Conclusie
zie noot 1) Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen:
zie noot 2) Na eerst te hebben vastgesteld dat verweerder een rechtspersoon is die krachtens privaatrecht is ingesteld en dus niet kwalificeert als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a van de Awb, overweegt de rechtbank als volgt:
zie noot 3) Laatstgenoemde uitspraken illustreren de problematiek waarbij een privaatrechtelijke rechtspersoon met toepassing van de publieketaakjurisprudentie bij een bepaalde beslissing als b-orgaan wordt aangemerkt, en vervolgens ter uitvoering van die beslissing - die in de vorm van een overeenkomst is gegoten - nadere beslissingen neemt."
zie noot 4) Dat betekent dat niet alleen de jurisprudentie van Afdeling, maar - voor zover relevant -ook die van de CRvB en het CBB in de conclusie zal worden betrokken.
zie noot 5) Onder punt 4 ga ik in op de vragen die de voorzitter van de Afdeling mij heeft gesteld en kom ik tot een aantal algemene conclusies over de toekomst van de publieketaakjurisprudentie. Onder punt 5 worden deze algemene conclusies toegepast op de situaties in beide zaken.
zie noot 6) zowel voor wat betreft de rechtsbescherming als voor de publiekrechtelijke normering. Alleen bestuursorganen kunnen besluiten nemen in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb, waartegen een belanghebbende ingevolge artikel 8:1 Awb Pro beroep kan instellen bij de bestuursrechter (en daaraan voorafgaand bezwaar kan maken, vgl. art. 7:1 Awb Pro). Bovendien is de gebondenheid aan de publiekrechtelijke normen van de Awb afhankelijk van het kwalificeren als bestuursorgaan in de zin van de Awb. Daarbij gaat het vooral om de algemene en bijzondere bepalingen van hoofdstuk 3 en 4. Bovendien is - zoals hierna nog wordt onderbouwd in punt 3.4 - ook de gelding van het ongeschreven publiekrecht afhankelijk van het kwalificeren als bestuursorgaan.
zie noot 7) In de eerste plaats is de werkingssfeer van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) aan het begrip gekoppeld (art. 1a, eerste lid, WOB). Daarbij geldt wel dat bestuursorganen bij AMvB van de werking van de WOB kunnen worden uitgezonderd (art. 1a, eerste lid, onder d, WOB) en dat de WOB ook van toepassing is op ‘een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf’ (art. 3, eerste lid, WOB). Om vast te stellen of aan dit laatste criterium is voldaan, is - volgens de meest recente rechtspraak van de Afdeling - bepalend of de betreffende entiteit zich "bij de uitvoering van haar werkzaamheden waarop de gevraagde informatie ziet moet richten naar opdrachten en aanwijzingen" van het bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid zij werkzaam zou zijn. (
zie noot 8) In deze conclusie ga ik op deze rechtspraak niet verder in, omdat de vraag van de voorzitter daarop geen betrekking heeft en de zaken in het kader waarvan de vraag is gesteld daartoe ook geen aanleiding geven. Wel zij opgemerkt, dat deze rechtspraak tot gevolg kan hebben dat een privaatrechtelijke rechtspersoon die op grond van de publieketaakjurisprudentie niet kwalificeert als bestuursorgaan indirect - namelijk via de band van het bestuursorgaan onder wiens verantwoordelijkheid zij werkzaam is - toch kan vallen onder de WOB.
zie noot 9) Een bekend voorbeeld van een natuurlijke persoon die krachtens de wet openbaar gezag uitoefent is de krachtens artikel 83 Wegenverkeerswet Pro als APK-keurder erkende garagehouder, voor zover deze keuringsbewijzen afgeeft. (
zie noot 10) De ‘colleges’ die bij of krachtens de wet openbaar gezag uitoefenen betreffen, aangezien (de organen van) rechtspersonen krachtens publiekrecht ingesteld a-organen zijn, per definitie privaatrechtelijke rechtspersonen. Voorbeelden van dergelijke rechtspersonen uit de ook wat oudere jurisprudentie van de Afdeling zijn de Stichting Centraal Orgaan Ziekenhuistarieven (voor zover deze het in rekening brengen van een verhoogd of nieuw tarief door een ziekenhuis al dan niet goedkeurt), (
zie noot 11) de Raad van Beroep van de Stichting NAK (voor zover deze oordeelt over bepaalde besluiten op grond van de Zaaizaad- en Plantgoedwet), (
zie noot 12) de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheid (voor zover deze besluiten neemt betreffende de afgifte van rijvaardigheidsbewijzen), (
zie noot 13) de Mondriaan Stichting (voor zover deze beslist over subsidieverzoeken), (
zie noot 14) Railned BV (voor zover deze capaciteit op het spoor toewijst), (
zie noot 15) de Nederlandse Bank NV (voor zover beslissend over de omwisseling van guldens in Euro’s), (
zie noot 16) het bestuur van een school voor bekostigd bijzonder onderwijs (voor zover het getuigschriften afgeeft) (
zie noot 17) en de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (voor zover beslissend over de verstrekking van urgentieverklaringen). (
zie noot 18) In de rechtspraak van de andere bestuursrechtelijke appelrechters komt men deze categorie bestuursorganen minder frequent tegen. Een voorbeeld uit de rechtspraak van het CBB zijn de Klachtencommissie en de Beroepscommissie van de Stichting Informatiedienstencode (Stic), die bij het opleggen van sancties worden aangemerkt als b-orgaan. (
zie noot 19)
zie noot 20) is het meestal wel duidelijk of hiervan sprake is. De bevoegdheid om de rechtspositie van andere rechtssubjecten eenzijdig te wijzigen, moet immers bij of krachtens een specifiek wettelijk voorschrift zijn toegekend. Voor zover bij de hiervoor genoemde (rechts)personen sprake is van zogenoemde Eingriffsverwaltung, de eenzijdige beperking van rechten en vrijheden van burgers, vloeit deze eis ook voort uit het legaliteitsbeginsel. (
zie noot 21) Ook aan deze categorie bestuursorganen wordt in deze conclusie geen verdere aandacht besteed, omdat de vraag van de voorzitter van de Afdeling betrekking heeft op de publieketaakjurisprudentie, waarvoor essentieel is dat de privaatrechtelijke rechtspersoon in kwestie haar openbaar gezag niet ontleent aan een wettelijk voorschrift.
zie noot 22) Is dat de privaatrechtelijke rechtspersoon zelf of het bestuur (of een ander orgaan) van die rechtspersoon? Principieel-bestuursrechtelijk is dat het laatste, omdat een rechtspersoon publiekrechtelijke bevoegdheden uitoefent via zijn organen. (
zie noot 23) Dat blijkt voor publiekrechtelijke rechtspersonen uit artikel 1:1, eerste lid, onder a, Awb, waarin is bepaald dat organen van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld kwalificeren als bestuursorgaan. In het kader van artikel 1:1, eerste lid, onder b, Awb, is in de wetsgeschiedenis diverse malen uitdrukkelijk gesteld dat publiekrechtelijke bevoegdheden worden uitgeoefend door ‘organen van privaatrechtelijke rechtspersonen’. (
zie noot 24) Bovendien bepaalt artikel 4, tweede lid, Kaderwet zelfstandige bestuursorganen uitdrukkelijk dat ‘organen van een rechtspersoon, die krachtens privaatrecht is opgericht’ met openbaar gezag worden bekleed. Peters stelt echter dat deze bevoegdheden zouden moeten worden toegekend aan de privaatrechtelijke rechtspersoon zelf en niet aan een orgaan ervan, omdat anders spanning zou kunnen ontstaan met het organisatiepatroon van de rechtspersoon, zoals dat is neergelegd in Boek 2 BW. (
zie noot 25) Daarbij merkt hij wel op dat deze spanning bij stichtingen wel is te overzien, omdat in het organisatiepatroon daarvan doorgaans slechts sprake is van één orgaan.
zie noot 26) In lijn hiermee heeft de grote kamer tijdens de zitting geoordeeld dat de gewraakte beslissingen of besluiten in de aanhangige zaken zijn genomen door het bestuur van de Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schipholregio, respectievelijk de Stichting Platform31. Omdat dit bestuursrechtelijk correct is en van enige spanningen met het organisatiepatroon van de stichtingen geen sprake is, zie ik geen goede reden om hierover anders te oordelen.
zie noot 27)
zie noot 28)
zie noot 29)
zie noot 30) De civiele rechtsbescherming is voor de burger echter om twee redenen minder aantrekkelijk dan de bestuursrechtelijke.
zie noot 31) - door de ‘cultuur van de goede toegang’ en door een zekere ongelijkheidscompensatie. (
zie noot 32) De cultuur van de goede toegang blijkt onder meer uit de relatief lage eisen die aan het beroepschrift worden gesteld, de lage financiële drempels door het ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging en het relatief lage griffierecht, het vrijwel ontbreken van procesrisico en de relatief informele procedure. Wat betreft de ongelijkheidscompensatie kan eveneens worden gewezen op de lage eisen die aan het beroepschrift worden gesteld en het informele karakter van de procedure en daarnaast bijvoorbeeld op de verplichting van het bestuursorgaan om uit eigen beweging alle op de zaak betrekking hebbende stukken - dus ook de stukken die ten voordele van de burger strekken - te overleggen (art. 8:42 Awb Pro).
zie noot 33) waarin de Hoge Raad een duidelijke link legt tussen het kwalificeren als bestuursorgaan en de binding aan het geschreven en ongeschreven publiekrecht op grond van artikel 3:14 BW Pro. Uit de uitspraak blijkt dat het geschreven publiekrecht alleen geldt voor bestuursorganen en in die zaak dus niet voor het ziekenfonds RZG. Wat betreft de binding aan het ongeschreven publiekrecht, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, stelt de Hoge Raad dat de omstandigheden dat ziekenfondsen als specifiek doel hebben te voorzien in behoeften van algemeen belang en dat zij in hoofdzaak door de overheid worden gefinancierd, niet meebrengen dat de "inkoopactiviteiten van RZG, die niet door het geschreven publiekrecht worden beheerst, wel kunnen worden aangemerkt als handelingen waarvoor (publiekrechtelijke) algemene beginselen van behoorlijk bestuur gelden". Nu sluit de laatste overweging niet uit dat onder andere omstandigheden deze beginselen wel zouden kunnen gelden voor (bepaalde handelingen van) een niet-bestuursorgaan, (
zie noot 34) en is het los daarvan denkbaar dat de Hoge Raad deze beginselen indirect - door invulling van de open normen van het privaatrecht - laat doorwerken in de verhouding tussen een private organisatie met ‘publieke trekken’ (die niet kwalificeert als bestuursorgaan) en een burger. (
zie noot 35) In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn dergelijke stappen tot nu toe echter niet gezet. (
zie noot 36) Wil men bij de huidige stand van het recht garanderen dat de normen van geschreven en ongeschreven publiekrecht van toepassing zijn op het handelen van een privaatrechtelijke rechtspersoon, dan moet men deze kwalificeren als bestuursorgaan in de zin van de Awb.
zie noot 37) Het gaat daarbij veelal om handelingen ter uitvoering van meer of minder precies omschreven wettelijke taken van het orgaan, meestal ter zake van publiek domein. Soms bestaat er geen enkele nationale wettelijke taak en wordt de grondslag voor de taak gevonden in het volkenrecht.
zie noot 38) Met name was het de bedoeling van de wetgever dat de beschikkingsbevoegdheid van een administratief orgaan niet slechts kon berusten op een geschreven wettelijke grondslag, zoals dat het geval was onder de voorganger van de Wet Arob, de Wet Beroep administratieve beschikkingen (Wet Bab), waarin uitdrukkelijk was gesteld dat een appellabele beschikking van een administratief orgaan gegeven moest zijn ‘krachtens een in enig staats- of administratiefrechtelijk voorschrift vervatte bevoegdheid of verplichting’. Met de ‘vervanging’ van deze frase door het element openbaar gezag beoogde de wetgever een ruime uitleg van de samenhangende begrippen ‘administratief orgaan’ en ‘beschikking’, zodat de werkingssfeer van de Wet Arob en dus de rechtsbescherming ruim zou zijn.
zie noot 39) Dat deed zij ook in de verwante rechtspraak, waarin dit criterium werd toegepast om een privaatrechtelijke rechtspersoon te transformeren in een administratief orgaan (en het ‘privaatrechtelijk’ handelen van de rechtspersoon in een beschikking). Hierna vermeld ik enige uitspraken die illustratief zijn voor de laatstgenoemde rechtspraak. (
zie noot 40)
zie noot 41) Bij dit oordeel speelde vermoedelijk ook een rol dat de stichting bij ministeriële beschikking met de uitvoering van de Europese richtlijn, betreffende de subsidies in kwestie, was belast. (
zie noot 42)
zie noot 43) die volgens de Voorzitter van de ARRS op grond van de volgende overweging kwalificeerde als bestuursorgaan:
zie noot 44) waarin de Stichting Jazz en Geïmproviseerde Muziek in Nederland niet wordt aangemerkt als administratief orgaan, omdat "geen algemeen verbindend voorschrift is aan te wijzen waaraan verweerster direct, hetzij indirect de bevoegdheid ontleent om in het kader van een bestuurstaak bindende besluiten te nemen", (
zie noot 45) ook al ontving de stichting ter verwezenlijking van haar doelstellingen, "onder andere subsidie van de Minister van WVC" en verstrekte zij met het oog daarop stipendia en dergelijke. Bij dit oordeel is volgens de Afdeling van belang dat de stichting bij het nemen van beslissingen "vrij is en zich niet gebonden hoeft te weten aan door de Minister van WVC vastgestelde voorwaarden" en dat de stichting "zonder enige betrokkenheid van de Minister van WVC is opgericht door particulieren en dat haar bestuursleden niet door deze minister worden benoemd of ontslagen". Aldus is niet sprake van "een zodanige relatie tussen verweerster en de Minister van WVC, dat moet worden geoordeeld dat verweerster uitvoering geeft aan een taak die de overheid zich heeft aangetrokken en in dat kader bindende besluiten neemt".
zie noot 46) De mogelijkheid van buitenwettelijk openbaar gezag wordt echter uitdrukkelijk erkend. Naar het oordeel van de regering hoeft de bevoegdheid om besluiten te nemen namelijk niet altijd te berusten op een uitdrukkelijk de bevoegdheid daartoe verschaffend algemeen verbindend voorschrift, maar is het voor de kwalificatie als bestuursorgaan "voldoende dat de vervulling van een publieke taak indirect tot een grondwettelijke of wettelijke bevoegdheidstoedeling herleid kan worden". (
zie noot 47) Daarbij verwijst de regering naar de publieketaakrechtspraak van de ARRS en de wetsgeschiedenis van het beschikkingsbegrip van artikel 2 Wet Pro Arob. Aldus beoogt de Awb-wetgever op dit punt continuïteit met de (rechtspraak op grond van de) Wet Arob te bewerkstelligen.
zie noot 48) Tijdens de UCV heeft regeringscommissaris Scheltema echter duidelijk gemaakt dat deze stelling een te ruime strekking heeft en het niet de bedoeling van artikel 1:1 Awb Pro is "om de vraag of de overheid overwegende overheidsinvloed heeft op een privaatrechtelijke rechtspersoon, tot het criterium te maken voor de bepaling of die rechtspersoon een bestuursorgaan is". (
zie noot 49)
zie noot 50) In dat geval kwalificeert het bevoegd gezag in zoverre als bestuursorgaan en gelden in zoverre voor zijn handelen de normen van de Awb. Dit ambtenaarrechtelijk bestuursorgaanbegrip is alleen van belang voor de rechtspraak van de CRvB. In deze conclusie wordt hieraan geen verdere aandacht besteed. (
zie noot 51)
zie noot 52)
zie noot 53) Daarmee staat vast dat ‘overwegende overheidsinvloed’ geen zelfstandig beslissend criterium is voor de kwalificatie van een privaatrechtelijke rechtspersoon als bestuursorgaan. De wetsgeschiedenis sluit mijns inziens echter niet uit dat het criterium door de rechter als additionele factor wordt meegewogen om te bepalen of er sprake is van een voldoende inhoudelijke band tussen de overheid en een privaatrechtelijke persoon. Deze (mogelijke) additionele functie is tijdens de parlementaire behandeling niet uitdrukkelijk besproken.
zie noot 54) Zoals bekend merkt de Afdeling deze stichting aan als b-orgaan op grond van de hierna geciteerde argumenten.
zie noot 55) waarbij de indruk wordt gewekt dat zij cumulatief gelden. Wat betreft het eerste criterium, de publieke taak, valt op dat de Afdeling deze term op zich niet gebruikt. Wel lijkt de Afdeling met de verwijzing naar de ‘ereschuld’ van de rijksoverheid ten opzichte van de silicose-slachtoffers en de uitvoerige discussies in de Tweede Kamer over de problematiek en met de stelling dat de rijksoverheid voor de betrokkenen een financiële regeling heeft getroffen, aan te geven dat aan dit criterium is voldaan.
zie noot 56) Deze wordt door de Afdeling op grond van de volgende overwegingen als b-orgaan aangemerkt.
zie noot 57) In een uitspraak van 23 december 2009 reageert de Afdeling inhoudelijk op de kritiek. (
zie noot 58) In deze uitspraak merkt de Afdeling de Stichting WEW (nog steeds) aan als een b-orgaan, onder verwijzing naar haar uitspraak uit 1998 en met identieke argumenten. Daaraan voegt zij thans toe:
zie noot 59) Het gaat zijns inziens niet om middelen die de stichting "als stroman" in de zin van de publieketaakjurisprudentie beheert. De financiële risico’s van het Rijk, waarover de Afdeling spreekt, betreffen de statutaire verplichting van de Rijk om met de stichting een overeenkomst te sluiten waarbij het Rijk zich verplicht om onder bepaalde omstandigheden aan de stichting achtergestelde, renteloze leningen te verstrekken ten einde te allen tijde liquiditeitstekorten bij de stichting te voorkomen. Volgens Peters is dit een "zakelijk vangnetarrangement" en levert dat evenmin de benodigde financiële band op.
zie noot 60) en de beslissing van de stichting om de restschuld die het fonds als borg aan de geldgever heeft voldaan, aan de geldnemer niet kwijt te schelden. (
zie noot 61) Andere beslissingen van de stichting, waarbij het belang van de geldnemer is betrokken, zijn echter zodanig verweven met de privaatrechtelijke relatie tussen de stichting en de geldgever, dat de Afdeling deze niet heeft aangemerkt als een Awb-besluit.
zie noot 62) Volgens de Afdeling hangt de omvang van deze regresvordering ten nauwste samen met de rechtsverhouding tussen de stichting en de geldgever en inzake deze verhouding is statutair de civiele rechter bevoegd. Bovendien heeft het regresrecht geen publiekrechtelijke grondslag maar vloeit het voort uit artikel 7:866, eerste lid, BW. De beslissing tot vaststelling van de regresvordering is daarom geen Awb-besluit.
zie noot 63) In dat geval heeft de stichting geen vordering op de geldnemer en heeft deze geen belang bij het ingestelde beroep. De vraag of de geldnemer in strijd met de door de geldgever gestelde voorwaarden heeft gehandeld, kan aan de orde worden gesteld in een (civiele) procedure tussen geldgever en geldnemer.
zie noot 64)
zie noot 65) Daartoe overweegt zij onder meer.
zie noot 66)
zie noot 67) die door de Afdeling wel wordt aangemerkt als b-orgaan. Daartoe overwoog zij onder meer als volgt.
zie noot 68) Daartoe overweegt zij onder meer als volgt.
zie noot 69) In die uitspraak overweegt de Afdeling als volgt.
zie noot 70)
zie noot 71) - de vraag worden opgeworpen waarom het feit dat een bepaalde taak op enig moment - bij de Stichting WEW inmiddels bijna 20 jaar geleden - een overheidstaak was, een basis zou bieden om de privaatrechtelijke rechtspersoon die deze taak heeft overgenomen om die reden voor altijd als bestuursorgaan te kwalificeren.
zie noot 72) Bij deze stichtingen werd dit criterium in elk geval nooit zo gedetailleerd beoordeeld.
zie noot 73) Daarin overweegt de CRvB als volgt.
zie noot 74) waarin het college deze rechtspersoon op grond van de volgende overwegingen niet als b-orgaan aanmerkt.
zie noot 75) Het betreft in deze zaak de vraag of de Vereniging bij het stellen (en handhaven) van een deklimiet, openbaar gezag uitoefent en dus in zoverre kwalificeert als b-orgaan. In de uitspraak stelt het College eerst vast dat het stellen van deze limiet niet behoort tot de taken die verbonden zijn aan de erkenning door het Productschap van Vee en Vlees van de vereniging als instelling die het stamboek voor Friese paarden bijhoudt, en dat zij op die grond derhalve geen openbaar gezag uitoefent. Daarna overweegt het CBB als volgt.
zie noot 76)
zie noot 77) Wat betreft de ondoorzichtigheid wijst hij erop op dat de rechtspraak strijdig is met "consequente uitspraken in wetgeving en wetgevingsbeleid" op het terrein van overheidsorganisatierecht. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst hij onder meer naar artikel 4 Kaderwet Pro zelfstandige bestuursorganen, die - volgens hem - het toekennen van openbaar gezag aan privaatrechtelijke rechtspersonen anders dan bij of krachtens de wet zou verbieden. (
zie noot 78)
zie noot 79) zou de bestuursrechter er - als second best oplossing - voor moeten kiezen om de relatie tussen de minister en de rechtspersoon te karakteriseren als een vorm van mandaatverlening aan een niet-ondergeschikte als bedoeld in artikel 10:4 Awb Pro, zodat de besluiten van de privaatrechtelijke rechtspersoon worden toegerekend aan het achterliggende bestuursorgaan. (
zie noot 80) Daardoor kan de bestuursrechter rechtsbescherming verlenen, maar "wordt de gekozen constructie geconverteerd tot een rechtsfiguur waarvan de juridische status en gevolgen uitgekristalliseerd zijn in afdeling 10.1.1 Awb". Overigens meent Zijlstra dat mandaat aan ondergeschikten, zeker als het commerciële instellingen betreft, eigenlijk vermeden moet worden. De conversie in mandaat zou dan ook tijdelijk moeten zijn, de minister de tijd gevend om de zaak juridisch recht te trekken.
zie noot 81) Door deze arrangementen niet - zoals door Zijlstra bepleit - bij voorbaat onmogelijk te achten, beschikt het bestuurlijke organisatierecht volgens haar bovendien over "een bruikbare en flexibele organisatievorm, die naar gebleken is nuttige diensten kan bewijzen bij de uitvoering van tijdelijke voorzieningen, waarbij het aankomt op draagvlak, participatie van betrokkenen en deskundigheid". Ook leent deze vorm zich "voor samenwerkingsprojecten, zowel tussen overheden als in publiek-private verbanden".
zie noot 82) Bovendien wijst zij erop dat het op grond van deze jurisprudentie aanmerken van een privaatrechtelijke rechtspersoon als b-orgaan er vaak toe heeft geleid dat de overheid de uitvoering heeft ‘teruggehaald’, omdat de door de ‘privatisering’ van die uitvoering beoogde voordelen niet meer haalbaar waren en de nadelen ervan - het verlies van sturingscapaciteit - sterker werden gevoeld. Aldus is het door Zijlstra gewraakte "sauveren door de bestuursrechters van de privaatrechtelijke uitvoeringsregeling in het kader van de Silicose-jurisprudentie (…) mede een vorm van afstraffen". (
zie noot 83)
zie noot 84) Wel merkt zij daarbij op dat bij de afbakening van een algemene wet als de Awb door middel van de interpretatie van een dragend begrip als bestuursorgaan altijd grensconflicten zullen bestaan en dat met het oog op de instrumentele functie van de publieketaakjurisprudentie - het garanderen van de toepasselijkheid van de publiekrechtelijke rechtsbescherming in ruime zin - "een zeker mate van rechterlijk beleid" vanzelfsprekend is. (
zie noot 85) Verder is zij van mening dat het criterium van de overwegende overheidsinvloed - ondanks de wetsgeschiedenis van de Awb (zie punt 3.10) - terecht nog steeds een rol speelt in de publieketaakjurisprudentie. (
zie noot 86) Soms, zoals bij de Stichting Silicose, wordt dit criterium inhoudelijk ingevuld; in andere zaken, zoals de Stichting WEW, ziet men echter de formele invulling die door de Afdeling ook werd toegepast onder het regime van de Wet Arob (zie punt 3.8).
zie noot 87)
zie noot 88)
zie noot 89) Volgens hem zijn privaatrechtelijke rechtspersonen die betrokken zijn bij het openbaar bestuur ook in juridisch opzicht "in Nederland eenvoudigweg niet (…) weg te denken" en is dat ook niet vreemd "in een juridisch polderlandschap, waarin van oudsher tussen overheid en burger zich een sterk ontwikkeld maatschappelijk middenveld bevindt en men zich gaarne bedient van zelfregulering als sturingsinstrument." Peters is ook niet heel erg onder de indruk van de kritiek van Zijlstra. Hij erkent dat de publieketaakjurisprudentie op gespannen voet staat met het legaliteitsbeginsel, maar wijst er vervolgens op dat dit beginsel verschillende gradaties kent en voor presterend bestuur niet strikt geldt. Verder acht hij de ‘creatie’ van buitenwettelijke bestuursorganen op grond van de rechtspraak niet in strijd met de Kaderwet ZBO, omdat deze wet op deze bestuursorganen niet van toepassing is. Zij vallen immers buiten de definitie van artikel 1 van Pro de kaderwet, omdat het bevoegd gezag hun niet bij of krachtens wet is toegekend. (
zie noot 90)
zie noot 91) De ratio om daartoe over te gaan is dat een casus, waarbij overheidsgelden langs criteria van overheidswege door een privaatrechtelijke rechtspersoon worden verdeeld, moet worden behandeld als ware het de overheid zelve die de middelen rechtstreeks zou verdelen. Aldus bepalen - in de visie van Peters - de andere twee criteria, de inhoudelijke band en de financiële band, of er sprake is van een publieke taak. Ook Verheij is van mening dat "bepalen en betalen" door de overheid voldoende is om een privaatrechtelijke rechtspersoon aan te merken als een b-orgaan. (
zie noot 92)
zie noot 93) Zijn kritiek betreft onder meer het toepassen van deze jurisprudentie terwijl de taak slechts in overwegende mate door de overheid wordt gefinancierd (dat criterium is te diffuus en brengt ook privaat geld binnen het bereik van het bestuursrecht), het meetellen van uitvoeringskosten in het kader van de financiële band (bij de Stichting financiële hulpverlening vuurwerkramp; dat geld wordt niet doorgesluisd naar de burger), het aannemen van een inhoudelijke band terwijl de overheid ter zake van de verdelingscriteria geen formele bevoegdheden heeft (bij de Stichting Koppeling; alsdan bestaat er eigenlijk geen inhoudelijke band) en het toepassen van het criterium van de ‘overwegende overheidsinvloed’ in het kader van de inhoudelijke band (bij de Stichting WEW). Verheij acht het voor de kwalificatie als b-orgaan wel voldoende dat de taak van de privaatrechtelijke rechtspersoon in overwegende mate uit de algemene middelen wordt gefinancierd. (
zie noot 94) Over de andere versoepelingen heeft hij zich niet uitgelaten.
zie noot 95) Peters heeft meer twijfel en vraagt zich af "of het bedachte juridische stramien wel op de feiten van de casus past". (
zie noot 96) Volgens hem blijft de aanpak van de bestuursrechter dichter bij de werkelijkheid.
zie noot 97)
zie noot 98) Bovendien kan deze (gerelativeerde) legaliteitseis door de bestuursrechter alleen worden gehandhaafd als de subsidieverlenende instantie kwalificeert als bestuursorgaan in de zin van de Awb en daarvoor is bij de buitenwettelijke toekenning van ‘subsidies’ door een privaatrechtelijke rechtspersoon de publieketaakjurisprudentie noodzakelijk. (
zie noot 99)
zie noot 100)
zie noot 101)
zie noot 102)
zie noot 103)
zie noot 104) Mijn opvatting is gebaseerd op twee samenhangende redenen.
zie noot 105) Dat wil niet zeggen dat het begrip niet kan worden gedefinieerd. Zo geeft bijvoorbeeld Van der Hoeven de volgende definitie van publieke taak: "Alles wat door de rechtsorde in het algemeen belang te verrichten wordt opgedragen". (
zie noot 106) Maar welke taken daar precies onder vallen is niet duidelijk en zal in beginsel door de wetgever moeten worden bepaald. En, als die wetgever heeft bepaald dat een taak een publieke taak is, dan wil dat niet zeggen dat deze alleen door de overheid kan worden uitgevoerd, maar kunnen daarmee ook privaatrechtelijke rechtspersonen worden belast. Zo kan met kracht van argumenten worden betoogd dat een woningcorporatie is belast met een publieke taak, een bestuursorgaan is zij echter niet. (
zie noot 107) Dat laatste geldt ook voor een commerciële vuilnisophaler waaraan een gemeente de vuilnisophaal heeft uitbesteed, ook al is de inzameling van vuilnis een publieke taak. (
zie noot 108)
zie noot 109) In de publieketaakjurisprudentie zijn die factoren - volgens mij - de inhoudelijke en financiële band tussen de overheid en de rechtspersoon.
zie noot 110)
zie noot 111) In de eerste uitspraak (1999) ziet men een soepele Afdeling die het voor de kwalificatie van de stichting als b-orgaan voldoende acht dat er sprake is van een voormalige overheidstaak en een inhoudelijke band (en die de financiële band niet bespreekt). Bij de tweede (2009) is een strikte Afdeling aan het woord die op zoek lijkt naar een reden om de stichting niet aan te merken als b-orgaan en deze reden uiteindelijk vooral vindt in de omstandigheid dat deze stichting niet is belast met een voormalige overheidstaak. Dit terwijl bij deze stichting geen enkele twijfel bestond aan de financiële band. Zoals ik al heb aangegeven onder punt 3.18 overtuigt de motivering van de Afdeling niet, al was het maar omdat uit de omstandigheid dat de taak van de Stichting WEW een voormalige overheidstaak is, even goed had kunnen worden afgeleid dat deze taak dus geen publieke taak meer is.
zie noot 112) Deze eisen gelden cumulatief.
zie noot 113) De ratio van de rechtspraak is om te bewerkstelligen dat de publiekrechtelijke rechtsbescherming in ruime zin van toepassing is op het uitkeren van overheidsgelden door privaatrechtelijke rechtspersonen op basis van door de overheid gestelde criteria (punt 3.4). Vanuit deze ratio is een relatief soepele toepassing van de criteria voor de financiële en inhoudelijke band aangewezen, omdat privaatrechtelijke rechtspersonen dan snel kwalificeren als b-orgaan en dat is goed voor de rechtsbescherming van de burger.
zie noot 114) Doet zij dat, dan valt de uitkering van deze gelden buiten de publieke taak. Doet de rechtspersoon dat echter niet, dan vallen naar mijn opvatting de private middelen ook onder de publieke taak en kwalificeert zij ook bij de toekenning daarvan als b-orgaan. Een reden om de private middelen niet te oormerken of apart te administreren, is wat mij betreft ook dat de rechtspersoon wil voorkomen dat voor haar uitkeringen twee juridische regimes gelden, het Awb-regime voor de publieke gelden en het privaatrechtelijke regime voor de private gelden. Een dergelijke situatie kan voor de rechtspersoon onpraktisch zijn is bovendien nauwelijks uit te leggen aan een burger.
zie noot 115) Op grond van artikel 7:186, tweede lid, BW wordt als gift aangemerkt ‘iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt’. Anders dan de schenking (art. 7:175, eerste lid, BW) is een gift geen overeenkomst ‘om niet’. (
zie noot 116) Daarom kan aan de gift een tegenprestatie worden verbonden. In casu zouden dat de hiervoor genoemde verplichtingen kunnen zijn. Voor de kwalificatie als gift is wel noodzakelijk dat er sprake is van verarming en verrijking. Dat lijkt mij in casu het geval aangezien de overheid die de stichting financiert wordt ‘verarmd’ en de stichting wordt verrijkt.
zie noot 117) omdat overheidsgeld wordt ‘uitgekeerd’ als de doelgroep zijn verplichtingen niet kan nakomen (en de overheid in zoverre financieel risico draagt). Bij de Stichting WEW is de Afdeling daartoe ook overgegaan, bij de Stichting Waarborgfonds Kinderopvang niet. Of het onderbrengen van deze vormen onder die jurisprudentie verstandig is, betwijfel ik echter. In de eerste plaats is de financiële band bij deze waarborgfondsen - anders dan bij de andere vormen van verlening die onder de publieketaakjurisprudentie vallen - een voorwaardelijke, die zich pas verwerkelijkt als de doelgroep financiële problemen krijgt. Bovendien worden de middelen dan niet doorgesluisd naar de doelgroep zelf, maar naar de derde. In de tweede plaats toont de rechtspraak met betrekking de Stichting WEW (zie punt 3.14) aan dat de publieketaakjurisprudentie bij de beslissingen van die stichting maar gedeeltelijk haar doel bereikt. Diverse beslissingen waarbij het belang van de ‘doelgroep’ (geldnemer) in het geding is, worden vanwege de verwevenheid met de privaatrechtelijke relatie tussen de stichting en de derde (geldgever) door de Afdeling niet aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Dat leidt ertoe dat de stichting afhankelijk van de concrete beslissing onderworpen is aan het Awb- of privaatrechtelijke regime en dat de burger bij de bestuursrechter regelmatig met lege handen staat. Echt bevredigend is deze situatie niet. Gelet hierop vraag ik mij af of het niet verstandig zou zijn om de onderhavige garantstellingen (en het dragen van een financieel risico) weer buiten de publieketaakjurisprudentie te plaatsen. Het doel hiervan wordt maar gedeeltelijk bereikt en dat weegt naar mijn gevoel niet op tegen de gecreëerde complexiteit en rechtsonzekerheid.
zie noot 118)
zie noot 119) - van overwegende overheidsinvloed al sprake is als bij een NV de overheid een meerderheid van de aandelen bezit en bij een stichting een meerderheid van de leden van het bestuur door de overheid wordt benoemd en ontslagen. In dat geval zullen vermoedelijk veel rechtspersonen in beginsel kwalificeren als b-orgaan, maar zullen als neveneffect complexe vragen spelen bij het al dan niet transformeren van de privaatrechtelijke handelingen van die rechtspersonen in Awb-besluiten. Dergelijke grensconflicten kunnen beter van te voren worden vermeden. De rechters zouden ook kunnen kiezen voor een tussenvariant, maar een dergelijke variant is moeilijk hanteerbaar en draagt niet bij aan de rechtszekerheid.
zie noot 120) Schiphol Group N.V. en KLM N.V., allen partij bij de besprekingen aan de "Tafel van Alders" in 2008, op 10 december 2009 het Convenant omgevingskwaliteit middellange termijn (hierna: Convenant) ondertekend, (
zie noot 121) waarin zij zich uitspreken voor de middellange termijn afspraken vast te leggen over hun inspanningen gericht op het versterken van de kwaliteit van woon-, werk- en leefomgeving in de Schipholregio, elk vanuit de eigen verantwoordelijkheid en positie. Vanuit deze achtergrond hebben N.V. Luchthaven Schiphol en de provincie Noord-Holland de Stichting bevordering kwaliteit leefomgeving Schipholregio opgericht. Het doel van deze stichting is het bevorderen van de kwaliteit van de woon-, werk- en leefomgeving in de Schipholregio, alles in de ruimste zin van het woord. Daartoe kent zij op aanvraag uitkeringen toe, al dan niet in natura, aan individuele schrijnende gevallen. Het beroep van [wederpartij] betreft de afwijzing van een verzoek om een dergelijke uitkering. Daarnaast financiert de stichting onder meer ‘gebiedgerichte projecten’.
zie noot 122) Dat reglement is vastgesteld door het bestuur van de Stichting en goedgekeurd door de raad van toezicht. De stichting is opgericht door de provincie Noord-Holland en NV Luchthaven Schiphol. Volgens artikel 4, derde lid, van de statuten wordt het bestuur van de stichting benoemd door de raad van toezicht uit een bindende voordracht van ten minste twee personen voor iedere vacature op te maken door de provincie Noord-Holland en Schiphol gezamenlijk. De leden van de raad van toezicht worden benoemd door het bestuurlijk overleg betrokken bij het Convenant. Zoals onder punt 5.1 aangegeven betreft dat diverse overheden, maar ook twee private partijen, Schiphol en KLM.