ECLI:NL:RVS:2018:3609
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.C. Kranenburg
- G.T.J.M. Jurgens
- E.A. Minderhoud
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing en vernietiging bestemmingsplan Oostelbeers met stalderingsregeling
De zaak betreft het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening locatie Oostelbeers" vastgesteld op 21 juni 2016 door de raad van de gemeente Oirschot, dat werd aangevochten door meerdere appellanten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in een tussenuitspraak dat het oorspronkelijke besluit gebreken vertoonde, met name een onvoldoende motivering omtrent de beperking van bouwmogelijkheden en het niet in acht nemen van een concreet initiatief.
Ter uitvoering van deze tussenuitspraak stelde de raad op 19 december 2017 een herstelbesluit vast, waarin onder meer de beperking van de toegestane oppervlakte van bedrijfsgebouwen werd opgeheven en een stalderingsregeling werd opgenomen. Deze regeling koppelt uitbreiding van dierenverblijven aan sloop of herbestemming elders binnen een stalderingsgebied, met een vereiste saneringsoppervlakte van ten minste 110%.
Appellante sub 1 stelde dat deze stalderingsregeling niet noodzakelijk was voor een goede ruimtelijke ordening, onevenredig bezwarend was en onvoldoende overgangsrecht bevatte. De Afdeling oordeelde dat de regeling een ruimtelijk belang dient, noodzakelijk is voor het tegengaan van regionale concentratie en leegstand van veehouderijgebouwen, en proportioneel is gelet op het maatschappelijk belang. Ook werd geoordeeld dat het plan voldoende waarborgen bevat voor het woon- en leefklimaat, volksgezondheid, en behoud van natuurlijke en landschappelijke waarden.
De beroepen tegen het herstelbesluit werden ongegrond verklaard, terwijl het beroep tegen het oorspronkelijke besluit gegrond werd verklaard en dat besluit werd vernietigd. De raad werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellante sub 1.
Uitkomst: Het oorspronkelijke bestemmingsplan is vernietigd; het herstelbesluit is ongegrond verklaard en de raad is veroordeeld tot proceskostenvergoeding aan appellante sub 1.