ECLI:NL:RBOBR:2018:4649
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid burgemeester tot verlenging van gebiedsverbod na afloop geldigheidsduur
De burgemeester had bij besluit van 13 september 2017 het gebiedsverbod van 30 mei 2017 met drie maanden verlengd, terwijl het oorspronkelijke gebiedsverbod ten tijde van deze verlenging al was verlopen. [Verzoeker] stelde dat het gebiedsverbod niet verlengd kon worden omdat het al was afgelopen. De rechtbank bevestigde dat volgens artikel 172a, zesde lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet alleen een geldig bevel verlengd kan worden. Omdat het eerste gebiedsverbod niet meer geldig was, was verlenging niet mogelijk.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van [verzoeker]. Het procesbelang van [verzoeker] werd erkend, mede vanwege zijn streven naar schadevergoeding.
De rechtbank benadrukte dat het bevel slechts driemaal met telkens maximaal drie maanden kan worden verlengd zolang het bevel geldig is. De taalkundige en maatschappelijke betekenis van 'verlengen' impliceert dat iets bestaands wordt voortgezet, wat hier niet het geval was. De uitspraak werd gedaan door rechter N. Flikkenschild op 25 september 2018 te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit omdat de burgemeester niet bevoegd was het gebiedsverbod te verlengen na afloop van de geldigheidsduur.