Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2015:7660

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 november 2015
Publicatiedatum
8 januari 2016
Zaaknummer
SHE 15/2473
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen toekenning WW-uitkering niet-ontvankelijk wegens verkeerde bezwaarmaker

Eiser kreeg op 20 april 2015 een WW-uitkering toegekend door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het Eckartcollege, vertegenwoordigd door de rector, diende namens zichzelf bezwaar in tegen dit besluit, terwijl de werkgever feitelijk Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (OMO) was. De rechtbank oordeelde dat de identiteit van de bezwaarmaker na het verstrijken van de bezwaartermijn niet gewijzigd kan worden en dat het Eckartcollege geen belanghebbende was bij het besluit.

Daarom werd het bezwaar van het Eckartcollege onontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit, waarin het bezwaar van het Eckartcollege gegrond werd verklaard en het primaire besluit werd herroepen, werd vernietigd. De rechtbank stelde zelf dat het bezwaar niet-ontvankelijk was en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Verder werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De uitspraak werd mondeling gedaan op 19 november 2015 door de meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant.

Uitkomst: Het beroep van eiser is gegrond verklaard en het bezwaar van het Eckartcollege niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 15/2473
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2015 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.G. Volbeda),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigden: M.G. Velten en A.A. Verbeek).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Eckartcollege, te Eindhoven, gemachtigde: [rector] , rector.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser per 4 mei 2015 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Een afschrift van dit besluit is verstuurd aan Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (OMO) die als werkgever als belanghebbende bij dit besluit is aangemerkt.
Op 28 april 2015 heeft [rector] ( [rector] ), in zijn hoedanigheid van rector van het Eckartcollege te Eindhoven, een bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit.
Op 11 juni 2015 heeft verweerder een voornemen wijziging besluit verzonden aan het Eckartcollege en aan eiser.
Op 24 juni 2015 heeft eiser gebruik gemaakt van de mogelijkheid te reageren op dit voornemen.
Bij besluit van 9 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van het Eckartcollege gegrond verklaard, het primaire besluit van 13 april 2015 herroepen en beslist dat de per 4 mei 2015 aan eiser toegekende uitkering in verband met verwijtbare werkloosheid blijvend geheel wordt geweigerd per 10 juli 2015.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder en de derde-partij hebben zich laten vertegenwoordigen door hun respectieve gemachtigden.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • verklaart het bezwaar van het Eckartcollege, gericht tegen het besluit van 20 april 2015, alsnog niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980,-.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Uit de door [rector] ter zitting overgelegde volmacht/lastgeving blijkt dat hij bevoegd was om namens OMO bezwaar in te stellen tegen het primaire besluit. De rechtbank stelt echter vast dat uit het ingediende bezwaarschrift niet kan worden afgeleid dat dit namens OMO is ingediend. Gelet op de inhoud en ondertekening daarvan is het bezwaarschrift door [rector] in zijn hoedanigheid van rector van het Eckartcollege ingediend. Het is rechtens niet aanvaardbaar dat de identiteit van de bezwaarmaker na de bezwaartermijn wijzigt in die zin dat het bezwaar alsnog geacht wordt namens OMO te zijn ingediend.
Aangezien niet het Eckartcollege maar OMO de werkgever van eiser is, kan het Eckartcollege niet als belanghebbende bij het primaire besluit worden aangemerkt. Ook anderszins is geen sprake van een rechtstreeks belang van het Eckartcollege bij het primaire besluit. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van het Eckartcollege ten onrechte ontvankelijk heeft geacht.
Het beroep van eiser is daarom gegrond.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van het Eckartcollege alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Verder veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers, voorzitter, en mr. Y.S. Klerk en mr. J.J.J. Sillen, leden, in aanwezigheid van A.P.C. Lensvelt LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2015.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.