Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 18 mei 2016
- het proces-verbaal van comparitie van 14 december 2016
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de akte uitlating van de vrouw van 15 februari 2017
- de akte uitlating van [gedaagden] van 15 februari 2017
- het proces-verbaal van voortzetting van de comparitie van 20 juni 2017
- Bij bericht van 5 juli 2017 heeft de vrouw de rechtbank te kennen gegeven dat partijen geen minnelijke regeling hebben getroffen en heeft zij de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen.
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie
met betrekking tot het door de vrouw zelf opgebouwde ouderdomspensioen:
met betrekking tot het aan de vrouw toekomende verevende ouderdomspensioen van de man:
4.De beoordeling
in conventie
Anders dan [gedaagden] stellen zijn de vorderingen van de vrouw niet gericht op uitbetaling van het haar toekomende werknemerspensioen, respectievelijk haar aandeel in het aan de man toekomend ouderdomspensioen. De vrouw beoogt met haar vorderingen [gedaagden] rechtens afdwingbaar te verplichten zodanige voorzieningen te treffen dat gewaarborgd is dat haar aanspraken in de toekomst ook daadwerkelijk tot uitkering zullen komen. De rechtbank heeft dan ook ten aanzien van ieder van gedaagden te onderzoeken in hoeverre zij in hun specifieke rechtsverhouding ten opzichte van de vrouw gehouden zijn haar aanspraken op (toekomstige) pensioenuitkeringen zeker te stellen door afstorting van de daarmee overeenkomende waarde bij een onafhankelijke derde. Voor zover de uitkomsten van dit onderzoek ertoe leiden dat [gedaagden] , en/of ieder van hen individueel, daar rechtens niet toe verplicht zijn, moet de vordering jegens hen aan de vrouw worden ontzegd. De rechtbank gaat onderstaand nader op deze vragen in. Er is geen reden om de vrouw in haar vorderingen om deze reden niet – ontvankelijk te verklaren.
5.De beslissing
€ 85.628,--), aan ABN AMRO Verzekeringen B.V. dan wel een door deze aan te wijzen verzekeringsmaatschappij;