Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalre, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
In verband met de inwerkingtreding van de Pw heeft verweerder onderzoek gedaan naar de leef- en woonsituatie van eiser. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij het primaire besluit eisers Pw-uitkering met ingang van 1 juli 2015 gewijzigd. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiser zijn woonkosten kan delen met zijn twee medebewoners, waardoor op hem de kostendelersnorm van toepassing is. Om die reden is de hoogte van eisers uitkering gewijzigd naar € 594,80 per maand inclusief 5 % vakantietoeslag.
In het advies van de Commissie is overwogen dat het college bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een commerciële huurprijs een vaste, consequente werkwijze toepast (de gedragslijn). Deze gedragslijn houdt in dat een kale huurprijs van minder dan € 229,64 wordt aangemerkt als een niet-commerciële huurprijs. Verweerder heeft daarbij aangesloten bij de zogenoemde ondergrens aan rekenhuur om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Wanneer een huurprijs niet is gespecificeerd neemt verweerder 60 % van de huursom in aanmerking als kale huurprijs. Nu de tussen Woonstichting Thuis en eiser overeengekomen huurprijs niet is gespecificeerd, wordt uitgegaan van een kale huurprijs van € 141,00, hetgeen lager is dan de in de gedragslijn gehanteerde normprijs van € 229,64. Om die reden is eisers huurprijs geen commerciële huurprijs en is op eiser de kostendelersnorm onverkort van toepassing.
Voorts volgt uit het wettelijk systeem dat voor die beoordeling evenmin relevant is of als gevolg van de toepassing van de kostendelersnorm eisers inkomen zakt tot onder het bestaansminimum. De wetgever heeft bij de totstandkoming van artikel 22a van de Pw uitdrukkelijk situaties als die waarin eiser verkeert meegewogen. Het is niet aan de rechter om een oordeel te geven over de uitkomst van die weging. Ook dat betoog kan eiser derhalve niet baten.
De rechtbank overweegt in het kader van de finale geschillenbeslechting als volgt.
Dat hier sprake is van verhuur door een commerciële verhuurder, zoals door eiser is betoogd, doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af, reeds omdat zulks niet op zichzelf bepalend is voor de vraag of er sprake is van een commerciële prijs. Daar komt bij dat voor het feit dat in dit geval door de commerciële verhuurder een
niet-commerciële huurprijs is overeengekomen, een verklaring kan worden gevonden in het feit dat eiser en zijn medebewoners destijds als vluchtelingen de woning hebben betrokken. De huurprijzen zijn onder die omstandigheden tot stand gekomen. In zoverre is sprake van een bijzondere situatie die afwijkt van de wijze waarop een huurprijs bij kamergewijze verhuur in het commerciële verkeer doorgaans tot stand komt. Dat hier sprake is van een bijzondere situatie wordt tevens onderstreept door het feit dat eiser aanvankelijk slechts één van beide kamers huurde voor een totale huurprijs van € 250,00 inclusief gas, water en licht, en nadien beide kamers heeft kunnen huren tegen een lagere huurprijs van € 235,00 inclusief gas, water en licht.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. M. van ‘t Klooster leden, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2016.