Eisers vroegen een omgevingsvergunning aan voor een vleesvarkensbedrijf met 17.680 dieren op een nieuwe locatie. Verweerder weigerde de vergunning onder meer vanwege strijd met de stalderingsregeling in de Verordening ruimte Noord-Brabant (VrNB) en het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van de gemeenteraad. Eisers stelden dat zij vertrouwen mochten ontlenen aan eerdere positieve stappen en dat verweerder had moeten wachten op het besluit van gedeputeerde staten (GS) over hun verzoek om ontheffing van de stalderingsregeling.
De rechtbank oordeelde dat eisers geen gerechtvaardigd vertrouwen konden ontlenen aan de voorbereidende stappen en dat verweerder niet verplicht was een nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen. Wel was het een ernstig procesrechtelijk gebrek dat verweerder het besluit nam zonder het standpunt van GS af te wachten, wat reden was voor vernietiging van het besluit. De rechtbank bevestigde dat de stalderingsregeling rechtmatig is en niet in strijd met hogere regelgeving of algemene rechtsbeginselen, mede vanwege het overgangsrecht voor grotere bouwpercelen.
Verder concludeerde de rechtbank dat het alternatievenonderzoek onvoldoende was om te stellen dat er geschikte alternatieve locaties beschikbaar zijn, waardoor de weigering van de vvgb op dat punt onterecht was. Desondanks bleef de vergunning geweigerd vanwege de weigering van GS om ontheffing te verlenen. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.