Werknemer, werkzaam als Hoofd Facilitaire Dienst bij Stichting Eindhovens Christelijk Voortgezet Onderwijs (ECVO), werd in december 2014 arbeidsongeschikt en geïnformeerd over een reorganisatie waarbij zijn functie zou vervallen. ECVO stelde dat de werkzaamheden werden uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf en dat herplaatsing niet mogelijk was. Werknemer betwistte de bedrijfseconomische noodzaak en stelde dat ECVO financieel gezond was en dat het UWV ten onrechte ontslagvergunning verleende.
De rechtbank oordeelde dat ECVO aannemelijk had gemaakt dat het verval van de arbeidsplaats noodzakelijk was voor een doelmatige bedrijfsvoering, mede vanwege complexiteit van werkzaamheden en Europese aanbestedingsregels. Werknemer erkende dat herplaatsing binnen ECVO niet mogelijk was. De financiële situatie van ECVO was minder gunstig dan leek door een eenmalige subsidie.
Het verzoek tot herstel van de arbeidsovereenkomst en loondoorbetaling werd afgewezen. Tevens werd geen billijke vergoeding toegekend omdat werknemer op grond van de CAO Voortgezet Onderwijs recht had op een bovenwettelijke voorziening, waardoor geen transitievergoeding verschuldigd was. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.