Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2014 in de zaak tussen
[persoon 1], te Helvoirt, vergunninghouder
(gemachtigde: mr. R.E. Wannink).
Procesverloop
Overwegingen
27 augustus 2011 begraven in een ander particulier dubbeldiep graf op dezelfde begraafplaats, circa vijf meter verwijderd van het graf waarin de vader is begraven.
februari 2012 een grafrecht aangeboden gekregen en heeft dit door ondertekening van de akte van grafrecht op 15 februari 2012 geaccepteerd, waardoor zij rechthebbende is geworden. Vergunninghouder heeft niet binnen de termijn van zes maanden, die is vermeld in artikel 14.1 van het beheersreglement van de begraafplaats, gereageerd, zodat eiseres de enige rechthebbende op het graf van de vader is. Eiseres is over deze kwestie een civiele procedure gestart tegen de parochie. Zolang over de vraag wie rechthebbende is door de civiele rechter geen onherroepelijke uitspraak is gedaan, kan verweerder niet ervan uitgaan dat vergunninghouder de enige rechthebbende is.
15 februari 2012 komt reeds niet de betekenis toe die eiseres daaraan gehecht wenst te zien, omdat eiseres bij brief van 4 juli 2012 is meegedeeld dat die akte berust op een misverstand en die akte bij akte van 1 augustus 2012 is gecorrigeerd. Dat eiseres tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep heeft ingesteld en aldus nog niet onherroepelijk is beslist wie rechthebbende is op het graf van de vader, betekent niet dat verweerder in de gegeven omstandigheden niet ervan mocht uitgaan dat vergunninghouder rechthebbende is op het graf van de vader, mede ook omdat verweerder bij de verlening van de vergunning dient uit te gaan van de feiten en omstandigheden op dat moment (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ4624).
25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012L:BW3830. r.o. 2.5). In dit licht heeft verweerder onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling (de uitspraak van 20 september 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA500) terecht uiteengezet dat uit het stelsel van de Wlb volgt dat een burgemeester slechts dan vergunning verleent indien er redenen bestaan die zwaarder wegen dan die welke voor de wetgever tot het algemene verbod tot opgraving hebben geleid. Hiertoe behoren het belang van de volksgezondheid en de eerbied voor de stoffelijke overblijfselen van gestorvenen en, in verband daarmee, voor grafrust. Voorts heeft verweerder onder verwijzing naar evenbedoelde jurisprudentie terecht uiteengezet dat de grafrust van een overledene in ieder geval gedurende een periode van tien jaar na de begrafenis gerespecteerd dient te worden, maar dat na ommekomst van deze periode betekenis kan toekomen aan zwaarwegende belangen die opwegen tegen het belang van het (verder) voortduren van de grafrust van de overledene.
Beslissing
mr. J.M.H. Rijken-Lie, leden, in aanwezigheid van mr. D.M. Manie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.