Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 mei 2016 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Procesverloop
Overwegingen
Verweerder biedt huishoudelijke hulp met ingang van 1 januari 2015 niet langer aan als een maatwerkvoorziening, maar als een algemene voorziening. Van mensen, zoals eiseres, die nog in staat zijn regie over hun huishouden te voeren, vindt verweerder dat gevraagd mag worden dat zij zelf de hulp in het huishouden regelen en betalen. Voor mensen die de noodzakelijke hulp bij het huishouden niet kunnen betalen is er een financiële vangnetregeling vastgesteld, neergelegd in de Verordening financiële tegemoetkoming hulp bij het huishouden. Omdat eiseres een te hoog verzamelinkomen heeft (meer dan € 35.000) komt zij echter niet in aanmerking voor een dergelijke financiële tegemoetkoming.
Bij primair besluit van 20 april 2015 heeft verweerder besloten om de zorgverlener van eiseres per 1 januari 2015in aanmerking te brengen voor de Huishoudelijke Hulp Toelage (verder: HHT) in verband met de noodzakelijke hulp bij het huishouden (zwaar huishoudelijk werk) voor 3 uur per week. De HHT staat los van genoemde Verordening financiële tegemoetkoming hulp bij het huishouden 2015.
De commissie heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren omdat een deugdelijke grondslag voor de beëindiging van de lopende indicatie ontbrak onder het ten tijde van het primaire besluit geldende recht. Zowel de Wmo als de Verordening Wmo gemeente Cranendonck 2012 bieden geen grondslag voor het beëindigen van de verleende Wmo-voorziening. De commissie heeft voorts geconcludeerd dat verweerder op 9 december 2014 een besluit heeft genomen dat is gebaseerd op een wet die op dat moment nog niet gold. Omdat de Wmo 2015 inmiddels in werking is getreden kan dit gebrek volgens de commissie worden geheeld in de beslissing op bezwaar, waarbij is verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 maart 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:1395).
De commissie heeft voorts overwogen dat uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat, alvorens tot het oordeel te komen dat een voorziening algemeen gebruikelijk is, steeds een op de persoon toegespitst onderzoek moet plaatsvinden. Zo’n onderzoek op grond waarvan geoordeeld kan worden dat de geboden voorziening voor eiseres een algemene voorziening is, ziet de commissie echter niet. Blijkens de stukken heeft verweerder immers slechts onderzocht of eiseres in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming. Primair is de commissie daarom van oordeel dat het besluit van 9 december 2014 niet is gebaseerd op een deugdelijke grondslag. Subsidiair is de commissie van oordeel dat de beëindiging van de lopende indicatie onder het overgangsrecht valt van de Wmo 2015, wat met zich brengt dat verweerder een overgangstermijn in acht had dienen te nemen, die in het primaire besluit ontbreekt.
Voorts geeft zij aan dat zij nadrukkelijk heeft gevraagd om een keukentafelgesprek, maar dat hieraan tot op heden geen gehoor is gegeven door verweerder. Hoe verweerder tot de conclusie komt dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden is dan ook een raadsel, aldus eiseres. Een keukentafelgesprek is volgens eiseres van belang voor de beoordeling van de zorgvraag en om tot een zorgvuldige besluitvorming te komen. De HHT is een bijdrage die de gemeente verstrekt aan de zorgverlenende instelling om de werkgelegenheid bij de zorgverlenende instellingen tijdelijk veilig te stellen. Deze wordt dus niet aan eiseres verstrekt. De motivering van verweerder omtrent de overgangsperiode is reeds beargumenteerd afgewezen door de commissie, aldus eiseres. Tot slot heeft eiseres aangegeven dat het niet de bedoeling van de Wmo geweest kan zijn de kosten van een algemene voorziening inkomensafhankelijk te maken en daarmee bewust een ongelijkheid te creëren.
In het tweede lid is bepaald dat het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet, van toepassing blijft ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo.
Volgens artikel 11.4 (Overgangsrecht) van de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2015 wordt de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Cranendonck 2012 (versie 26 juni 2012) ingetrokken, met dien verstande dat een cliënt recht houdt op een doorlopende voorziening verstrekt op grond van de voornoemde verordening dan wel de daaraan voorafgaande verordeningen met de daarbij behorende rechten en plichten, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.
Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 is maatschappelijke ondersteuning:
Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 omschrijft verder de algemene voorziening als een ‘aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning’.
De Wmo 2015 heeft echter als uitgangspunt dat op grond van deze wet geboden voorzieningen, ongeacht of dat algemene of maatwerkvoorzieningen zijn, door verweerder worden getroffen en gefinancierd. In dit verband wijst de rechtbank op artikel 2.1.4 van de Wmo 2015, dat bepaalt dat verweerder bij verordening voor het gebruik van een algemene voorziening een eigen bijdrage in de kosten kán vragen, ten hoogste tot het bedrag van de kostprijs. Deze kostprijs dient te worden bepaald overeenkomstig deze verordening. Het is met dit systeem van de Wmo 2015 niet verenigbaar dat in plaats van een eigen bijdrage tot ten hoogste de kostprijs wordt verlangd dat mensen zelf hun huishoudelijke hulp regelen en volledig betalen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- wijst het verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten af;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van €45,00 vergoedt.