Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 februari 2015 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
onherroepelijkmee in dat de door het college aan hem te betalen vergoedingen voor verleende rechtsbijstand en griffierechten in verband met de te voeren procedures in bezwaar, beroep en hoger beroep en tot het treffen van een voorlopige voorziening door het college enkel verschuldigd kunnen worden betaald door overmaking op rekeningnummer 48.41.71.569 ten name van P. Schut.”.
16 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY2770). De Hoge Raad heeft daarin geoordeeld dat aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet in de weg staat dat die bijstand is verleend op basis van ‘no cure no pay’ en dat daaraan evenmin in de weg staat dat de belanghebbende ermee heeft ingestemd dat een eventuele proceskostenvergoeding aan de rechtsbijstandsverlener wordt uitbetaald. In de door verweerder genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van
23 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW7515) ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel nu uit die uitspraak niet blijkt dat de CRvB voor het oordeel dat geen sprake was van procesbelang bepalend heeft geacht dat op basis van 'no cure no pay' werd geprocedeerd. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 juli 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD8321) dat in een geval waarin de gemachtigde kosteloos optrad in de bezwaarfase en slechts aanspraak maakte op een eventueel toegekende proceskostenvergoeding, betrokkene wel belang had bij beoordeling van haar beroep dat uitsluitend gericht was tegen het niet toekennen van een proceskostenvergoeding, in welk verband de Afdeling heeft overwogen: “Evenmin is het aan de rechter om te treden in de beoordeling van de ter zake door de betrokkene en de gemachtigde gemaakte afspraken”.