Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 maart 2017 in de zaken tussen
[eiser], eiser, te [woonplaats 1] , gezamenlijk te noemen eisers
Procesverloop
“Ik kan niet precies zeggen hoeveel dagen ik gemiddeld in de week bij [eiseres] zit. Ik kan wel zeggen dat ik meestal bij [eiseres] ben, dan in mijn eigen huis. Dat is al zeker tenminste vanaf de geboorte van mijn 2e kind.”
“Ik woon sinds april 2015 op het adres [adres 4] . Naast mij op nummer [adres 2] woont [eiser] . De keren dat ik hem gezien heb in ons complex is op 1 hand te tellen. De andere bewoners op onze verdieping, zie ik wel geregeld. Ik ga in de ochtend rond 08.30 uur weg en ben rond 18.30 uur thuis. Als ik hem zie dan zie ik eigenlijk ook altijd dat hij een aanhangwagen bij zich heeft. Een boedelbak of zo. Toen ik er kwam wonen zeiden de andere bewoners al dat ik weinig last van de buurman zou hebben omdat hij er bijna nooit is. De helft van de keren dat ik hem zag, was hij met matrassen aan het sjouwen samen met anderen.”
“Vanwege de grote hoeveelheid opgeslagen matrassen en onderdelen van bedden in de woon/slaapkamer lijkt het niet aannemelijk dat verdachte [eiser] op deze plaats zijn hoofdverblijf had. De koelkast was op een paar items na, leeg. De vriezer was helemaal leeg. De aanwezige televisie was nog voorzien van een plastic beschermfolie. Het bankstel stond opgestapeld om zodoende meer ruimte voor bedden en matrassen te creëren. De matrassen zaten allen nog in een soort van plastic hoes. De buitenberging kon niet worden betreden zonder eerst de aanwezige matrassen weg te halen.
Beslissing
- Verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond, voor zover daarbij het bezwaar tegen primair besluit II ongegrond is verklaard;
- Vernietigt bestreden besluit II in zoverre;
- Verklaart het bezwaar tegen primair besluit II niet-ontvankelijk;
- Verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond, voor zover daarbij het bezwaar tegen het vervangingsbesluit ongegrond is verklaard;
- Veroordeelt verweerder in de proceskosten in zaak SHE 16/2883 tot een bedrag van € 990,00;
- Bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht ad € 46,00 voldoet.