging strekt tot het doen van alle nodige aanvragen, bezwaren en beroepen bij alle Nederlandse gerechtelijke instanties en bestuursorganen. Daarnaast machtigt ondergetekende Opdrachtnemer tot het aannemen van sommen ten behoeve van griffierechten, proceskostenvergoedingen bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, dwangsommen en andere sommen die redelijkerwijs op het pad van de procedure liggen. Ondergetekende doet aan gemachtigde een vergoeding toekomen welke gelijk is aan de toegewezen proceskostenvergoeding in de gevoerde procedure(s), welke door gemachtigde gefactureerd zal worden. Dit is slechts van toepassing indien de procedure gegrond is verklaard. Tot slot gaat ondergetekende akkoord met de voorwaarden van de Opdrachtnemer met betrekking tot de behandeling van de aangebrachte zaken”.
4.
De rechtbank is van oordeel dat de door [persoon A] overgelegde machtiging niet voldoende specifiek is omdat de door hem gebruikte standaard machtiging zodanig ruim is geformuleerd dat daaruit op geen enkele wijze blijkt dat hij eiser vertegenwoordigt in een/deze specifieke zaak.
5.
Artikel 6:6 aanhef Pro en onder a, van de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb of aan enig ander bij de wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van een beroep. De indiener van het beroepschrift moet dan wel gelegenheid hebben gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
6.
Bij brief van 7 april 2014 heeft de rechtbank [persoon A] verzocht een meer specifieke volmacht in te zenden. Daarbij is verzocht die volmacht uiterlijk drie weken na dagtekening van de brief aan de rechtbank te doen toekomen. Tevens is er op gewezen dat het niet inzenden mogelijk tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep kan leiden.
7.
Bij faxbericht van 24 april 2014 heeft [persoon A] aangegeven dat noch in de wetgeving, noch in jurisprudentie vormvereisten aan de machtiging worden gesteld en dat de rechtbank volgens hem niet in de reikwijdte van de vertegenwoordigingsbevoegdheid mag treden.
8.
De rechtbank laat in het midden wat daar van zij. Overwegende het grote aantal zaken dat [persoon A] in relatief korte tijd bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt, overwegende het feit dat niet duidelijk is of eisers zich wel bewust zijn van het feit dat er één of meerdere zaken namens hen zijn aangespannen, heeft de rechtbank besloten om een specifieke volmacht te vragen. In de door de gemachtigde aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 18 februari 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BH3232), ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Daaruit blijkt immers niet dat in die zaak onduidelijkheid bestond omtrent het antwoord op de vraag of de machtiging betrekking had op die specifieke zaak.
9.
Ook de verwijzing van [persoon A] naar artikel 3:62 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek en de uitspraak van de ABRS van 16 maart 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:5738) leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In die uitspraak is immers juist expliciet geoordeeld dat uit de in zeer algemene bewoordingen gestelde machtiging niet kon worden afgeleid dat betrokkene gerechtigd was om namens genoemde opdrachtgever hoger beroep in te stellen.
10.
De rechtbank heeft de aan [persoon A] gevraagde meer specifieke volmacht niet binnen de gestelde termijn ontvangen en niet is verzocht om een langere termijn voor het indienen van de gevraagde specifieke volmacht.
11.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
12.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. van der Bruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2014.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.