Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juni 2015 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxmeer, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
23 februari 2014 voor 5 uren per week. De indicatie betrof licht en zwaar huishoudelijk werk, de was en de dagelijkse organisatie van het huishouden. De indicatie liep tot
22 februari 2014.
Hoewel Tzorg niet krachtens publiekrecht met enig openbaar gezag is bekleed en ook op grond van de zogenaamde publieketaakjurisprudentie niet is te beschouwen als een privaatrechtelijke rechtspersoon waaraan geen publiekrechtelijke bevoegdheden zijn toegekend maar die toch moet worden aangemerkt als een bestuursorgaan (vgl. de conclusie van A.G. Widdershoven van 23 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2260), is de rechtbank van oordeel dat het met het oog op een effectieve rechtsbescherming noodzakelijk is het ondersteuningsplan te beschouwen als deel uitmakend van het primaire besluit van 13 februari 2014. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder de inhoud van het ondersteuningsplan ter zitting expliciet voor zijn rekening heeft genomen en in zijn algemeenheid heeft toegelicht dat verweerder ten aanzien van de concrete invulling van de beschikkingen volledig vertrouwt op wat Tzorg noodzakelijk acht. Het bestreden besluit, waarin concrete publiekrechtelijke rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen, is daarmee dus pas (volledig) genomen op 8 juli 2014. Een en ander betekent naar het oordeel van de rechtbank wel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, maar van een tijdig ingediend bezwaarschrift. Het bezwaarschrift heeft verweerder derhalve terecht ontvankelijk geacht, zij het op een andere grond.
1 januari 2015, treft het college van burgemeester en wethouders ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen een huishouden te voeren.
Op grond van het tweede lid houdt het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit oogpunt van de kosten zelf in de maatregelen te voorzien.