Eiser ontving dwangsommen toegekend door verweerder voor het niet tijdig beslissen op bezwaar en aanvragen, welke later door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) werden herroepen en vastgesteld op hogere bedragen. Verweerder verrekende deze dwangsommen met openstaande terugvorderingen op basis van artikel 60a, vierde lid, van de WWB, dat sinds 1 juli 2013 geldt.
Eiser stelde dat de dwangsommen declaratoir zijn toegekend vóór 1 juli 2013, waardoor verrekening op grond van het nieuwe artikel niet mogelijk is. De rechtbank oordeelde dat de aanspraken op de dwangsommen zijn ontstaan vóór de inwerkingtreding van het artikel en dat verweerder daarom niet bevoegd was tot verrekening.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept de primaire besluiten. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser. Het vonnis werd uitgesproken door een meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant op 30 januari 2015.