ECLI:NL:CRVB:2014:3648
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en bankrekeningen
Appellante ontving bijstand sinds 2004 als alleenstaande ouder. Na een anonieme melding startte de Sociale Recherche een onderzoek naar haar woonsituatie en financiële gegevens. Het college trok de bijstand per 1 juli 2012 in wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met E zonder melding hiervan.
Daarnaast werd bij besluit van 22 januari 2013 de bijstand ingetrokken over de periode van 1 september 2004 tot 1 juli 2012 vanwege het niet melden van bankrekeningen van haar kinderen en het niet overleggen van bankafschriften. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Raad dat de gezamenlijke huishouding in de periode juli-augustus 2012 bewezen was.
Voor de bankrekeningen oordeelde de Raad dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden vanaf 1 juli 2007, maar niet daarvoor. Hierdoor werd het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode vóór 1 juli 2007 vernietigd. Het college werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep werd deels gegrond verklaard, waarbij het college de intrekking en terugvordering over de periode voor 1 juli 2007 moest herzien.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd, maar de terugvordering en intrekking over de periode vóór 1 juli 2007 worden vernietigd.