Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
de heffingsambtenaar van de gemeente Heeze-Leende, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
€ 5.000, en die van [adres 2] met € 2.000, in vergelijking met die van het vorige belastingjaar en dat de afzonderlijke waardestijgingen ook niet gelijk zijn. Voor zover eiser hiermee heeft willen stellen dat daardoor de waarden te hoog zijn vastgesteld, slaagt deze beroepsgrond niet. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat doel en strekking van de Wet WOZ met zich brengen dat de waarde van een onroerende zaak voor elk belastingtijdvak opnieuw wordt bepaald, aan de hand van feiten en omstandigheden die zich voordoen op of rond de waardepeildatum. Verweerder kan daarbij voorbijgaan aan de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de onroerende zaak is toegekend. Dit betekent ook dat aan de WOZ-waarde van een woning in voorgaande belastingjaren geen relevante betekenis kan worden toegekend voor de waardebepaling voor het belastingjaar in geschil (2016). Evenmin komt betekenis toe aan de stelling van eiser dat de stijging van de WOZ-waarden van beide woningen inconsequent is. Voor de bepaling van de WOZ-waarde vormen de verkoopcijfers van vergelijkbare objecten de basis voor de taxatie van de woningen van eiser. Aangenomen mag dan ook worden dat deze waardestijgingen volgen uit de rond de waardepeildatum gerealiseerde verkoopcijfers van de gebruikte vergelijkingsobjecten. Dat neemt niet weg dat, zoals hierna ook aan de orde komt, de rechtbank wel de juistheid van verweerders standpunt dient te toetsen.