Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2017 in de zaken tussen
[eiser 1] , te [woonplaats] , eiser 1 (SHE 15/2267 E),
[eiser 2] , te [woonplaats] , eiser 2 (SHE 15/2534 E),
[eiser 3] , te [woonplaats] , eiser 3 (SHE 15/2535 E),(gemachtigden: mr. drs. J.M. Stedelaar en mr. Y. Schönfeld),
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [vestigingsplaats] , gemachtigden: mr. F.H. Damen en [gemachtigde] .
Procesverloop
25 februari 2014 en 18 maart 2014 ingetrokken en nieuwe besluiten genomen, waarin de verzoeken om tegemoetkoming in planschade ex artikel 6.1 van de Wro wederom zijn afgewezen.
eiser 2 ongegrond verklaard en het besluit van 18 maart 2014 respectievelijk 29 juli 2014 met aanvulling van de motivering in stand gelaten. Tevens heeft verweerder het verzoek om vergoeding van proceskosten en het verzoek om een maximale uitkering dwangsom afgewezen. Eiser 2 heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/2534.
eiser 3 ongegrond verklaard en het besluit van 25 februari 2014 respectievelijk 29 juli 2014 met aanvulling van de motivering in stand gelaten. Tevens heeft verweerder het verzoek om vergoeding van proceskosten en het verzoek om een maximale uitkering dwangsom afgewezen. Eiser 3 heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit is geregistreerd onder zaaknummer SHE 15/2535.
Overwegingen
Omdat verweerders conclusies met betrekking tot de vraag of de schade tot het normaal maatschappelijk risico van eisers behoort mede zijn gebaseerd op de adviezen van Antea en het daarin opgenomen standpunt met betrekking tot de omvang van het planologisch nadeel kunnen deze, aldus is geoordeeld, evenmin in stand blijven. De bestreden besluiten komen voor vernietiging in aanmerking. Vervolgens heeft de rechtbank aanleiding gezien om de StAB een deskundigenbericht te laten uitbrengen over het planologisch nadeel voor eisers als gevolg van het vrijstellingsbesluit en de daaropvolgende planologische regimes.
De StAB concludeert dat bij beide planvergelijkingen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers door de toename van geurhinder. De andere schadefactoren die de StAB bij de advisering heeft betrokken leiden volgens de StAB niet tot een planologisch nadeliger situatie voor eisers.
Verder wijst Antea er op dat de bebouwing binnen het noordelijke deel van het plangebied, op respectievelijk ongeveer 135, 110 en 175 meter van het perceel van eisers 1, 2 en 3, weliswaar toeneemt van 2 dan wel 4 meter naar maximaal 10,5 meter hoogte in de vorm van zes silo’s, maar dat in het gedeelte van het plangebied waar voorheen al een bouwvlak lag, op respectievelijk ongeveer 195 en 110 meter van de woningen van eisers 1 en 2 en 185 meter van het bedrijfsperceel van eiser 3, reeds 9 meter hoge gebouwen konden worden opgericht.
Schadefactor geurhinder
Deze vergelijking wijst volgens de StAB uit dat als gevolg van de planologische mutatie de tijd dat de geur waarneembaar is ter plaatse van de woning [adres 2] toeneemt van
Bij de tweede planvergelijking heeft de StAB het gebruik van de gronden voor een mestvergistingsinstallatie in 2008 vergeleken met het gebruik van de gronden voor een mestvergistingsinstallatie in 2012. Volgens de StAB is hier, anders dan bij de eerste planvergelijking, sprake van gelijksoortige activiteiten, namelijk het vergisten van (onder andere) mest waardoor warmte en elektriciteit wordt geproduceerd. Daarbij is de maatstaf voor deze planvergelijking niet de blootstellingsduur, maar de maximaal vergunbare geurimmissie. Uit de tweede planvergelijking volgt, aldus de StAB, dat als gevolg van de planwijziging bij de woningen van eisers een hogere geurconcentratie is toegestaan.
Bij beide planvergelijkingen is volgens de StAB dan ook sprake van een planologisch nadeliger situatie.
aanzienlijkplanologisch nadeel.
15. In het StAB-verslag is vermeld dat het ervaren van geurhinder afhankelijk is van een aantal factoren, zoals hedonische waardering, gewenning, incidenteel of continu optredend, waardoor de component geurconcentratie lastig is te duiden en hoe dan ook subjectief van aard is. In die zin is dit criterium minder bruikbaar. De blootstelling aan geur in uren per jaar (hierna: de blootstellingsduur), de andere component van een geurnorm, is volgens de StAB een objectiever criterium.
16. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 7 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2396, en van
17. Verweerder wijst erop dat de StAB bij het bepalen van de geurhinder in de oude planologische situatie het destijds geldende provinciaal geurbeleid heeft betrokken. Naar zijn mening dient echter uitgegaan te worden van de maximale juridisch-planologische mogelijkheden, tenzij deze mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn uitgesloten, waarvan niet gebleken is dat hiervan sprake is wegens het genoemde beleid.
18. De StAB heeft gesteld dat de provincie Noord-Brabant wat betreft het aspect geurhinder zich ten tijde van de peildatum, mei 2008, aansloot bij het landelijk geurbeleid. Op basis van het landelijk geurbeleid voor verspreid liggende woningen alsmede voor bedrijfswoningen, werd (in de regel) een geurimmissienorm van 1 ge/m³ als
21. De StAB heeft hierover ter zitting opgemerkt dat het uitrijden van mest en de biovergisting bepalend zijn voor de geurhinder en dat het weiden van vee en een sleufsilo qua geur niet zijn te kwantificeren. Bovendien zijn de door verweerder en derde-partij genoemde activiteiten nog steeds mogelijk.
22. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het uitgangspunt van de StAB dat het uitrijden van drijfmest bepalend is in het kader van de beoordeling van de geurhinder bij een maximale invulling van de oude planologische situatie onjuist is. Bovendien gaat verweerder er aan voorbij dat de door verweerder en derde-partij genoemde activiteiten mogelijk zijn in de nieuwe planologische situatie.
25. Voor zover verweerder stelt dat het aanwezig zijn van een open systeem met geurhinder als gevolg met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten omdat het gehele systeem erop gericht is om verlies van potentieel biogas te voorkomen, overweegt de rechtbank dat zij op dit aspect reeds is ingegaan onder overweging 6.3 van de beschikking van 31 mei 2016. De rechtbank verwijst naar deze overweging.
31. De StAB is zich bewust van de tekortkomingen in het model V-Stacks en heeft hiermee rekening gehouden. De rechtbank acht dit niet onjuist. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder en derde-partij niet inzichtelijk hebben gemaakt dat met een ander model ook wezenlijk andere resultaten zouden kunnen worden behaald, maar hebben volstaan met het noemen van enkele andere modellen.
Derde-partij merkt in dit kader op dat rekening had moeten worden gehouden met een 100% windrichting naar de woningen van eisers.
Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat zowel bij het bepalen van de geurhinder ten gevolge van het uitrijden van de mest als bij het inwerking zijn van de mestverwerker rekening is gehouden met de windrichting. Een 100% windrichting naar de woningen van eisers komt de rechtbank niet voor als een reële prognose.
Ten aanzien van planvergelijking 2 (peildatum september 2012) stelt derde-partij ook hier dat de omrekening van 95-percentiel normen naar 98-percentiel normen niet is onderbouwd en dat de normstelling van 1 ge/m³ als 95-percentiel zich niet zonder meer laat vertalen naar de normstelling van 1 ou/m³ als 98-percentiel, aangezien de factor hedonische waarde onderdeel uitmaakt van de gehele beoordeling. De StAB is ten onrechte uitgegaan van een hedonische weegfactor gelijk aan 1. Gezien de Beleidsregel geurhinder is de hedonische weegfactor, als de hedonische waarde van de geur niet of onvoldoende bekend is, gelijk aan 0,5. Weliswaar is bij toepassing van deze weegfactor de getalswaarde van de nieuwe geurnorm gelijk aan de ‘oude norm’, maar er is sprake van een aanscherping van de toegestane overschrijdingsduur van 5% naar 2% doordat niet langer sprake is van een 95-percentiel maar een 98-percentiel. Hier gaat de StAB, aldus derde-partij, volledig aan voorbij.
36. De rechtbank concludeert dat bij beide planvergelijkingen wat betreft het aspect geur voor eisers sprake is van een planologisch nadeliger situatie. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een aanzienlijk planologisch nadeel.
Onder verwijzing naar de verleende milieuvergunningen in 2008, 2009 en 2012 en de daarbij behorende akoestische onderzoeken concludeert de StAB dat als gevolg van de planwijzigingen in mei 2008 en september 2012 de toetsmaatstaf van 55 dB(A) etmaalwaarde, die is vastgesteld op basis van het heersende referentieniveau ter plaatse van de woningen van eisers, niet wordt overschreden door het in werking zijn van de inrichting, zodat wat betreft de schadefactor geluid vanwege de installatie volgens haar geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers.
38. Ten aanzien van het wegverkeerslawaai stelt de StAB eveneens dat als gevolg van de planwijzigingen in mei 2008 en september 2012 de toetswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde niet wordt overschreden door de verkeersbewegingen van en naar de inrichting langs de woningen van eisers, zodat ook wat betreft de schadefactor verkeersgeluid volgens de StAB geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers. Daarbij is de StAB ervan uitgegaan dat de route van alle aan- en afvoerbewegingen plaatsvindt langs de woningen van eisers.
39. Eisers 1 en 3 betogen dat uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat voor het bepalen van de geluidniveaus van de mestvergistingsinstallatie en vanwege de met deze installatie gepaard gaande verkeersbewegingen in een planologische vergelijking niet kan worden aangesloten bij de normen dan wel de gegevens die in de milieuvergunningen voor deze installatie en de verkeersbewegingen zijn opgenomen en deze vergunningen derhalve niet bij de te verrichten planvergelijking dienen te worden betrokken. Er dient in dat kader volgens eisers 1 en 3 een reële prognose te worden gemaakt van het gebruik van de mestvergistingsinstallatie met de daaruit voortvloeiende geluidbelasting en met de daarmee gepaard gaande geluidhinder vanwege verkeersbewegingen die bij een maximale invulling van de achtereenvolgende planologische besluiten redelijkerwijs te verwachten zijn.
De rechtbank is niet aannemelijk geworden dat de toetswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de woningen ten gevolge van de achtereenvolgende planologische besluiten wordt overschreden door de verkeersbewegingen van en naar de inrichting, omdat de rechtbank niet aannemelijk acht dat bij een maximale invulling van de planologische besluiten veel meer kan worden geproduceerd dan de capaciteit die bij de milieuvergunning in 2012 is vergund. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het feit dat in de berekeningen in de akoestische onderzoeken ten behoeve van de milieuvergunningen van 2008, 2009 en 2012 de transportbewegingen van en naar de inrichting in zijn geheel zijn meegenomen, dus niet alleen de verkeersbewegingen ten behoeve van de biogasinstallatie.
Eiser 2 brengt ten slotte naar voren dat de StAB in haar verslag alleen heeft benoemd dat er een toename van het geluid zal zijn vanwege een toename van het aantal verkeersbewegingen, maar ten onrechte niet heeft benoemd dat er tevens sprake is van een nadelige wijziging wat betreft de verkeersintensiteit, zowel qua toename van het aantal verkeersbewegingen als qua wijziging van de zwaarte van het verkeer. Ter zitting heeft hij toegelicht dat daarbij moet worden gedacht aan bijvoorbeeld trillinghinder.
De StAB stelt verder dat wat de toxische effecten betreft in het rapport van het RIVM wordt gesteld dat deze in veel gevallen niet reiken tot buiten de terreingrens van de inrichting waarbij een effectafstand van maximaal 35 meter wordt aangehouden. Wat betreft de effecten van een wolkbrand blijkt volgens de StAB uit het erratum dat de maximale effectafstand 140 meter bedraagt voor alle volumepercentages H2S. De dichtstbijzijnde woning van eisers aan de [adres 2] ligt, aldus de StAB, nog juist binnen deze effectafstand. De andere woningen liggen op grotere afstand.
48. Eisers 1 en 3 stellen ook hier dat de StAB ten onrechte uitgaat van de verleende milieu(omgevings)vergunningen en de daarbij gestelde voorschriften en ten onrechte geen reële prognose heeft gemaakt van een maximale invulling van de planologische besluiten.
Eiser 1 merkt nog op dat de StAB ten onrechte concludeert dat alleen de woning [adres 2] binnen de kennelijk door het RIVM gecorrigeerde effectafstand ligt, maar dat is in elk geval niet het geval bij het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode” uit 2012, omdat de afstand van de rand van het bouwvlak met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch-mestbewerking’ in dat bestemmingsplan tot aan zijn woning slechts ongeveer 110 meter bedraagt.
Ook als buiten beschouwing wordt gelaten dat in de vergunningen een H2S-gehalte in het biogas van maximaal 250 ppm (0,025 vol%) is voorgeschreven, acht de rechtbank het een reële prognose als uitgegaan wordt van een H2S-gehalte van minder dan 1 vol%. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat op pagina 6 in het RIVM-rapport staat dat in de praktijk het H2S-gehalte meestal lager zal zijn dan 1 vol% . Uitgaande van maximaal 1 vol% aan H2S-gehalte acht de rechtbank het hanteren van een afstand van maximaal 50 meter tot de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar een reëel uitgangspunt. Voorts worden bij dit percentage de effectafstanden die in tabel 2 en 3 van het erratum zijn vermeld bij eisers’ woningen niet overschreden, met uitzondering van de effectafstand van 140 meter bij instantaan falen, weerklasse D9, ten gevolge van een wolkbrand. In dit kader acht de rechtbank het mede van belang dat de StAB onweersproken heeft gesteld dat weertype D5 het meest voorkomend is in Nederland.
Schadefactor wijziging van de omgevingskarakteristiek
52. Eisers 1 en 3 brengen naar voren dat de StAB ten onrechte voorbijgaat aan het feit dat de omgevingskarakteristiek wijzigt van agrarisch naar industrieel. Dat het volgens de StAB ook in de oude planologische situatie mogelijk was om silo’s op te richten gaat voorbij aan het feit dat deze silo’s alleen geplaatst mochten worden ten behoeve van agrarische activiteiten, terwijl de achtereenvolgende planologische besluiten mestvergisting en energie-opwekking toestaan op een wijze die niet meer als gebiedseigen kan worden aangemerkt in het landelijk gebied. Daarbij wijzen eisers 1 en 3 erop dat er planologisch gezien, zeker gezien het vrijstellingsbesluit uit 2008 dat geen beperkingen stelt aan de aanvoer van mest en coproducten, sprake is van een biovergistingsinstallatie met een onbeperkte capaciteit. Bovendien mochten deze silo’s, aldus eiser 3, op grond van het bestemmingsplan “Buitengebied 1997” slechts 2 meter hoog zijn, terwijl de silo’s ten behoeve van de mestverwerkingsinstallatie 10,5 meter bedragen.
53. De rechtbank overweegt dat de omvang en de hoogte van de silo’s in de adviezen van Antea zijn betrokken bij het onderdeel “bebouwing” en ook het aspect extra verkeer afzonderlijk is bezien in het kader van het onderdeel “gebruik”. Deze aspecten kunnen niet nogmaals bij de schadefactor ‘wijziging omgevingskarakteristiek’ worden betrokken. Voor zover eisers onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3123, stellen dat hier sprake is van een industriële activiteit, overweegt de rechtbank dat in deze uitspraak alleen is geoordeeld dat niet is gebleken dat de taxateur/deskundige een mestvergister heeft beschouwd als agrarische activiteit.
Afgezien daarvan ziet de rechtbank in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op dit punt het advies van Antea, waarin is gesteld dat de extra bouwmogelijkheden en het karakter van de nieuwe bebouwing er niet toe leiden dat het karakter van de omgeving niet meer als landelijk/agrarisch kan worden aangemerkt, niet aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. In het kader van de omgevings-karakteristiek is niet zozeer bepalend of mestverwerking een agrarische of industriële activiteit is, maar welke impact de aanwezigheid van de mestvergistingsactiviteit op de omgeving heeft. Nu silo’s niet ongebruikelijk zijn in een agrarische omgeving en de StAB er terecht op heeft gewezen dat het gebruik van mestvergistingsinstallaties bij agrarische bedrijven al enige tijd een toenemende ontwikkeling is, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers.
54. De rechtbank concludeert dat wat de schadefactor ‘wijziging omgevingskarakteristiek’ betreft geen sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers.
Schadefactor fijn stof
56. Eiser 1 betoogt ook op dit punt dat de StAB ten onrechte uitgaat van de verleende milieu(omgevings)vergunningen en de daaraan ten grondslag gelegde luchtkwaliteits-berekeningen en niet van een reële prognose van een maximale invulling van de planologische besluiten.
57. Gelet op de ruime overschrijding van de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³ is de rechtbank van oordeel dat eisers onvoldoende hebben onderbouwd dat de bijdrage van de inrichting aan fijn stof hoger ligt dan waarvan G&O Consult is uitgegaan, ook niet in een reële prognose. Daarom zijn eisers vanwege het aspect fijn stof niet in een planologisch nadeliger situatie komen te verkeren.
58. Uit het vorenoverwogene volgt dat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat wat de schadefactor ‘fijn stof’ betreft sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor eisers.
Conclusie
62. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisersgemaakte proceskosten, waarbij verweerder tevens zal worden veroordeeld tot vergoeding van € 6.473,50 in verband met de door eiser 3 gemaakte kosten van Tonnaer, nu eiser 3 ervan heeft mogen uitgaan dat de adviezen van Tonnaer een relevante bijdrage zouden kunnen leveren aan een voor hem gunstige beantwoording van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag. De hoogte van de door eiser 3 ingediende nota’s komt de rechtbank niet onredelijk voor, zodat deze nota’s voor vergoeding in aanmerking komen.
63. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op:
- ten aanzien van eiser 1 € 1.732,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1);
- ten aanzien van eiser 2 € 1.732,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1);
- ten aanzien van eiser 3 € 7.958,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1), waarbij de rechtbank geen 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na verslag deskundigenonderzoek geeft, nu in deze zienswijze slechts is verwezen naar een rapport van Tonnaer en dit rapport voor vergoeding in aanmerking komt.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de bezwaarschriften binnen drie maanden na de dag van verzending van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,00 aan eisers, elk afzonderlijk, te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 1, 2 en 3 tot een bedrag van respectievelijk € 1.732,50, € 1.732,50 en € 7.958,50.