Daarnaast heeft verweerder op 10 maart 2009 een omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting en het in werking hebben van die inrichting na die verandering (hierna: de omgevingsvergunning milieu) verleend.
Op 11 oktober 2010 is uit een controle gebleken dat het buitenmetselwerk van het kantoor, de kantine en de rijtuigenstalling is gerealiseerd. Het binnenmetselwerk ter plaatse van de rijtuigenstelling is opgericht en er is gestart met de realisatie van de vloer, inclusief de goot, van de paardenboxen en met de oprichting van de steensmuur tussen de spantkolommen.
Op 8 november 2011 is er ter plaatse opnieuw een controle uitgevoerd. Geconstateerd is dat er geen noemenswaardige bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden ten opzichte van de controle van 11 oktober 2010.
Bij brief van 23 november 2011 heeft verweerder aan [bedrijf 3]laten weten dat hij het stilleggen van de bouwwerkzaamheden voor een bepaalde termijn accepteert. In verband hiermee heeft verweerder toegezegd tot 1 augustus 2013, of eerder als hierover met [bedrijf 3] of met haar rechtsopvolger overeenstemming zou worden bereikt, niet over te zullen gaan tot intrekking van de omgevingsvergunningen met de nummers B2 2006-006 en BV 2008‑3037 en de voor dezelfde locatie verleende omgevingsvergunning milieu. Hieraan heeft verweerder de voorwaarde verbonden dat [bedrijf 3] een reële tijdsplanning moet overleggen voor de werkzaamheden na afloop van deze termijn.
Op 30 januari 2012 is, ter uitvoering hiervan, een concept-afbouwplanning aan verweerder toegezonden.
Op 11 juli 2013 heeft [eiser 1] verweerder verzocht om medewerking te verlenen aan een nadere termijn voor afbouw van de paardenstal, door hem aangeduid als manege.
Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 2 augustus 2013 een controle laten uitvoeren ter beoordeling van de voortgang van de bouwwerkzaamheden aan de paardenstal. In het controlerapport is vermeld dat er na de controle van 8 november 2011 geen bouwactiviteiten hebben plaatsgevonden. Met betrekking tot de bestaande rundveestal is geconstateerd dat er geen bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden en er verder geen sprake is van het op enige wijze uitvoeren van een agrarische activiteit ter plaatse.
Op 7 augustus 2013 heeft verweerder een ontwerpbeschikking genomen, strekkende tot volledige intrekking van de voor de locatie afgegeven omgevingsvergunningen. Tegen deze intrekking zijn zienswijzen ingediend.
Op 30 september 2013 heeft verweerder geconstateerd dat er weer bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.
Op 26 november 2013 heeft verweerder medegedeeld dat hij de zienswijze heeft aangemerkt als een verzoek om opschorting van de termijn voor het geven van een beschikking tot intrekking, op grond van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens verweerder wordt hiermee de gelegenheid geboden om de vergunning te realiseren volgens de bij de zienswijze ingediende nieuwe afbouwplanning. Vermeld is dat, als uit tussentijdse controle blijkt dat niet overeenkomstig die planning wordt gebouwd, direct tot definitieve intrekking kan worden overgegaan.
Uit een controle op 30 januari 2014 is gebleken dat weliswaar bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, maar dat niet geheel aan de afbouwplanning is voldaan.
Op 4 april 2014 is opnieuw op de voortgang van de werkzaamheden gecontroleerd. Geconstateerd is dat het buitenmetselwerk geheel is afgerond. De afbouwplanning is echter niet nageleefd.
Op 18 juni 2014 heeft voor de laatste maal een controle plaatsgevonden. Geconstateerd is dat de status van het bouwwerk nog overeenkomt met de situatie zoals deze aanwezig was op 4 april 2014.
Op 2 juli 2014 heeft overleg tussen twee leden van verweerder, [eiser 1] en de adviseur van Copal plaatsgevonden.
Bij brief van 22 juli 2014 heeft verweerder [eiser 1] bericht dat, als voor 30 september 2014 een getekende koopovereenkomst wordt overgelegd, van intrekking zal worden afgezien.
Op 14 oktober heeft verweerder de aan het begin van dit feitenoverzicht genoemde omgevingsvergunningen ingetrokken.